Het Victorschrijn (Duits: Viktorschrein) is een twaalfde-eeuws reliekschrijn dat in de Dom van Xanten wordt bewaard. In het schrijn werden in 1129 de vermeende stoffelijke resten van de heilige Victor van Xanten bijgezet. Het rijk versierde schrijn vormt het hart van een groot 16e-eeuws retabel in het koor van de domkerk. Het Victorschrijn is een van de oudste, grotere reliekschrijnen in West-Europa en is een voorbeeld van romaanse edelsmeedkunst.
Geschiedenis Voorgeschiedenis: relieken van Sint-Victor thumb|Crypte in de Dom van Xanten Nadat de Romeinse officier Victor, samen met enkele honderden soldaten van het Thebaanse Legioen, in 287 de martelaarsdood was gestorven in het Amfitheater van Birten nabij Xanten, werd zijn graf volgens de Legenda aurea een gedenkplaats. Omstreeks het jaar 590 schreef Gregorius van Tours in zijn Liber in gloria Martyrum over de uitbreiding van deze gedenkplaats tot een kapel door de bisschop van Keulen, Everigisil. De plaats waar die kapel stond werd door Gregorius aangeduid als "Bertuna" en kan mogelijk worden gelijkgesteld met het Xantense district Birten, waar archeologisch bewijs is gevonden voor de bouw van verschillende grafkapellen uit de 4e eeuw. Gregorius van Tours schrijft echter dat de kapel werd gebouwd ter ere van de heilige Mallosus, ook een martelaar van het Thebaanse Legioen, wiens stoffelijke resten zich eveneens in de buurt van "Bertuna" zouden bevinden. In Xanten waren die (nog) niet opgegraven. Volgens een andere interpretatie is "Bertuna" niet Xanten-Birten, maar het Franse Verdun, waar het martelaarschap van Mallosus waarschijnlijker lijkt vanwege de aanwezigheid van de lokale heilige, Sint Maur, ook een "Thebaan". Of Gregorius van Tours in zijn beschrijving naar Xanten verwijst, is daarom twijfelachtig.
In Xanten werden zowel Victor en Mallosus − die laatste was inmiddels ook opgegraven − vereerd. Een opgravingsschacht uit de 8e of 9e eeuw getuigt van een doelbewuste zoektocht naar het gebeente van deze twee heiligen. De plek wordt sinds 838 "ad sanctos" (bij de heiligen) genoemd. Die naam werd overgedragen op de nederzetting en ontwikkelde zich tot de huidige plaatsnaam Xanten. In 863 werd de kerk op het graf van Victor door de Vikingen geplunderd en in brand gestoken. Alleen een kist met de relieken van Victor bleef bewaard. Volgens een latere notitie in de Historia Xanctensis bevonden de relieken zich daarna in een sarcofaag onder een tumba (verhoogd graf) met een altaar en daarboven een baldakijn.
Totstandkoming van het schrijn Wanneer het reliekschrijn van Sint-Victor tot stand is gekomen, is niet met zekerheid bekend. Meerdere bronnen geven aan dat de relieken van Victor in 1129 werden overgeplaatst in het nieuwe schrijn. Daarvan getuigt een bij die gelegenheid ingesloten oorkonde.Kötzsche (1978), pp. 16, 92. Mogelijk werd de decoratie van het schrijn pas in de daaropvolgende jaren voltooid (ca. 1130-1150), zoals de Duitse kunsthistoricus Dietrich Kötzsche in zijn monografie over het Victorschrijn stelde. Kötzsche zag stilistisch veel overeenkomsten met het Hadelinusschrijn in Visé, de Noodkist in Maastricht en het Heribertschrijn in Keulen-Deutz, die alle drie (deels) na 1150 tot stand kwamen.Kroos (1985), pp. 95-96.
Over de maker van het schrijn of de plaats van ontstaan kan evenmin uitsluitsel gegeven worden. Volgens Otto von Falke was het schrijn een werkstuk van Eilbertus, de Keulse meestersmid die ook het schrijn van de Sint-Pantaleonkerk vervaardigde. Later moest Falke die theorie opgeven.
Informatie over de plaatsing van het schrijn op het hoogaltaar is te vinden in een geschrift van kanunnik Johan van Bemel (rond 1400) en in de Historia Xanctensis (ca. 1420). Laatstgenoemde bron vermeldt over Godfried de Kuecke (of Buecke), tussen 1128 en 1134 domproost van Xanten: "Hij liet het altaar uitbreiden en plaatste de hoofden van de heilige martelaren aan weerszijden van het gouden altaar op hun kleine, met goud beschilderde plaatsen. Bovendien maakte hij boven de gouden altaartafel en boven de hoofden van de gezegende martelaren, die op hun kleine plaatsen waren gerangschikt, een soort houder, waarin hij de kist van de gezegende Victor liet plaatsen en bewaren." Waarschijnlijk was het schrijn van Victor zo opgesteld dat het ene uiteinde op het hoogaltaar rustte, terwijl het andere werd ondersteund door zuilen achter het altaar, vergelijkbaar met de gedocumenteerde opstelling van het Severinusschrijn in de gelijknamige kerk in Keulen. De Historia bericht verder over een gebeeldhouwd portret van proost Godfried, dat zich op of nabij het schrijn bevond.Kötzsche (1978), p. 65. Kötsche beschouwde deze Godfried als initiator van het schrijn. Zijn collega Renate Kroos meende dat een latere proost Godfried (ca. 1223-1238) verantwoordelijk was voor de beschreven altaardispositie, maar dat het schrijn toen waarschijnlijk al enige tijd bestond.
Nadat de voornaamste relieken waren overgebracht naar het nieuwe schrijn bij het hoogaltaar, bleven kleinere botten en fragmenten van zijn kleding achter in het graf. Tijdens de bouw van het 13e-eeuwse koor werd zijn grotendeels lege graf aanvankelijk verplaatst naar het nieuwe koor. Ook de stoffelijke resten van Victors metgezellen, die men in 1264 meende te hebben ontdekt, werden erin geplaatst. Later werd het graf overgebracht naar de westvleugel, waar het zich tot op de dag van vandaag bevindt. Net als in andere plaatsen bleef het graf van de patroonheilige een belangrijke plaats van devotie.Wittekind (2015), pp. 27-33.
Het schrijn als middelpunt van devotie De relieken van Victor en de andere Thebanen waren vanaf het midden van de 13e eeuw van grote betekenis voor het domkapittel, maar ook voor de burgers van de stad, die in 1229 stadsrechten en een zekere mate van autonomie van de aartsbisschop van Keulen hadden verkregen. Bedevaartgangers kwamen van heinde en verre om de relieken van de heilige te zien. Zowel de martelaar Victor als de vermeende stichteres van zijn kerk, de heilige Helena van Constantinopel, genoten verering. De bijzondere betekenis die Victor tot in de 16e eeuw voor de kanunniken van Sint-Victor had, blijkt uit het feit dat het schrijn altijd achter het hoogaltaar is blijven staan, dicht bij het koorgestoelte van de kapittelheren. In tijden van nood (oorlogen, epidemieën, hongersnoden) werd het schrijn in processie door de stad gedragen, zogenaamde noodprocessies (zie ook: Noodkist), in Xanten "Viktortracht" (het dragen van Victor) genoemd.Kroos (1985), p. 344 noot 167.
thumb|Schema van het 16e-eeuwse hoogaltaar. B is het Victorschrijn In 1263 besloten de kanunniken een nieuw gotisch koor te bouwen. In 1311 was het koor voldoende voltooid om het nieuwe hoogaltaar, met een breedte van drie meter, te wijden. De Historia Xanctensis schrijft het altaar en het bijbehorende gouden retabel toe aan de eerder genoemde, 13e-eeuwse proost Godfried. Centraal in het retabel bevond zich het schrijn van Sint-Victor. Het retabel kon worden afgesloten door middel van beschilderde vleugelpanelen. Tijdens bouwwerkzaamheden in het koor van Xanten in 1264 werden de overblijfselen van zeventien martelaren ontdekt. Hun beenderen werden overgebracht naar reliekschrijnen, hun schedels in reliekbustes. Waarschijnlijk kregen deze toen al een plaats op het hoogaltaar, een situatie die nog bestaat. Een deel van deze reliekhouders bevinden zich tegenwoordig in glazen vitrines boven de zijingangen van het koor en boven de koorbanken.
Tussen 1529 en 1544 kwam een nieuw altaarretabel tot stand, van de hand van Bartholomeus Bruyn de Oude (ca. 1493–1555). De houtsnijder Henrick van Holt († 1545/46) reproduceerde bij die gelegenheid de bestaande reliekbustes in een meer eigentijdse stijl. Vanwege de breedte van het altaar steken de geopende vleugels van het retabel ver naar de zijkanten uit. Hoewel men onder de vleugels door kan lopen, sluiten ze het kanunnikenkoor, de ruimte achter het hoogaltaar, visueel af. Het Victorschrijn steekt vanaf de achterzijde van het retabel ver uit in deze ruimte, ondersteund door een constructie. Hier, in de nabijheid van de relieken van de patroonheilige, baden de kanunniken hun getijdengebeden. Het oudste liturgische handboek van de kerk (Liber albus, ca. 1258-1286) rekende Sint-Victorsdag (10 oktober) tot de hoogfeesten van het kapittel. Op deze dag, evenals tijdens de octaafviering, werden de legendes van het Thebaanse Legioen voorgelezen.
Achteruitgang Victordevotie Door de opkomst van nabijgelegen Mariabedevaartsoorden als Marienbaum (vanaf de 15e eeuw) en Kevelaer (vanaf de 17e eeuw) liep de populariteit van Xanten terug. Erkenning als officiële martelaarsplaats werd tweemaal door het Vaticaan geweigerd wegens gebrek aan bewijs.
In 1794 veroverden Franse revolutionaire troepen Xanten, dat vervolgens met de gehele linkeroever van de Rijn door Frankrijk werd geannexeerd. Het domkapittel werd geseculariseerd en de kapittelkerk werd een gewone parochiekerk. Daarmee kwam een einde aan de dagelijkse getijdengebeden bij het Victorschrijn.
thumb|Inscriptie restauratie 1749 Restauraties Al in 1749 moest het schrijn worden hersteld, nadat het tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog elders in veiligheid was gebracht. De restaurator maakte melding van deze ingreep door een nogal opzichtige inscriptie op de achtergevel van het schrijn: Ao · 1749 · 31 IULY R[est]O[r]ATUM. De Latijnse tekst is vrij klunzig aangebracht: de datum is onlogisch over twee regels verdeeld en voor de afkorting van RESTORATUM (gerestaureerd) werd gekozen voor ROATUM (verrot, bedorven).
Het schrijn werd van 1902 tot 1904 opnieuw gerestaureerd door de Düsseldorfse edelsmid Paul Beumers. Daarbij werd onder andere een van de reliëfs van de dwaze maagden vervangen, een reliëf dat bij een eerdere restauratie al eens was vernieuwd. Ook werd de volgorde van de reliëfs gewijzigd. Van de Johannesfiguur op de achtergevel werd een deel van de beschadigde hals en kin opnieuw gevormd.Kötzsche (1978), pp. 107, 127, 147, 150.
Beschrijving, iconografie
Anno 2026 staat het schrijn als vanouds opgesteld achter het renaissance hoogaltaar in het koor van de Dom van Xanten. De kist is zodanig geplaatst dat de voorgevel zichtbaar is in een uitsparing in het altaarretabel. Het schrijn wordt geflankeerd door 16e-eeuwse, zilveren reliekbustes van Sint-Victor en Sint-Helena en omgeven door acht andere, grote reliekbustes en twee kleinere reliekhoofdjes.
Kunsthistorische beschrijving Het Victorschrijn bestaat uit een eikenhouten kern die bedekt is met deels verguld zilveren (eigenlijk blikzilver) reliëfs, filigraanwerk, email en edelstenen. De kist is circa 162 cm lang, 42 cm breed en 62 cm hoog.Kötzsche (1978), p. 7. De vorm lijkt op een langwerpig bouwwerk met een zadeldak, een huis of een eenbeukige kerk, verwijzend naar het hemelhuis. Deze vorm is typerend voor die periode. De nok en de dakranden van de puntgevels zijn versierd met een gegoten kam (sierrand) met bergkristallen. De indeling van de zijgevels is volgens het zogenaamde Nederrijns-Keulse schema, waarvan het Victorschrijn het vroegst bewaard gebleven voorbeeld is. Het schrijn is een opmerkelijk voorbeeld van vroeg Rijnlands edelsmeedwerk uit de eerste helft van de 12e eeuw.
Voor- en achtergevel: kruis en Johannes De korte gevels van het schrijn zijn versierd met afbeeldingen uitgevoerd in drijfwerk, waarbij de decoratie van de voorgevel, met onder andere email, edelstenen en bergkristallen, aanmerkelijk rijker is dan de achtergevel. Aan de voorzijde is binnen een groot ovaal een met edelstenen versierd kruis geplaatst, waarvan de uiteinden van de vier armen zich verbreden. Het is geenszins zeker of dit bij het oorspronkelijke schrijn behoorde.Kötzsche (1978), p. 102. Op de achtergevel is Johannes afgebeeld, de apostel die Jezus, volgens de Bijbel, het meest lief had.
Zijgevels: apostelen