miniatuur|'Elendige Straffen die de Turcken de Slaaven doen Leijden'.|300x300pxDe expedities tegen de Barbarijse zeerovers in de periode 1615-1621 werden uitgezonden door de Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden als reactie op de grote schade die zij berokkenden aan de Nederlandse handel op de Middellandse Zee door het kapen van koopvaardijschepen, waarbij zij de bemanningen tot slaaf maakten.

Aanleiding miniatuur|234x234px|'Vijf Engelse christenslaven ontvluchten Algiers per roeiboot'. Vooral in de tijd van het Twaalfjarig Bestand tussen de Republiek en het Spaanse Rijk nam de Nederlandse handel op de Middellandse Zee een grote vlucht. De handelsschepen, straatvaarders genoemd omdat zij door de Straat van Gibraltar voeren, hadden veel last van de Barbarijse zeerovers die opereerden vanuit Algiers, Tunis, Tripoli en Salé aan de Noord-Afrikaanse kust. Algiers was hiervan de belangrijkste; een zwaar gefortificeerde stad met op het eind van de 16e eeuw zo’n honderdduizend inwoners. Het stond sinds 1587 onder nominaal gezag van een Ottomaanse Pasja, die iedere drie jaar vanuit Istanbul vervangen werd, maar in de praktijk had deze weinig te vertellen en heerste er anarchie. De economie was geheel afhankelijk van de zeeroverij en de handel in slaven ontvoerd uit christelijke landen. Met meer dan honderd galeien, galjoten, zeilschepen en kleinere vaartuigen werd jacht gemaakt op handelsschepen en werden dorpen overvallen langs de kusten van Italië, Frankrijk en Spanje tot in Noordwest Europa aan toe. Gevangenen werden verkocht op de slavenmarkt van Algiers en moesten stenen sjouwen bij de bouw van haven- en verdedigingswerken of roeien op de galeien. Ook het losgeld dat door de families van rijke kooplieden betaald werd was een belangrijke bron van inkomsten. Geschat wordt dat de Algerijnen in de tweede helft van de 16e eeuw rond de 300.000 christenen tot slaaf hebben gemaakt.

De Staten-Generaal deden pogingen om langs diplomatieke weg vrije vaart voor Nederlandse schepen te regelen en slaven vrij te krijgen, maar met weinig succes. Onder grote druk van kooplieden besloot de Republiek als eerste Europese mogendheid om militair op te treden tegen Algiers. Tussen 1615 en 1621 werden acht diplomatieke en militaire eskaders naar de Middellandse Zee gestuurd. Ze werden uitgerust door de admiraliteiten, de voorlopers van de huidige marine. De Middellandse Zee was voor hen onbekend terrein.

Expedities

Quast en Pellecoren miniatuur|De westelijke Middellandse Zee. In 1615 werd besloten om twee van de vijf schepen die onder Hillebrand Gerritsz. Quast zoals gebruikelijk langs de westkust van Frankrijk en Spanje patrouilleerden op een missie naar Tunis en Algiers te zenden met brieven en geschenken van de stadhouder Maurits en de Staten-Generaal. Zij moesten proberen alle Nederlandse slaven vrij te krijgen en een verdrag te sluiten over vrije vaart van Nederlandse schepen. Toen kapitein Jan Pellecoren in augustus met de twee schepen in de baai van Tunis aankwam werd hij direct vanuit de stad beschoten. Desondanks ging hij met een sloep aan wal en wist na lang onderhandelen de meeste slaven vrij te krijgen, maar een verdrag sluiten lukte niet. In Algiers kreeg hij zo goed als niets gedaan. Slechts voor veel geld kon hij enkele Nederlanders vrijkopen. Zonder verdrag maar met de bloedvlag gehesen vuurde hij enkele salvo’s af op de stad en vertrok. In lange brieven adviseerde hij de Staten-Generaal een flinke scheepsmacht te sturen omdat praten geen zin had. Hij beschreef de piraten als ‘een canaille, daer men met gheen pen noch mont aff en kan spreecken’ en die hun woord niet langer hielden ‘als haer proffyten en syn; dan den besten middel is, haer de wapens te bieden’.

Hendricks en De Keyser, juni 1616 - april 1617 miniatuur|340x340px|Koopvaarder aangevallen door Barbarijse zeerovers. Vooralsnog gaven de Staten-Generaal de voorkeur aan onderhandelingen om te bereiken dat Algiers zich hield aan het verdrag over ‘vrij schip, vrij goed’ dat in 1612 door de diplomaat Cornelis Haga met de Ottomaanse sultan in Istanbul was gesloten. Tegelijkertijd wilden ze de zeerovers op zee bestrijden. Ze stuurden in april 1616 drie schepen met als doel het ‘besouck ende vervolginge van de roovers’. Met de schepen kwam ook een consul mee die zich permanent in Algiers moest vestigen: de koopman Wijnand de Keyser. Hij had de opdracht om 'eenich accort over de vrye vaert vande schepen uyt dese Vereenichde Nederlanden varende, aen te gaan' en Nederlandse slaven vrij te krijgen zonder betaling van losgeld. De schepen stonden onder bevel van Lambert Hendricksz, bijgenaamd Mooy Lambert, iemand met veel ervaring in het bestrijden van de Duinkerker kapers. Als hij op zee piraten te pakken kreeg moest hij ze niet 'de voeten spoelen' (overboord gooien), zoals bij piraten standaard gedaan werd, maar gebruiken als drukmiddel voor het sluiten van een akkoord en om ze te ruilen tegen Nederlandse slaven. Hendricksz zette De Keyser in januari 1617 af in Algiers en keerde zonder piraten tegen te komen in april weer terug in de Republiek. De Keyser wist met zijn consulaat ingeburgerd te raken in Algiers en zou er uiteindelijk elf jaar blijven. Zijn onderhandelingen verliepen echter uiterst moeizaam, als de Pasja al in staat zou zijn geweest een verdrag door zijn onderdanen te laten eerbiedigen. De Algerijnen trokken zich niets aan van het ‘vrij schip, vrij goed’ verdrag van de Republiek met Istanbul, en wilden overal ieder schip aan kunnen houden en alles wat zij als contrabande beschouwden in beslag nemen. Het lukte De Keyser een aantal slaven tegen betaling vrij te krijgen en een eerste akkoord te sluiten over wat als contrabande beschouwd werd en wat niet, maar het was zo vaag geformuleerd dat de Staten-Generaal het niet ratificeerden.

In de zomer van 1617 was alleen Pellecoren in de Middellandse Zee. In de buurt van Gibraltar patrouilleerde hij met het oorlogsschip Holland. Een relatief groot, nieuw schip van 300 last, met een bemanning van 130. Hij konvooieerde een aantal koopvaarders door de Straat en hield vuurgevechten met piratenschepen, die echter met zowel zeilen als roeiers vooral bij weinig wind sneller en wendbaarder waren dan de Holland. Pellecoren stond bekend als een vechtkapitein. Hij voer eens met getrokken sabel op de voorplecht staande dwars door een piratenvloot heen. De Keyser kreeg van een piratenhoofdman te horen: 'U natie offte volck is wonder hooveerdich, willen vechten, offt cansse sien offt niet'. +AdmiraliteitKapiteinSchipLastMannenStukkenRotterdamLambert HendrickszLeeuinne20010034AmsterdamEllert ThomaszValck2209030ZeelandCornelis DanielszNeptunus

Hillebrand Quast, september 1617 - mei 1618 miniatuur|320x320px|Koopvaarder aangevallen door Barbarijse zeerovers. In het seizoen 1617-1618 werd onder druk van kooplieden voor het eerst een grote vloot van zeven schepen naar de Middellandse Zee gestuurd. Aanleiding was de toenemende schade die de zeerovers aan de handel toebrachten en het grote aantal Nederlanders dat inmiddels in Barbarijse gevangenschap verkeerde. Tegelijkertijd had Cornelis Haga van de naar Algiers vertrekkende nieuwe Pasja de belofte gekregen dat men zich in Algiers voortaan aan het in Istanbul gesloten verdrag zou houden. De vloot vertrok in augustus 1617 met Hillebrand Quast als commandeur. Quast bleef lang in de buurt van Spanje en Sardinië kruisen op zoek naar piraten, maar pas in november kreeg hij er een te pakken. Een aantal roeislaven werd bevrijd en 75 Algerijnen werden gevangen genomen om in Algiers te ruilen. Op 2 februari 1618 verscheen de vloot, aangevuld met de Holland van Pellecoren, voor Algiers, waar de gevangenen geruild werden tegen Nederlanders. Wat een akkoord betreft bereikte hij echter niets, en twee weken later vertrok hij weer. Op de terugweg met een konvooi van een twintigtal koopvaarders werd bij Alicante nog een groot Algerijns schip na een lang gevecht overmeesterd. Het bleek oorspronkelijk een Engels schip te zijn, dat door de piraten hetzij was veroverd of verkregen van een renegaat die zich bij de piraten had aangesloten. De Algerijnen voeren in deze tijd met een combinatie van galeien en West-Europese dwarsgetuigde zeilschepen. Het Engelse schip was tijdens het gevecht te zwaar beschadigd om mee te nemen en werd daarom in brand gestoken. Zeventien roeislaven werden bevrijd en de overlevende zeerovers werden overboord gegooid. In mei was Quasts vloot terug in de Republiek. +AdmiraliteitKapiteinSchipLastMannenStukkenAmsterdamJacob Jansz. van Edamden gulden Valck2209430Carsten Pietersz. RosegaerdtVrieslant82Dirck QuirijnUtrecht90Quirijn Lambertsz. Brackden Gouden Arent2209036Jan PellecorenHollandt300130NoorderkwartierHillebrant Gerbrantsz. Quastd’Orangienboom25048Gerrit Claesz. Ruyterden gulden Leeu1808524Outger Claesz. Buysmanden vergulden Macareel79

Lambert Hendricksz, mei 1618 - februari 1619 miniatuur|300x300px|Nederlandse koopvaarders in gevecht met Barbarijse zeerovers. De zeeroverij nam in 1617 nog weer aanzienlijk toe. Begin 1618 besloten de Staten-Generaal om een oorlogsexpeditie te ondernemen. De Keyser werd teruggeroepen en de regeringen van Frankrijk, Engeland en Venetië werden verzocht de actie te steunen. Als commandeur werd Lambert Hendricksz benoemd. Op 2 mei ontving hij de instructie om met ‘continuele tochten de roovers te soucken, gantsch ende gaer te destrueren ofte onder hen soodanigen schrik ende vreese te veroosaecken, dat zij hen nyet meer op zee zullen derven begeven'. Naast het bestrijden van de zeerovers op zee kreeg hij ook opdracht om de ‘practijcken van de selve in de havens in brant te steecken ofte schieten’. Hendricksz had meer geluk dan Quast het vorige jaar. Bij Gibraltar trof hij een grote Algerijnse vloot die met slaven geroofd van de Canarische Eilanden terugkeerde naar Algiers. Samen met een Spaanse vloot van negen schepen werden op 2 en 3 juli elf of twaalf van de twintig piratenschepen tot zinken gebracht. De overlevende piraten werd de voeten gespoeld. De samenwerking met de Spanjaarden was mogelijk vanwege het Twaalfjarig Bestand. Hendricksz voer nog langs Algiers en vuurde enkele salvo's af op de stad, maar achtte zijn scheepsmacht te klein voor een aanval. De Algerijnen waren woedend over Hendricksz' acties. Het Nederlandse consulaat werd geplunderd en De Keyser en zijn secretaris Jan Manrique, die zich nog steeds in Algiers bevonden, werden mishandeld en in de gevangenis gegooid. Na enkele maanden konden zij zich vrijkopen. Hendricksz' vloot was in februari 1619 terug. De jonge Maarten Harpertsz. Tromp werd op deze tocht tot stuurman op de Leeuinne bevorderd. +AdmiraliteitKapiteinSchipLastMannenStukkenRotterdamLambert HendrickszLeeuinne20012034Dirck Adriaensz. van der CopGelderlant180Schrevel Jacobsz. RuymveltHollantjhr. Pompeus de ConinckLeeu200AmsterdamEllert ThomaszArent Jansz. BremerHendrick Dircksz. CleuterAdriaen van Crimpend’Orangienboom25048Anthony Claesz. HeermanBarent Schaeffde vergulde Raven150ZeelandComelis Jansz. GorcumComelis DaniëlszNoorderkwartierAdriaen Gerritsz. Bras

Hillebrand Quast, december 1618 - september 1619 miniatuur|280x280px|Gevangenen in Algiers.