Willem Elenbaas (Zierikzee, 22 juli 1860 - Den Haag, 9 september 1926) was een Nederlands waterbouwkundige, vooral werkzaam in Nederlands-Indië. Hij was daar directer Burgerlijk Openbare Werken (B.O.W.) en na zijn Indische pensioen directeur va de Ingenieurs-Maatschap „Eigen Beheer". Hij was ook korte tijd buitengewoon hoogleraar aan de Technische Hogeschool Delft.

Opleiding en eerste werkkring Willem Elenbaas werd 22 juli 1860 te Zierikzee geboren, waar hij naar de Hogere Burgerschool ging. Na voor het eindexamen geslaagd te zijn, werd hij in 1878 student aan de Polytechnische School te Delft. In 1882 verwierf hij het diploma van civiel ingenieur.

Gedurende zijn studietijd was hij (in de zomervakantie van 1881) praktikant bij de werken ten behoeve van de brug over de Nederrijn te Rhenen, waar hij werkzaam was onder leiding van den toenmalige sectie ingenieur ir. J.M. Telders.

Na zijn afstuderen tot civiel ingenieur was hij eerst enige maanden in dienst bij de Nauwkeurigheids-Waterpassing, doch al in oktober 1882 werd hij, op voordracht van ir. Telders, weer te Rhenen benoemd, om toezicht te houden bij het maken en stellen van de ijzeren bovenbouw van de brug. Tijdens zijn verblijf te Rhenen werd hij ook nog met allerlei andere werkzaamheden belast: toezicht bij de heiwerk en fundering van verschillende duikers; toezicht in de fabriek te Utrecht bij de vervaardiging van de bovenbouw van de bruggen over de Lunterse Beek en de andere Heiligenbergerbeek, en bij de latere opstelling van die kunstwerken. Verder heeft hij voor ir. Telders de nodige waterpassingen en terreinopnamen gedaan, en was hij ir. Telders behulpzaam bij het maken van bestekken en begrotingen. miniatuur|spoorbrug over de Rijn bij Rhenen in 1900

Naar Nederlands-Indië Inmiddels solliciteerde hij met gunstig gevolg bij het Departement van Koloniën voor uitzending naar Nederlands-Indië, om aldaar bij het Waterstaatscorps te worden aangesteld als adspirant-ingenieur bij de Waterstaat en 's Lands B.O.W.

Na aankomst op 12 januari 1884 te Batavia werd hij toegevoegd aan de resident van Soerabaja, en door deze geplaatst te Modjokerto, bij de opname der Brantas- en Porrong-rivieren, waar hij echter slechts korte tijd bleef; in mei van hetzelfde jaar ging hij weer naar Soerabaja en werd toegevoegd aan de eerstaanwezend ingenieur in dat gewest. In Juli 1884 volgde daarop zijn benoeming tot adspirant-ingenieur.

Nog enkele maanden bleef Elenbaas te Soerabaja, maar in oktober 1884 werd hij in een missie gezonden naar Atjeh, waar hij werkzaam was onder de leiding van de eerstaanwezend ingenieur, en o.a. belast werd met het aanleggen en traceren van wegen, een werk, in die tijd en onder de toenmalige omstandigheden niet zonder gevaar. Dikwijls kwam het voor dat, hoewel de werkzaamheden onder militaire dekking geschiedden, de opnemingsploeg werd beschoten, of dat 's avonds de lamp in de voorgalerij uit moest omdat die een welkom doel vormde voor de vijandelijke kogels. In augustus 1886 werd hij uit Atjeh teruggeroepen, en geplaatst bij de Directie te Batavia. Als herinnering aan zijn verblijf te Atjeh, werd hem het Ereteken voor belangrijke krijgsbedrijven verleend.

Tijdens zijn plaatsing aan het Departement te Batavia werd ir. Elenbaas nog twee malen in commissie gezonden naar Telok Betong (in de Lampongse Districten op Sumatra) in verband met problemen die ze hadden bij de bouw van een schroefpaalsteiger in de baai van Telok Betong, een opdracht, waarbij het hem lukte een bevredigende oplossing te vinden voor de gerezen bezwaren, doch die tevens bewees, welk vertrouwen men reeds stelde in de capaciteiten van de jonge ingenieur.

Soerabaja In september 1887 werd hij weer in Soerabaja geplaatst, ditmaal bij de werken voor de verplaatsing van de “fabriek voor de marine en het stoomwezen” naar het Marine Etablissement aldaar. Tot maart 1890 bleef hij daar werkzaam. Inmiddels was hij in juni 1889 bevorderd tot ingenieur 3de klasse. Volgens het Gouvernementsbesluit van 25 juli 1890 werd aan de ingenieur ir. W. Elenbaas de bijzondere tevredenheid der regering betuigd vanwege "buitengewone ijver in de behartiging van 's Lands belangen, door hem aan de dag gelegd bij zijn werkkring aan het Marine Etablissement".

In april 1890 had zijn bevordering tot ingenieur 2de klasse plaats gehad, waarop in mei 1890 zijn toevoeging aan de chef van de 1ste waterstaatsafdeling, voor verschillende werkzaamheden, volgde. Onder andere was hij gedurende die tijd belast met het traceren van wegen in de residentie Bantam. miniatuur|Kaartje van de Tjihea (Cihea) vlakte bij Bandung Het jaar daarop werd hij te Soekarama (Preanger regentschappen) geplaatst, voor het opmaken der ontwerpen en de uitvoering van de 1ste en 2de sectie der werken ten behoeve van de bevloeiing uit de Tji-Sokkan (nu Cisokan) van de Tjihea-vlakte. Tevens maakte hij echter nog deel uit van een regeringscommissie tot het schatten van de waarde der bezittingen in Nederlands-Indië van de Billiton Maatschappij.

In 1893 volgde zijn overplaatsing naar de 4de waterstaatsafdeling voor de opnemingen en bevloeiingswerken te Modjo Agoeng en Kertosono in de residentie Kediri, die overplaatsing echter werd ingetrokken toen ongeveer gelijk daarmee de autorisatie tot uitvoering van de Tjihea-werken afkwam, zodat hij chef van die werken bleef tot april 1894. Hierover heeft hij een lezing gehouden die is gepubliceerd in het Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Afdeeling Nederlandsch-Indië (jaargang 1893—1894).

Ziekteverlof Vanwege ziekte kreeg hij in 1894 een tweejarig verlof naar Europa. Dit verlof tot twee malen toe met 6 maanden verlengd. Na zijn terugkomst in Indië in 1897, werd hij aanvankelijk geplaatst bij de Directie, en in april 1898 toegevoegd aan de chef van de 1ste waterstaatsafdeling voor de verbetering van het wegennet in de residentie Preanger, met standplaats Soekaboemie. Daar bleef hij één jaar werkzaam, waarna hij in mei 1899 werd toegevoegd aan den chef der werken in de Solo-Vallei, ir. W.B. van Goor.

De Solo-werken miniatuur|kaartje van de Solowerken, 1908 Oorspronkelijk was onder leiding van ingenieur J.L. Pierson in 1891 een plan ingediend voor de bevloeiing van rond 220.000 bouws sawahs. Uitvoering was aangevangen in 1893, maar er bleek al snel daarna, dat de eenheidsprijzen waarop de begroting was gebaseerd, aan de lagen kant waren. In het begin werd dit niet als ernstig bezwaar gezien, maar toen in het begin van 1897 de gedetailleerde begrotingen voor de belangrijkste onderdelen waren binnengekomen, werd bij het technisch bureau van het Departement van B.O.W. geconstateerd, dat als op die voet doorgegaan zou worden het oorspronkelijk geraamde totale eindcijfer met een aanzienlijk bedrag zou worden overschreden. Nadat een commissie, bestaande uit de hoofdingenieurs Slinkers en Mensinga, een plaatselijk onderzoek had ingesteld, en geconstateerd had dat de vermoedelijke overschrijding van de toegestane fondsen nog aanmerkelijk groter zou worden dan reeds werd verwacht, meende de Indische regering hiervan het landsbestuur in Nederland niet onkundig te mogen laten. Het gevolg hiervan was, dat een schorsing der werkzaamheden werd gelast, en door de Minister van Koloniën een nieuwe commissie werd ingesteld, bestaande uit ir. J.M. Telders, ir. W.F. Leemans, ir. J. Kraus en ir. J.E. de Meyier om advies uit te brengen over de wijze waarop verder zou zijn te handelen met betrekking tot de geschorste werken in de Solo-Vallei. Het lid in die commissie, prof. ir. J. Kraus, vertrok daarop in begin 1897 naar Java en kwam in maart van dat jaar op het hoofdbureau der Werken te Bodjonegoro, waar onder zijn leiding een aanvang werd gemaakt met het omwerken van het project, hetwelk in november 1899 zo ver was gevorderd, dat prof. ir. Kraus naar Nederland kon terugkeren. Elenbaas werd om aan de studie van Kraus mee te werken overgeplaatst naar de Solo-Vallei-werken.

Leiding over een gestopt project Na het vertrek van ir. Van Goor werd ir. Elenbaas op het einde van 1900 belast met de leiding over de Solo-werken. In januari 1901 kwam vast te staan dat voorlopig althans van een voortzetting geen sprake zou zijn. Elenbaas werd eervol ontheven van deze functie, maar werd wel belast met het gewoon onderhoud, de bewaking, enz., en tevens werd hij toegevoegd aan de chef van de 4de waterstaatsafdeling voor opnemingen in het gebied van de beneden Solo-rivier tot verbetering van de afwatering en bevloeiing aldaar. Zijn standplaats werd nu Lamongan. In 1902 heeft hij in De Ingenieur een artikel gepubliceerd over de Solo-werken en het verleggen van de monding van de rivier. In februari 1901 werd hij daarop bevorderd tot ingenieur 1ste klasse.

Cement Tevens had hij gelegenheid zijn aandacht te vestigen op de mogelijkheid die zijns inziens bestond om uit de plaatselijk aanwezige grondstoffen Portland-cement te maken. Proeven, door hem in die richting genomen, hadden veel succes, en het lukte hem Portland-cement te maken die in kwaliteit niet onder deed voor de best bekende merken, en aanmerkelijk goedkoper bleek te zijn. Bij tal van werken in Oost Java werd van deze cement gebruik gemaakt.

Chef Oost-Javaanse gebieden In april 1907 werd hij benoemd tot hoofdingenieur 2de klasse, en in verband daarmede aangewezen als chef van de 5de waterstaatsafdeling, met standplaats Probolinggo. In deze betrekking was hij de technische adviseur van het B.O.W. en van de Residenten, voor de gewestelijke waterstaatsdienst in de residenties Pasoeroean, Probolinggo, Besoekie en Bali en Lombok, en tevens de onmiddellijke chef van de in die gewesten werkzame ingenieurs, belast met het projecteren of de uitvoering van verschillende irrigatiewerken.

Ook heeft hij in 1908 nog een reis gemaakt naar Bandjermassin (Borneo) om een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid tot het aanbrengen van een afdoende oeverbescherming langs de Martepoerarivier. Hij is in 1907 ook benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.

In april 1908 volgde zijn overplaatsing naar het hoofdbureau van het departement der B.O.W. te Batavia, waar hij optrad als chef van de afdeling A van dat departement. Toentertijd kwamen bij deze afdeling binnen alle technische ontwerpen, met uitzondering alleen van die, betrekking hebbend op irrigatie, voor zover zij tot de competentie van B.O.W. behoorden, niet alleen plannen en voorstellen op het gebied van de civiel ingenieur, doch ook die van de architect.

Havenbouw, wegenaanleg, bruggenbouw, riolerings- en waterleidingswerken, scholenbouw, oprichting van gebouwen voor de pandhuisdienst (bank van lening), gevangenissen, bouw van woningen voor verschillende takken van dienst, waren slechts enkele onderwerpen waaraan aandacht moest worden gegeven, en waarover advies moest worden uitgebracht. En juist in deze tijd werden op al deze gebieden nieuwe en hogere eisen gesteld, die om afdoening vroegen. Hierover heeft hij tijdens zijn verlof in Nederland in 1912 een lezing voor het KIvI gegeven.

Hij kreeg in januari 1910 nog de bijzondere waardering betuigd van de regering voor zijn werk ten behoeve van een het onderzoek naar de mindere welvaart van inlandse bevolking van Java. Tot 1911 bleef hij bij het departement werkzaam (inmiddels was hij in 1908 bevorderd tot hoofdingenieur 1ste klasse), in welk jaar hem wegens langdurige dienst een jaar verlof naar Europa werd verleend.

Europees verlof Deze verloftijd werd door hem niet in ledigheid doorgebracht. Kort na zijn aankomst in Nederland werd hij ter vervanging van de oud hoofdingenieur van de Indische Waterstaat, ir. A.G. Lamminga, die de wens had te kennen gegeven om van zijn betrekking te worden ontheven, benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Technische Hogeschool te Delft. Hij gaf daar colleges in irrigatie; door zijn werk bij de Tjihea-werken, bij de Solo-Valleiwerken, maar ook als chef van de 5de waterstaatsafdeling was hij een toonaangevend expert op dit gebied.