miniatuur|270x270px|De zeeslag bij Gibraltar. Hillebrand Gerbrandsz. Quast (Enkhuizen, ca. 1573 - aldaar, 8 december 1636) was een kapitein en later viceadmiraal bij de Admiraliteit van het Noorderkwartier. Hij nam in 1607 deel aan de Zeeslag bij Gibraltar en speelde de jaren daarna een belangrijke rol in de bestrijding van de Duinkerker kapers en de Barbarijse zeerovers.
Zeeslag bij Gibraltar Over Quasts jeugd is zo goed als niets bekend. Hij werd geboren in Enkhuizen, koos zoals velen voor een loopbaan op zee en klom op tot schipper. Ergens vóór 1607 nam hij dienst bij de Admiraliteit van het Noorderkwartier, een van de voorlopers van de huidige marine. Hij was dat jaar kapitein (zoals schippers bij de marine genoemd werden) op een van de drie schepen die Enkhuizen leverde aan de vloot van Jacob van Heemskerck die in april de Zeeslag bij Gibraltar uitvocht met een Spaanse vloot. De slag eindigde in een grote overwinning voor de Nederlanders hoewel Van Heemskerck sneuvelde.
Middellandse Zee miniatuur|300x300px|De Barbarijse kust. Na ingang van het Twaalfjarig Bestand met het Spaanse Rijk in 1609 was Quast vooral actief in het konvooieren van handelsschepen en het kruisen (patrouilleren) op de Noordzee en in het Kanaal tegen de Duinkerker kapers, en op de Atlantische Oceaan tot aan Gibraltar tegen de Barbarijse zeerovers. In 1615 was hij commandeur van vijf schepen die bij Gibraltar kruisten, waarvan hij er twee onder kapitein Jan Pellecoren afzond naar Tunis en Algiers om te proberen tot afspraken te komen over vrije vaart van Nederlandse schepen op de Middellandse Zee. Deze door de Staten-Generaal geïnitieerde ouverture mislukte en leidde tot een aantal militaire expedities tegen de zeerovers waarin Quast een hoofdrol speelde.
Als commandeur naar Algiers miniatuur|17e-eeuwse kaart van de westelijke Middellandse Zee. In 1617 werd de eerste grote vloot van zeven schepen naar Algiers gezonden. Quast werd als commandeur benoemd, varend op het schip Oranjeboom. Vlak voor zijn vertrek op 24 augustus kreeg hij van de Staten-Generaal de instructies om nogmaals te polsen of men in Algiers bereid was zich aan een verdrag te houden en om anders tegen hen op te treden. Ook moest hij proberen zeerovers gevangen te nemen om hen te ruilen tegen de bemanningen van Nederlandse koopvaarders die in Algiers tot slaaf waren gemaakt. Eind september verscheen hij met zijn schepen bij Málaga. Van daar ondernam hij een kruistocht langs de oostkust van Spanje en rond Mallorca tot aan Sardinië, zonder echter piratenschepen tegen te komen. Tot tweemaal toe hinderde de wind hem om bij Algiers voor anker te gaan. Pas in november, door stormwind helemaal teruggedreven naar Cádiz aan de andere kant van de Straat van Gibraltar, kwam hij toevallig een schip van de zeerovers tegen. Na een zwaar gevecht werden 75 Algerijnen gevangen gemaakt en werden een aantal Europese roeislaven bevrijd. Met de gevangen Algerijnen arriveerde hij op 2 februari 1618 in Algiers en ruilde hen voor Nederlanders. In de haven bleek een enorme piratenvloot te liggen. De Nederlandse consul Wijnand de Keyser was er al een poos bezig te onderhandelen over een verdrag maar boekte weinig voortgang. Hoewel Quast hem niet veel kans gaf op slagen koos hij ervoor om in Algiers te blijven. Quast vertrok weer op 17 februari en konvooieerde vanaf Alicante een vloot van wel 25 koopvaarders op de terugtocht naar huis, de meeste Nederlands. Daar kwam toch nog een vloot van zeven Algerijnse schepen in het vizier, waarvan hij er een achterhaalde. Het was een oorspronkelijk Engels dwarsgetuigd schip met een bemanning van 140. Na een gevecht met kanonnen en musketten dat de hele nacht duurde kon het schip geënterd worden. 'De furie was groot, ende sijne musquettades noch geweldigher als de onse, hoewel onse muscquettiers haer debvoir oock sonderling wel deden, ende d’andere onse maets met pycken ende sabels naer advenant', rapporteerde Quast vanuit Alicante. Tachtig Algerijnen die het gevecht overleefd hadden werden overboord gegooid, ofwel de 'voeten gespoeld', destijds de standaardprocedure bij gevangen zeerovers. Het Engelse schip was te zwaar beschadigd om mee te nemen zodat het in brand werd gestoken. In mei was Quast terug in de Republiek.
Wapenstilstand miniatuur|290x290px|Nederlandse koopvaarders aangevallen door Barbarijse zeerovers. Ondanks de aanwezigheid van Quasts vloot hadden de zeerovers in de zomer van 1617 de Middellandse Zee 'geinfesteert' en een groot aantal Nederlandse koopvaarders gekaapt. De Keyser liet vanuit Algiers weten dat de Staten-Generaal met hun vloten de Algerijnen niet voldoende ontzag hadden ingeboezemd. Begin 1618 werd daarom een oorlogsvloot naar Algiers gestuurd onder bevel van Lambert Hendricksz, bijgenaamd Mooy Lambert. Zijn vloot zou nog versterkt moeten worden met Quasts vloot die na terugkomst in de Republiek rechtsomkeert moest maken. Door allerlei, vooral politieke, vertragingen kwam Quast met een tiental schepen, waarvan vier van het Noorderkwartier, pas in maart 1619 aan in de Middellandse Zee, toen Hendricksz na een overigens succesvolle tocht al weer terug was in de Republiek. Quast sloot samen met De Keyser in Algiers een wapenstilstand van zes maanden, zodat zijn vloot verder niet in actie kwam.
Opnieuw naar Algiers miniatuur|Een Spaans galjoen wordt aangevallen door Barbarijse zeerovers. In november 1619 voer Quast opnieuw naar Algiers, ditmaal als vicecommandeur in de vloot van Hendricksz. De vloot telde twaalf schepen, met Quast weer op de Oranjeboom. In februari werd bij Alicante weer een piratenschip veroverd. Begin maart werden in Algiers twee gezanten afgezet en werden gevangenen geruild. Toen onderhandelingen over een verdrag wederom zonder resultaat bleven voer de vloot de zee op om verder op piratenschepen te jagen, maar die bleven ver uit de buurt. Quast keerde met zijn schip al vroegtijdig terug naar de Republiek. De rest van de vloot volgde verspreid in het najaar van 1620.
Gevangenschap in Marseille Eind 1620 maakte Quast als kapitein van het schip Eendracht deel uit van het laatste grote oorlogseskader naar de Middellandse Zee, dat ruim 80 koopvaarders daarheen konvooieerde en er vervolgens verspreid ging kruisen. De vloot stond onder bevel van luitenant-admiraal Willem de Zoete, met Jochem Swartenhondt als viceadmiraal, en bevatte vier schepen van het Noorderkwartier. Quast voerde op de tocht samen met Jan Thijsz op de Makreel een speciale opdracht uit voor prins Maurits: het konvooieren van een schip met door Louis de Geer geleverde wapens voor de hugenoot Gaspar de Coligny, Gouverneur van Aigues-Mortes in de Languedoc. Hij was een kleinzoon van de schoonvader van Willem van Oranje, Gaspard II de Coligny. die in opstand was tegen de Franse koning. Het schip werd echter aangehouden toen het de Rhône opvoer, waarna Quast en Thijsz een poos in de gevangenis van Marseille doorbrachten. Op verzoek van de prins en de Staten-Generaal werden ze weer vrijgelaten.
Duinkerken miniatuur|250x250px|17e-eeuwse kaart van de Noordzee. Met het einde van het Twaalfjarig Bestand in 1621 werd de aandacht van de marine weer verlegd naar de Spanjaarden en de Duinkerker kapers, die hun activiteiten met hernieuwde energie hervatten. Met name gericht tegen de grote Hollandse vissersvloot, een van de pijlers van de economie. In 1622 commandeerde Quast samen met Willem Codde van der Burch nog een eskader van het Noorderkwartier naar de kust van Portugal, waar voor de monding van de Taag twee koopvaarders naar Brazilië veroverd werden. Verder was hij weer vooral actief op de Noordzee en het Kanaal en was hij commandeur van de eskaders die jaarlijks Duinkerken blokkeerden. Daarbij hoorden ook landingen op de kust, wat de Duinkerkers ook deden op de Hollandse kust. Van Quast is bekend dat hij persoonlijk ten westen van Duinkerken aan land ging om mee te helpen het platteland te plunderen.
Voetspoelingen miniatuur|270x270px|De blokkadevloot voor Duinkerken in 1628. Quast raakte in opspraak toen hij weigerde de door de Staten-Generaal bevolen praktijk van het 'voeten spoelen' op de kapers uit te voeren. Die straf werd door de Duinkerkers op dezelfde wijze verhaald op gevangen genomen Nederlandse vissers. In maart 1627 veroverde Quast een kaperschip dat hij met zijn eskader had achterhaald bij het eiland Portland aan de Engelse zuidkust. In samenspraak met zijn kapiteins besloot hij de negentig bemanningsleden in leven te laten, en rapporteerde daar ook over. Hij werd daarop van 'slappigheyt' beschuldigd. Een overleg volgde tussen prins Maurits en de admiraliteiten, waarna de opdracht tot voetspoeling nogmaals bevestigd werd met een uitzondering voor passagiers, scheepsjongens en vissers. In gebreke blijven zou gestraft worden met inhouding van gage of ontslag van de hele bemanning.
Op 28 april 1628 werd Quast tot viceadmiraal bij de Admiraliteit van het Noorderkwartier benoemd. Dat jaar veroverde hij weer een Duinkerker, en een andere werd bij Scheveningen het strand opgejaagd, en weer paste hij het voetenspoelen niet toe. Hij werd daarover ondervraagd door een commissie, maar vanwege zijn status werd hij niet veroordeeld. Het voetenspoelen raakte daarna mede door zijn weigeringen in onbruik.
Viceadmiraal miniatuur|Schepen van de vloot van Piet Hein in gevecht met Duinkerker kapers in 1628.In 1629 was Quast viceadmiraal in de vloot van luitenant-admiraal Piet Hein. Op de Hollandsche Thuyn van de admiraliteit van het Noorderkwartier, een schip van 180 last en bewapend met 18 metalen stukken, 14 gotelingenGegoten in plaats van gesmeed kanon, meestal gebruikt als benaming voor lichte kanonnen. en 6 steenstukkenKlein geschut, schietend met stenen kogels., en bemand met 90 matrozen en 30 musketiers, voerde hij het bevel over een vloot van ruim twintig schepen die Duinkerken blokkeerden, terwijl Hein met zes schepen kapers uit Oostende najoeg op zee. Toen Hein in een gevecht met hen op 17 juni sneuvelde ging het bevel van de vloot tijdelijk over op Quast, tot later dat jaar Philips van Dorp als voorlopig nieuwe luitenant-admiraal werd benoemd. Toen Van Dorp in april 1630 de Staten-Generaal verzocht hem in zijn 'staet ende officie te mainteneren' steunde Quast dat verzoek, samen met de twee andere viceadmiraals Jasper Liefhebber en Wemmer van Berchem. Ook in 1630 en 1631 was hij bevelhebber van de blokkadevloot, die toen onderdeel was van een vloot van in totaal 35 schepen en 10 jachten. Een van zijn kapiteins dat jaar was Maarten Harpertsz. Tromp op de Groene Draeck.
De blokkade van Duinkerken was echter nooit waterdicht te krijgen en Quast klaagde herhaaldelijk bij de Staten-Generaal dat hij van de admiraliteiten lang niet alle schepen kreeg die waren beloofd. 'Ick sien ende bevinde, Hoogmogende Heeren, dat hij ongeluckigh is, die hier op de custe van Vlaenderen commandeert', schreef hij op 28 augustus 1630 om die reden, '...anders niet te verwachten is als schande ende oneer'. Afwisselend kruiste hij ook voor de Hollandse kust om de haringvloot (de Grote Visserij) te beschermen,De Grote Visserij was de haringvangst, die ver de zee op ging. De Kleine Visserij, op Kabeljauw en Schelvis, bleef dichter bij de kust en was dus veiliger voor de kapers. en konvooieerde hij tot aan Kaap Skagen een vloot van 500 koopvaarders op weg naar Noorwegen en de Oostzee.
Het fiasco van 1635 miniatuur|270x270px|De Duinkerker kapervloot, het Scheurtje (de uitvalsroute), de zandbanken en de Hollandse blokkadevloot.