De executie op het Oude Stadsplein in Praag was de terechtstelling van 27 leiders van de Boheemse Opstand (drie edelen, zeven ridders en 17 burgers) door keizer Ferdinand II, die plaatsvond op 21 juni 1621 op het Staroměstské náměstí (Oude Stadsplein) in Praag.

Voorgeschiedenis thumb|left|Tweede Praagse Defenestratie, 23 mei 1618 De veroordeelden werden geëxecuteerd vanwege hun rol in de Boheemse Opstand. Deze opstand begon op 23 mei 1618 met de defenestratie van de vertegenwoordigers van keizer Ferdinand II, Vilém Slavata van Chlum en Jaroslav Bořita van Martinice, door enkele protestantse leden van de Staten van Bohemen. Vervolgens werd Ferdinand afgezet als koning van Bohemen en werd in zijn plaats Frederik V van de Palts gekozen. De opstand werd op 8 november 1620 door het keizerlijke leger onder leiding van hertog Maximiliaan van Beieren verslagen in de Slag op de Witte Berg. Een dag later werd Praag ingenomen.

Onteigeningen thumb|200px|Vilém Slavata van Chlum, 1618 Maximiliaan beloofde de Boheemse adel dat hen niets zou overkomen, zolang ze zich aan de keizer zouden onderwerpen. Toch besloot de keizer – om een nieuwe opstand te voorkomen – zoveel mogelijk opstandelingen te vervolgen. Dit gebeurde door middel van executies, confiscatie van bezit en boetes. Nog voor de val van Praag werden enkele landgoederen van Boheemse adelijke personen geconfisqueerd. Ferdinands raadslieden hadden hier geen moeite mee. Ook zijn voormalig vertegenwoordiger Vilém Slavata van Chlum, zelf een Tsjech, schreef hem op 3 november dat dit de juiste weg was. Grootschalige onteigening zou de macht van de grotendeels protestantse adel in Bohemen definitief breken.

Voorbereidingen thumb|links|180px|Karel I van Liechtenstein De opstandelingen werden in drie categorieën verdeeld: personen – zowel protestanten als katholieken – die niets deden en Frederik V van de Palts accepteerden als koning, personen die de opstand op welke manier dan ook dienden of een ambt bekleedden en personen die leiding gaven. De keizer was van plan de laatste groep wegens hoogverraad te laten executeren. Ook Maximiliaan van Beieren ging hiermee akkoord, na in december 1620 bezocht te zijn door de keizerlijke raadslieden Hegenmüller en Hohenzollern.

Op 11 december 1620 kreeg de prins van Liechtenstein de opdracht de leiders van de opstand scherp in de gaten te houden en te voorkomen dat geld en waardevolle spullen het land verlieten. Het gerucht ging dat sommige gevluchte opstandelingen hun bezit in bewaring hadden gegeven aan Joden, wat in het geval van Vilém Popel van Lobkowicz de jonge ook daadwerkelijk zo was. Daarom beval Liechtenstein de Joden deze bezittingen over te dragen. Al in de eerste dagen van december liet Liechtenstein bezittingen van gevluchte opstandelingen in beslag nemen.

Arrestaties thumb|Binnenplaats voor de Witte Toren Begin 1621 gaf Maximiliaan generaal Tilly de opdracht de Boheemse adel te beschermen. Dit was in tegenspraak met de overeenkomst die hij eerder sloot met Hegenmüller en Hohenzollern. Desondanks liet keizer Ferdinand in februari de leiders van de opstand arresteren. Edelen en ridders werden opgesloten in de Witte Toren van de Praagse burcht, burgers in de stadhuizen van de Praagse steden. Daarnaast gaf de keizer 29 personen huisarrest. De arrestaties kwamen onverwacht, omdat de Bohemers nog steeds op bescherming van Maximiliaan rekenden. Meerdere smeekbeden aan Maximiliaan en de (protestantse) keurvorst van Saksen werden niet beantwoord. In plaats van te bemiddelen arresteerde de keurvorst van Saksen de Boheemse edelman Joachim Andreas von Schlick, die zich op dat moment in Görlitz bevond.

Rechtszaak thumb|Zaal van de Keizerlijke Hofraad Omdat Boheems recht de keizer in de weg stond werd besloten tot de oprichting van een speciale rechtbank met eigen straf- en strafprocesrecht. Voorzitter was Liechtenstein zelf. Op 13 maart kwamen de leden van deze rechtbank samen. Als eerste maakte Liechtenstein een vonnis bekend, waarin bepaald werd dat het bezit in beslag genomen van 22 personen die tijdens de opstand overleden waren, zoals Linhart Colona van Fels en Oldřich Kinský. Op 29 maart begonnen de eigenlijke rechtszittingen in de zaal van de Keizerlijke Hofraad in de Praagse burcht. Terwijl de beschuldigden werden verhoord vond ook de rechtszaak tegen de gevluchte opstandelingen plaats. Op 2 april werd tegen deze vluchtelingen een dagvaarding uitgevaardigd. Na drie dagen werden ze allemaal tot de doodstraf veroordeeld en werd hun bezit in beslag genomen.

Ondertussen gingen de verhoren verder. De rechtbank was bijzonder geïnteresseerd in de defenestratie en of deze van te voren was gepland. Dit bleek inderdaad zo te zijn. Verder waren de verhoren niet meer dan een formaliteit. De uitkomst stond toch al vast. In mei werden de bezittingen van alle 51 beschuldigden geconfisqueerd en kregen 34 van hen de doodstraf. Vervolgens werd het vonnis naar Wenen gestuurd, waar keizer Ferdinand zijn "mildheid" toonde door enkele veroordelingen te "verzachten". Vilém Popel van Lobkowicz en vier anderen kregen gratie. Graaf Von Schlick niet levend gevierendeeld, maar onthoofd. En hij stond toe dat naast katholieke biechtvaders ook ultraquistische predikanten op het schavot aanwezig waren.

thumb|Graaf Von Schlick wordt ter dood veroordeeld, 19 juni 1621 Op 19 juni werd het eindvonnis uitgesproken in de zaal van de Keizerlijke Hofraad in de Praagse burcht. 28 personen werden wegens hoogverraad ter dood veroordeeld en nog eens zeven personen kregen een levenslange gevangenisstraf. Martin Fruwein had zich kort daarvoor van het leven beroofd door uit het raam van zijn cel te springen. Op 20 juni mochten de naaste familie de veroordeelden bezoeken en kregen ze het avondmaal toegediend door predikanten van de kerkelijke denominatie van hun keuze. Alleen geestelijken van de Broedergemeente waren niet welkom. Daarnaast kregen de veroordeelden bezoek van de jezuïeten, die hen tevergeefs tot het katholicisme probeerden te bekeren.

Executie thumb|links|200px|Executie van Jan Jesenius De executies vonden plaats op 21 juni 1621. Als eerste werd graaf Von Schlick onthoofd. Václav Budovec werd zonder biecht onthoofd, omdat hem een predikant van de Broedergemeente geweigerd werd. De derde edelman die onthoofd werd was Kryštof Harant. Daarna volgden zeven ridders. De oudste van hen was de 86-jarige Václav Kaplíř, die bijna struikelde toen hij het schavot beklom. Als laatste werden 17 burgers terechtgesteld. Bij twee veroordeelden werd de straf wreder gemaakt. Bij ridder Bohuslav van Michalovice werd eerst een hand afgehakt. Bij Jan Jesenius werd eerst de tong afgesneden en na onthoofding werd zijn lichaam gevierendeeld. Jesenius werd om twee redenen het zwaarst gestraft: ten eerste haalde hij Hongarije over om met de keizer te breken en ten tweede schreef hij een politiek-filosofische verhandeling getiteld Pro vindiciis contra tyrannos (Kan een tiran door het volk worden afgezet?).

Ook van Leander Rüppel en Jiří Hauenšild werden de handen afgehakt, maar alleen na executie. De leden van de Broedergemeente werden opgehangen, wat voor hen de meest vernederende dood was. Diviš Černín was de enige katholiek. Zijn broer Heřman Černín, die gouverneur van de Oude Stad was, had tevergeefs op gratie gerekend. Alleen Jan Theodor Sixt kreeg op het schavot gratie, door toedoen van zijn oom, de kanunnik Johann Ernst Plateis. De executie duurde ongeveer vier uur lang.

thumb|200px|Hoofden en handen ten­toon­ge­steld op de Oudestadsbrugtoren De hoofden van 12 mannen werden tentoongesteld op de Oudestadsbrugtoren, samen met de hand van Bohuslav van Michalovice en de tong van Jesenius. Pas in 1631 werden de hoofden verwijderd, toen de keurvorst van Saksen Praag veroverde met hulp van de Zweden. Op 22 juni werden nog enkele personen gegeseld en werd raadslid Mikuláš Diviš een uur lang met zijn tong aan een galg gespijkerd. De overige veroordeelden werden gevangen gezet of het land uitgezet.

Gevolgen thumb|links|27 witte kruisen in het plaveisel van het Oudestadsplein herinneren aan de executie De executie op het Oude Stadsplein markeert het begin van een gewelddadige Contrareformatie en de inperking van de macht van de Staten van Bohemen. Na de executie ging het proces van confiscatie door. Hierdoor sloten sommige edelen in West-Bohemen zich weer aan bij Mansfeld, de door de Staten ingehuurde opperbevelhebber, die zich stug tegen de keizer bleef verzetten. Bijna de hele Boheemse adel werd door de keizer verantwoordelijk gehouden voor de opstand en dus hadden ze niets meer te verliezen. Uiteindelijk werd de opstand in West-Bohemen neergeslagen en werd twee derde van de bezittingen van de adel geconfisqueerd. Deze landgoederen werden door de keizer uitgedeeld aan katholieke bondgenoten als Albrecht von Wallenstein.

Categorie:Geschiedenis van Bohemen Categorie:Dertigjarige Oorlog Categorie:1621