Het Offenbach Archival Depot (OAD) was een geallieerd centrum voor de opslag, identificatie en restitutie van boeken, manuscripten en archiefmateriaal die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s waren geroofd in bezette gebieden. Het depot maakte deel uit van de Amerikaanse bezettingszone in Duitsland en werd begin 1946 ingericht in een voormalig gebouw van I.G. Farben in Offenbach am Main, nabij Frankfurt am Main.

De verzamelingen die hier terechtkwamen waren afkomstig uit geheime opslagplaatsen, kastelen, bunkers en woningen van hoge nazi-functionarissen, maar ook uit instellingen zoals de Hohe Schule der NSDAP en het Institut zur Erforschung der Judenfrage.

Locatie en organisatie Aanvankelijk werd de Rothschildbibliotheek in Frankfurt gebruikt als verzamelpunt, maar vanwege de enorme hoeveelheden geroofd materiaal werd een groter pand gezocht. De vijf verdiepingen tellende I.G. Farben-fabriek in Offenbach werd omgedoopt tot Offenbach Archival Depot. Het depot werd beheerd door de Amerikaanse Monuments, Fine Arts and Archives program (MFA&A), beter bekend als de 'Monuments Men'. De eerste directeur was Seymour Pomrenze, opgevolgd door Isaac Bencowitz.

Het depot had tot 140 medewerkers in dienst, die zich toelegden op het traceren van de herkomst en rechtmatige eigenaren van de boeken en rituele objecten.

Luitenant Leslie I. Poste, een bibliothecaris met ervaring in collectievorming en catalogisering, werd belast met het logistiek opzetten van het depot. Hij reed honderden kilometers per week om collecties te lokaliseren en ontwikkelde een systeem waarmee uiteindelijk miljoenen boeken per jaar verwerkt konden worden.

Collecties Het depot richtte zich op de verwerking en repatriëring van: Thorarollen, gebedenboeken en rituele objecten; privé- en religieuze bibliotheken van joodse gemeenschappen; christelijke en theosofische bibliotheken; logearchieven, rituele werktuigen en maçonnieke literatuur; documenten uit bezet Europa, vooral uit Frankrijk, Nederland, België, Duitsland en Polen.

Veel van deze collecties waren door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR) in beslag genomen. Andere waren verzameld door instellingen zoals het Institut zur Erforschung der Judenfrage en bedoeld voor het geplande antisemitische museum in Frankfurt.

Nederlandse restituties In 1946 werd via het Offenbach Archival Depot een zending van 421 kisten met geroofd maçonniek erfgoed teruggestuurd naar het Grootoosten der Nederlanden in Den Haag. Onder de gerestitueerde goederen bevonden zich logeverslagen, ceremoniële voorwerpen, rituelen en boeken uit de Kloss-collectie.

Ook andere Nederlandse collecties keerden terug, waaronder: de Bibliotheca Rosenthaliana; de bibliotheek van het Portugese Synagoge; collecties van de Societas Spinozana; manuscripten van de Bibliotheek Ets Haim; twintig thorarollen. De samenwerking tussen Amerikaanse en Nederlandse autoriteiten verliep efficiënt. Naast Pomrenze en Bencowitz speelde ook de Nederlandse rijksarchivaris D.P.M. Graswinckel een sleutelrol. Hij bezocht het depot in 1946 om de herkomst van Nederlands erfgoed te verifiëren en de logistiek van de terugkeer te coördineren. Graswinckel wist onder meer collecties van de Bibliotheca Rosenthaliana en de Bibliotheek Ets Haim van de Portugese Synagoge te traceren en naar Nederland terug te halen.

De collectie van Hermann Göring Ook onderdelen van de privébibliotheek van Hermann Göring kwamen via Offenbach terecht. In de buurt van Berchtesgaden werd een trein met meer dan 11.000 boeken, kaarten, SS-documenten en persoonlijke correspondentie onderschept. Drie kisten en 41 kratten uit deze verzameling werden naar Offenbach gebracht, waarna een selectie werd doorgestuurd naar Washington en de Library of Congress.

Niet-gerepatrieerde collecties Eind 1946 bevonden zich nog ruim een miljoen boeken in Offenbach. Amerikaanse autoriteiten besloten dat een deel van deze goederen niet teruggegeven zou worden — bijvoorbeeld eigendommen van joodse slachtoffers zonder erfgenamen, of uit staten die niet erkend werden (zoals de Baltische staten). Collecties van joodse Oost-Europeanen waarvan repatriëring niet mogelijk bleek, werden toevertrouwd aan organisaties in de diaspora, zoals het YIVO Institute for Jewish Research, het Joint Distribution Committee en Jewish Cultural Reconstruction.

In de zomer van 1946 werd een grote zending boeken in het Jiddisch, Hebreeuws en Russisch overgedragen aan een Sovjetofficier die aan het depot was verbonden. Deze actie leidde tot kritiek van onder anderen Gershom Scholem, zelf medewerker van het depot, die vond dat “de boeken moesten gaan waarheen de Joden zijn gegaan”.

Bij de sluiting van het depot in juni 1949 waren meer dan 1,4 miljoen objecten gerepatrieerd. De resterende collectie van ca. 286.000 boeken werd overgedragen aan deelstaat Hessen.

Invloed en herinnering Het depot geldt als een vroeg voorbeeld van culturele restitutie op grote schaal. Tussen maart 1946 en april 1949 werden meer dan drie miljoen objecten succesvol teruggegeven aan rechtmatige eigenaars.

Voor de Nederlandse vrijmetselarij betekende de terugkeer van het materiaal via Offenbach een eerste stap in de wederopbouw van haar erfgoed en ritueel bewustzijn. Tegelijkertijd bleef veel materiaal vermist, versnipperd of anoniem, waardoor het depot ook een symbool is geworden voor het blijvende verlies van cultureel geheugen door oorlog en roof.

Zie ook Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg Hohe Schule der NSDAP Monuments Men

Categorie:Joodse geschiedenis Categorie:Nasleep Tweede Wereldoorlog Categorie:Offenbach am Main Categorie:Geschiedenis van de vrijmetselarij