thumb|Primaire waterkering. Links Markermeer, rechts Oostvaardersplassen thumb|Basaltblokken ter bescherming van het dijklichaam thumb|Oude wierdijk van Wieringen. Materiaalgebruik en bouwwijze werden in vroeger eeuwen voldoende veilig geacht
Een dijk is een door mensen aangelegde langgestrekte verhoogde waterkering, vaak gemaakt van aarde. Hij is bedoeld om het achterliggende land te beschermen tegen schade als gevolg van overstroming door hoogwater. Er zijn verschillende soorten waterkerende dijken met verschillende functies en verschillende bouwwijzen. Naar functie zijn ze grofweg onder te verdelen in zeewaterkerende, rivierwaterkerende en binnenwaterkerende lijnvormige landschapselementen.
In de 1990er jaren vond in Nederland een omslag in denken plaats over de effectiviteit van het indijken van water als bescherming tegen watersnood. Er werd een grootschalig programma opgezet en uitgevoerd waarmee hoogwater in rivieren de ruimte wordt gegeven om veilig weg te stromen, in grotere uiterwaarden, nieuwe nevengeulen en tijdelijke bergingen, onder de naam Ruimte voor de rivier. Ook wordt in plaats van dijkverzwaring gekozen voor beweegbare stormvloedkering, zoals bij Ramspol.
Naast de genoemde primaire beschermingsfunctie van dijken zijn deze in voorkomende gevallen voorzien van wegverharding, zodat ze ook gebruikt kunnen worden als verkeersweg.
Geschiedenis Vermoedelijk werden de eerste dijken aangelegd in Soemerië tussen de Eufraat en Tigris en in Egypte langs de Nijl, enkele millennia voor de christelijke jaartelling. Ook in Amerika en China vond al duizenden jaren geleden dijkenbouw plaats.
In Mesopotamië bouwde men stelsels van dijken en kanalen, waardoor het mogelijk werd om over te gaan op een productievere vorm van landbouw, irrigatielandbouw. Daarnaast werden dijken gebruikt om in de lente het smeltwater van de rivieren buiten de steden te houden. De dijken bestonden uit lage aarden wallen. (2010), Great empires of the past. Empires of Ancient Mesopotamia, Shoreline Publishing Group
3000 jaar geleden kwam de landbouw in Egypte tot stand in de delta van de rivier de Nijl. Al gedurende de 1e dynastie gebruikten de Egyptenaren irrigatiesystemen voor het bewateren van gewassen. Dijken werden gebruikt om de bassins waarin water voor de akkerbouw werd opgeslagen van elkaar te scheiden. (2010), Ancient water technologies, Springer
In het oude China werd tijdens de Zhou-dynastie de overstromingsvlakte van de Gele Rivier gecultiveerd met dijken en drainage. Zo was men ook beter beschermd tegen overstromingen. (2011), Ancient Chinese inventions, Unniversity Cambridge Press: New York De velden en terrassen hervormden niet alleen het landschap op grote schaal, maar ook de maatschappij. Voor de constructiewerkzaamheden waren veel mensen nodig en een goede voorbereiding en coördinatie van de uitvoering. Dat vereiste volgens sommige wetenschappers een grote mate van collectieve sociale organisatie. Dit stimuleerde een gecentraliseerd gezag met hiërarchische maatschappelijke verhoudingen, door de hydraulische samenleving genoemd. Anderzijds werden grote bedijkingen ook binnen bestaande bestuurlijke culturen als die met een autoritair heersende vorst, in dwangarbeid of door arme bewoners uitgevoerd.
Ondanks grote geografische en culturele verschillen zijn er belangrijke overeenkomsten in de functie die bedijking had en de manier waarop gebouwd werd. Zo leefden bijvoorbeeld de Azteken tussen 1200 en 1521 in het huidige Mexico. In de Vallei van Mexico lagen twee zoetwatermeren waarvan het water gebruikt werd voor de landbouw. Om te zorgen dat het water in de meren niet besmet raakte door zout water werden dijken gebouwd. Dankzij de dijken kon het water uit de meren dus geschikt blijven voor de landbouw, ze maakten onderdeel uit van een agrarisch irrigatiesysteem. Naast dijken bouwden de Azteken ook aquaducten om het water naar de akkers te transporteren. (2004) A history of Latin America: Volume one ancient america to 1910, Wadsworth Cencage learning
Lage Landen thumb|Nederland rond 800 n.Chr., met het centraal gelegen Aelmere, in deze afbeelding een echt binnenmeer. Uit het geïsoleerd gelegen Aelmere ontstond na een paar grote overstromingen en door het droogleggen, inklinken en afgraven van het omringende veen, enkele eeuwen later de Zuiderzee. Omdat het zeeniveau de afgelopen 2000 jaar zo'n 2 meter is gestegen, en de bodemdaling over dezelfde periode door inklinking en ontginning toenam, zijn de contouren van de Lage Landen sterk veranderd. Naar verwachting zullen deze contouren de komende honderden jaren blijven veranderen.
Dijkperiode tot 700 na Chr. Zo'n 2000 jaar geleden bestond de kust van Nederland en België uit een brede natuurlijke duinenrij, die hier en daar onderbroken werd door zeegaten. Daardoor stroomde zeewater het achterland in en rivierwater stroomde uit in zee. Achter de duinenrij lag een met kreken dooraderd schorren- en slikkenlandschap dat uit natte klei of veen bestond. Al vroeg hebben mensen gedeelten van deze gebieden, bijvoorbeeld in Friesland, in gebruik genomen door terpen en dijken aan te leggen. Opgravingen uit de Romeinse tijd hebben laten zien dat in de periode tussen 40 en 120 na Chr. sommige van deze dijkjes van klepduikers waren voorzien, waarmee overtollig regenwater afgevoerd werd.Dijken van Nederland, Eric-Jan Pleijster, Cees van der Veeken, dijkgeschiedenis tot 700 (pag 106-109)
In 2021 werd in Vlaardingen een met staken versterkte wal gedeeltelijk blootgelegd die dateert uit de tweede eeuw voor Chr. Het prehistorische bouwwerk is meer dan twintig meter lang, 1,5 m breed en 0,5- tot 1 m hoog. Als de wal bedoeld was om water tegen te houden betreft dit het oudst bekende dijkje in Nederland.Vermoedelijk oudste dijkje van Nederland gevonden in Vlaardingen ,2021
De Romeinen begonnen met de aanleg van dijken en dammen om de loop van bepaalde rivieren zo te veranderen dat ze beter bruikbaar werden voor vervoer per schip. Met afwateringskanalen werden gebieden ontwaterd en geschikt gemaakt voor landbouw. Na het vertrek van de Romeinen uit de Lage Landen zijn deze waterbouwkundige werken in verval geraakt. Natuurlijke processen zoals stormen en overstromingen maakten dat het schorren- en slikkenlandschap zich weer in haar oorspronkelijke staat herstelde. (2012). De kust van nature: 1500 tot 2100. Referatenbundel studiedag Oostende, 13 november 2012, VLIZ Special Publication 62 – Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ): Oostende, België. 24p.
Van 700 tot 1200 na Chr. In de zevende eeuw werd een begin gemaakt met het aanleggen van dijken ter bescherming tegen de zee. Rond het jaar 1000 maakte men in het rivierengebied van de Nederlanden een aanvang met de aanleg van dijken om de loop van rivieren te beheersen. Het gebied dat in de twee eeuwen daarna bedijkt werd, wordt wel "Oudland" genoemd. Het hier aanwezige veen klonk door ontwatering zoveel in dat er soms reliëfinversie optrad; de zandbodems van de getijdekreken kwamen dan uiteindelijk hoger te liggen dan het omringende maaiveld. Na het inklinken van het hoger gelegen veen ging het grootste deel van het Nederlandse veenlandschap in de periode rond 1000 na Chr. over in een rivierlandschap.Dijken van Nederland, Eric-Jan Pleijster, Cees van der Veeken, dijkperiode 700 - 1200 (pag 110-113)
Het gebied dat na circa 1200 werd bedijkt, wordt "Nieuwland" genoemd. Dit waren kwelders waar het veen al verdwenen was en waar slechts geringe inklinking optrad. In het rivierengebied vond veel van de bedijking plaats in het kader van de Grote Ontginning. In het jaar 1014 werd de kust getroffen door een stormvloed waarna men met name in Zeeland en Friesland begon met de aanleg van zeedijken. Omstreeks de twaalfde eeuw kwam het waterbeheertoezicht en de controle op het onderhoud van dijken en andere waterwerken in handen van heemraden, aanzienlijke burgers die het waterbeheer van verschillende gebieden op elkaar afstemden. Later kwamen hier waterschappen of hoogheemraadschappen uit voort.
Tussen 800 en 1250 ging het de Lage Landen economisch voor de wind waardoor de bevolking zich kon vertienvoudigen. De komgronden aan de kust en langs de rivieren groeiden door slibafzetting langzaam aan. De rivier- en zeeklei kon afgegraven worden of het nieuwe aangeslibde land kon in droge perioden en bij een lage waterstand als weidegrond gebruikt worden. Daarnaast konden de komgronden ook gebruikt worden om wilgentenen of riet op te telen of om andere lucratieve activiteiten mee te ondernemen. De dijkenbouw werd in deze vroegste periode voor het grootste deel door kloosterorden georganiseerd.
Van 1200 tot 1500 na Chr. In de twaalfde eeuw werd ook duidelijk dat dijkenbouw gevolgen had voor het landschap. Zo begon het Zwin dicht te slibben door de bedijking. In 1250 was de Westfriese Omringdijk aangelegd die ten noorden van Alkmaar een groot gebied moest beschermen tegen het opdringende water van de Zuiderzee. In 1277 was het landschap dusdanig veranderd door menselijke invloeden dat de duinen niet meer voldoende bescherming boden, wat tot het ontstaan van een nieuw type dijk leidde: de zeedijk. In dat jaar brak de dijk bij Jansum en Wilgum door waardoor de Dollard ontstond. In dezelfde periode werden in de zuidelijke en noordelijke Nederlanden steeds meer rivieren bedijkt om ervoor te zorgen dat de stroom niet meer ver buiten zijn oevers zou treden.
thumb|Sint–Elizabethsvloed in 1421, ~1490-1495, Meester van de Heilige Elisabeth-Panelen.De strijd tegen het water was een moeizaam en taai gevecht, mede doordat de effecten van de ingrepen niet altijd ingeschat konden worden. Bedijking van kwelder- en kustveengebieden had tot gevolg dat tijdens stormen het zeewater niet meer over de kwelders kon uitstromen. Hierdoor steeg de stormvloedhoogte, waardoor de kans op dijkdoorbraken toenam. Deze vonden dan ook veelvuldig plaats. In het jaar 1404 waren er dijkdoorbraken die Zeeland en Vlaanderen troffen en in West-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen een landverlies van 3000 hectare tot gevolg hadden. De graaf van Vlaanderen gaf opdracht tot aanleg van de Graaf Jansdijk die nog steeds bestaat. Om het werk aan de dijken en sluizen te coördineren, werden in Vlaanderen wateringen opgericht die als voorbeeld dienden voor de waterschappen en hoogheemraadschappen in Holland en Friesland. Door dit alles veranderde de sociale en economische structuur en daarmee heeft het grote invloed gehad op de geschiedenis, onder meer door de collectiviteit die noodzakelijk was bij de bescherming van het in gebruik genomen land tegen het water. Dit had een mentaliteit en bestuursvorm tot gevolg die, met de geografisch gunstige ligging aan zee en waterwegen, heeft bijgedragen aan het latere succes van de Nederlandse handel. In 1440 begon men in Noord-Holland met het stutten van dijken met houten planken ter versteviging. Een dijk bleef zo beter op zijn plaats en brak minder snel door. Deze dijken werden in de Kop van Noord-Holland Holzungen genoemd.
Het rivierenlandschap ging in de dijkperiode tot 1500 langzaam over in een landschap van polders die zich achter de eerste lage winterdijken bevonden. De oude winterdijken boden doorgaans slechts een minimale bescherming tegen hoogwater langs brede rivieren en tegen overstromingen van kwelders en schorren tijdens springtij en stormvloeden.Dijken van Nederland, Eric-Jan Pleijster, Cees van der Veeken, dijkperiode 1200 - 1500 (pag 114-117)
Van 1500 tot 1800 na Chr. In de zestiende eeuw begon men steeds vaker zeedijken op door dijkval bedreigde plaatsen te voorzien van een extra inlaagdijk. Ook werden meer afdekmaterialen gebruikt om dijken te verbeteren. In het jaar 1555 brak de laatste dijk rond de stad Reimerswaal waardoor het water tot aan de stadsmuren kwam te staan. Na 1170 en 1532 was er in 1570 voor de derde maal een allerheiligenvloed. Deze veroorzaakte van Vlaanderen tot Noord-Duitsland dijkdoorbraken met enorme schade en tienduizenden slachtoffers.