Foskeia is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Cerapoda, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige Spanje. De enige benoemde soort is Foskeia pelendonum.

Vondst en naamgeving In 1998 werd bij Vegatete, tussen Salas de los Infantes en Villanueva de Carazo, een lens rode leem met fossielen opgegraven, met een oppervlakte van eerst een en daarna drie vierkante meter. Hierin werd een groot aantal botten gevonden van een nieuw ontdekte kleine cerapode die de informele naam "Vegatete ornithopode" kreeg. Er waren twee campagnes om ze te bergen, de eerste door de Colectivo Arqueológico y Paleontológico Salense en de tweede door de Dirección General de Patrimonio de la Junta de Castilla y León. Het taxon werd in 2016 gemeld en gedeeltelijk beschreven, maar niet benoemd. Een probleem was dat eerst nog bepaald moest worden of de dieren geen jongen waren van een al bekende soort. In 2023 werd de groei van de achterpoot beschreven en concludeerde men dat de grootste botten van volwassen dieren waren.

In 2026 werd de typesoort Foskeia pelendonum benoemd en beschreven door Paul-Emile Dieudonné, Marcos Gabriel Becerra, Tábata Zanesco, Thierry Tortosa, Penélope Cruzado-Caballero, Koen Stein en Fidel Torcida Fernández-Baldor. De geslachtsnaam is een combinatie van het Grieks φῶς, "licht", en βόσκειν, "grazen", een verwijzing naar de kleine lichaamsomvang en de unieke specialisaties voor het afbijten van planten. Phoos betekent overigens "licht" als tegengestelde van "duister". De soortaanduiding verwijst naar de Keltische stam van de Pelendones die vroeger het vondstgebied bewoonden.

Het holotype, MDS-VG-3, is op 1 juli 1998 door Fidel Torcida Fernández-Baldor gevonden in een laag van de Castrillo de la Reina-formatie die dateert uit het Barremien-Aptien en ongeveer 125 miljoen jaar oud is. Het bestaat uit een bijna volgroeid jongvolwassen dier. Het maakt sinds 2001 deel uit van de collectie van het Museo de Dinosaurios de Salas de los Infantes. In 2013 raakte het zwaar beschadigd door een val.

Daarnaast zijn honderden skeletelementen toegewezen die minstens vijf individuen vertegenwoordigen van verschillende stadia van rijping; in 2023 ging men nog uit van een minimum van zes. Een is zeer klein, drie zijn middelgroot, een is groter. Ze kunnen gelijktijdig zijn omgekomen door een overstroming. Het materiaal heeft de inventarisnummers MDS-VG, 1 tot MDS-VG, 280; verder zijn er vele botfragmenten. Het omvat stukken van de onderkaken, de snuit, de bovenkaak, tanden van de bovenkaak en onderkaak, delen van de hersenpan, halswervels, ruggenwervels, sacrale wervels, staartwervels, delen van de schoudergordel, delen van de voorpoten, delen van het bekken, dijbeenderen, scheenbeenderen, kuitbeenderen, en de meeste elementen van een voet inclusief middenvoetsbeenderen en teenkootjes waaronder voetklauwen.

Beschrijving

Het grootste gevonden individu heeft een geschatte lengte van vijfenzestig tot zeventig centimeter. Ondanks de geringe absolute grootte wordt dit exemplaar geacht volgroeid te zijn. In dat geval is het een van de kleinste cerapoden die bekend zijn.

Verschillende onderscheidende kenmerken werden vastgesteld. Het zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. Er zijn twee naar voren hellende premaxillaire tanden die buiten de buitenranden van de praemaxillae uitsteken. In bovenaanzicht zijn de voorhoofdsbeenderen ingekeept aan hun voorste binnenrand, aan het raakvlak met de neusbeenderen. De voorhoofdsbeenderen hebben in zijaanzicht op hun voorste binnenrand een horizontale lengtetrog. De reuklobben lopen naar achteren uit tot de voorranden van de takken van de laterosfenoïden richting de postorbitalia. De tak van het postorbitale richting jukbeen is vrijwel afwezig, slechts bestaande uit een lage bultige verheffing op de onderzijde. Er bevindt zich een hoekige trede boven de onderste binnenste knobbel van het quadratum. De onderste binnenste knobbel van het quadratum steekt verder naar onderen uit dan de buitenste knobbel. Bij de dentaire tanden van volwassen dieren is de hoofdrichel naar voren gevouwen, dus van boven bezien golvend met een holle voorste trog. De eerste dentaire tand is bladvormig. Op de buitenzijde van het coronoïde uitsteeksel van de onderkaak is er een insertie voor de musculus adductor mandibulae externus superficialis. Het angulare is verticaal verlengd waarbij de onderrand sterk naar achteren en boven gedraaid is. Het gewricht van de onderkaak ligt hoog, ver boven het niveau van de tandrij en niet ver eronder zoals bij veel euornithopoden.

Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke eigenschappen. De dijbeenderen van volwassen dieren hebben een verticaal gewrongen vierde trochanter. De dijbeenderen van volwassen dieren hebben een horizontaal verbrede trochanter minor. Het vijfde middenvoetsbeen is sterk gereduceerd en ligt achter het niveau van het vierde en derde middenvoetsbeen.

De praemaxillae van de snuit zijn versmolten. De kop is gedrongen, vooral bij jonge dieren. Er is een prefrontale. De snuit en de onderkaken zijn hoog. De minstens drie buisvormige premaxillaire tanden lijken te bestaan uit een dunne voorste plaat om een hol binnenste. Ze zijn zeer kwetsbaar en raakten bij de preparatie vaak beschadigd. Hun bouw en functie zijn raadselachtig. De allervoorste dentaire tand is bladvormig. De voorste tanden occludeerden kennelijk niet. De tanden overlappen elkaar niet. Er is een tiental maxillaire tanden. Sommige daarvan lijken van elkaar te wijken in het aantal en de structuur van de richels. De dentaire tanden hebben een hoofdrichel op de buitenzijde, een secundaire richel ervoor en twee secundaire richels erachter.

Fylogenie Foskeia werd in de Rhabdodontomorpha geplaatst als een van de oudste bekende soorten. In het beschrijvende artikel werd het gezien als een lid van de ruimere Euornithopoda, maar eind 2025 was een analyse verschenen die voor zulke vormen een positie in de Ceratopia vond. Dat wekte twijfel aan de hypothese dat de Rhabdodontomorpha geografisch heel mobiel waren aangezien dan een nauwe verwantschap aan de Australische Muttaburrasaurus onwaarschijnlijk wordt. Ook de gedachte dat Foskeia de Phytodinosauria-hypothese ondersteunt wordt dan ondermijnd.

Levenswijze Foskeia is zeer klein, maar had een hoge stofwisseling, zoals blijkt uit de botstructuur. Dat moet het dier gedwongen hebben veel te eten. De bladvormige tanden in de voorste onderkaak stelde het in staat snel plantenmateriaal op te nemen en selectief hoogwaardige delen te plukken, wellicht van varens en coniferen.

De kleine omvang van de jongen wijst erop dat die snel overgingen van een viervoetige naar een tweevoetige levenswijze. Bij jonge dieren waren de middelste ruggenwervels twintig graden naar beneden gericht doordat de voorste facetten lager lagen om de voorste romp te verlagen, maar dat kenmerk verdwijnt bij de volwassen dieren.

Literatuur

Categorie:Ornithischia