Haolong is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorende tot de Euornithopoda, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige China. De enige benoemde soort is Haolong dongi.
Vondst en naamgeving Het Anhui Geological Museum in Hefei borg een zeldzaam fossiel van een euornithopode ontdekt op de Lamagouvindplaats, nabij het dorp Xiawujiazi in de prefectuur Jianchang, in de provincie Liaoning. Het gebied is een befaamde Lagerstätte met een extreem goede preservering die veel informatie kan verschaffen. De meeste fossielen zijn van kleine dieren, maar soms worden grotere exemplaren bewaard. In dit geval ging het om een jong wat de verwachting schiep dat bijna het hele lichaam binnen de grenzen van het specimen zou vallen. Daarin werd men niet teleurgesteld. Onderzoeker Wu Wenhao van de universiteit van Jilin nam waar dat huiddelen met ook nog eens een unieke buisvormige structuur onder vergroting zichtbaar werden. Hierop werd Pascal Godefroit ingeschakeld die van 2023 af Ninon Robin, onderzoekster bij het Laboratoire Géosciences Rennes (CNRS/Université de Rennes) de huid systematisch met de modernste middelen liet analyseren. Men kwam tot de conclusie dat het niet ging om een jong van een taxon dat al bekend was zoals Jinzhousaurus yangi of Bolong yixianensis, maar om een voorheen onbekende soort.
In 2026 werd de typesoort Haolong dongi benoemd en beschreven door Huang Jiandong, Wu Wenhao, Mao Lei, Filippo Bertozzo, Danielle Dhouailly, Ninon Robin, Michael Pittman, Thomas G. Kaye (het pseudoniem van laserspecialist Tom Kotsiopoulos), Fabio Manucci, He Xuezhi, Wang Xuri en Pascal Godefroit. De geslachtsnaam betekent "stekeldraak" in het Chinees, een verwijzing naar de unieke stekels op de huid. De soortaanduiding eert de grote Chinese paleontoloog Dong Zhiming die in 2024 kwam te overlijden.
Het holotype, AGM 16793, is gevonden in een laag vulkaanas van de Yixianformatie die dateert uit het Barremien, ongeveer 125 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een vrijwel volledig en in verband liggend skelet met schedel, platgedrukt op een gebroken plaat. Alleen delen van de rechterachterpoot ontbreken. Bepaalde stukken zijn verschoven. Delen van de huid zijn gevonden, vooral op de staartbasis, de nek en de hals. Naast het skelet liggen veel losgeraakte stekels. Het betreft een jong dier.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Het holotype heeft een lengte van 245 centimeter. Het is echter onvolgroeid.
Haolong toont verschillende unieke of onderscheidende kenmerken. Tussen de normale schubben staan talrijke hoornstekels die hol zijn en bestaan uit een verharde hoornhuid (stratum corneum) bovenop meervoudige lagen epidermis die weer een kern omhullen gevuld met een sponsachtige pulpa, een bouw die uniek is voor de hele Dinosauria. De huid toont een duidelijke overgang van grote overlappende schildvormige schubben op de staartbasis naar bultige schubben op de nek en borstkas, een patroon dat niet bekend is van andere Iguanodontia. Het septum internariale, het neustussenschot, is langwerpig en beslaat 26% van de snuitlengte. Het neusbeen raakt het traanbeen. De bovenste tak van het bovenkaaksbeen bevindt zich in het midden van het element. De fenestra antorbitalis is open. Er is een tweede foramen antorbitale. Twee kleinere foramina doorboren het traanbeen. Het postorbitale is driehoekig in zijaanzicht met korte takken richting jukbeen en squamosum. Het centrum van de zesendertigste wervel is 45% langer dan hoog. De doornuitsteeksels van de voorste staartwervels zijn aan hun uiteinden gewelfd. De processus acromialis staat haaks op het schouderblad. Het distale uiteinde van het schouderblad is duidelijk verbreed. Het borstbeen heeft een licht afgeschuinde bovenste plaat. Het spaakbeen heeft 73% van de lengte van het opperarmbeen. De dwarsbreedte van het derde middenhandsbeen bedraagt 18% van de lengte ter hoogte van het midden van de schachtlengte. De formule van de vingerkootjes is 2-3-3-3-3. Het eerste kootje van de tweede vinger is slank. Het eerste kootje van de derde vinger heeft 26% van de lengte van het derde middenhandsbeen. Het voorblad van het darmbeen is recht en staafvormig. Het aanhangsel van het darmbeen voor het schaambeen is kort en driehoekig in zijaanzicht. De aanhechting op het darmbeen voor de musculus caudofemoralis brevis is niet zichtbaar in zijaanzicht. Het dijbeen is zuilvormig en volmaakt recht. Het derde middenvoetsbeen heeft 37% van de lengte van het dijbeen. Het vierde middenvoetsbeen is robuuster dan het derde. De eerste teenkootjes zijn langer dan breed.
Skelet Het is problematisch in hoeverre de eigenschappen van het skelet slechts de jeugdige leeftijd weerspiegelen.
Kop De schedel heeft een lengte van 285 millimeter waarvan de snuit 175 millimeter uitmaakt. Het neusgat is kort, zich niet belangrijk over de tandrij uitstrekkend, een basaal kenmerk. De neusbeenderen zijn niet sterk gewelfd of gezwollen. De achterkant van het neusgat wordt geheel omvat door het neusbeen, een afgeleid kenmerk. Een driehoekige buitenste tak van het neusbeen vormt een deel van de achterste onderrand van het neusgat. De achterste buitenste tak raakt achteraan het traanbeen niet en is vooraan van de neusgroeve gescheiden door een schuine stompe richel. De praemaxillae droegen gezien hun ruwe rand een bovensnavel hoewel die als zodanig niet bewaard is gebleven. Die hing niet sterk af en stak niet beneden de tandrij uit.
Het bovenkaaksbeen is relatief hoog, half zo hoog als lang. Het heeft tien tot elf tandposities. De buitenzijde bolt maar geleidelijk. De haakvormige achterste tak steekt duidelijk uit. Het traanbeen was niet verlengd. Het jukbeen heeft een kleine voorste driehoekige punt die tussen het bovenkaaksbeen en het traanbeen steekt. De voorste en opgaande tak van het jukbeen maken een hoek van 100° met elkaar. De onderrand van het jukbeen steekt vrij ver uit. Het quadratum is verticaal langwerpig. De achterhoofdsknobbel steekt schuin naar achteren en beneden zoals bij basale Hadrosauriformes. Er is een vijfentwintig millimeter lange slanke staafvormige stapes aanwezig, verbonden aan een donkere korrelige zone die het trommelvlies kan vertegenwoordigen, een zeer zeldzame vondst.
In de onderkaak vormt het U-vormige predentarium een ondersnavel met vijf schijntanden. De onderzijde lijkt zeer robuust gebouwd. Bij het dentarium lopen de bovenrand en onderrand evenwijdig. Het voorste uiteinde hangt niet sterk af. De coronoïde tak helt naar achteren, een basaal kenmerk. Het dentarium heeft dertien tandposities. De voorste tand staat maar twee kroonbreedtes van het predentarium af. Het surangulare draagt veel bij aan de coronoïde tak, een basaal kenmerk.
De tanden hebben één functionele tand per positie. De maxillaire tanden zijn iets smaller dan de dentaire. De voorste tanden zijn het kleinst. De randen van de tanden lopen evenwijdig wat ze een rechthoekig profiel geeft. De kronen zijn minder dan tweemaal hoger dan breed. De maxillaire tanden zijn aan de binnenzijde uitgebreid schuin naar boven en buiten afgesleten. De buitenzijde heeft een dikke glazuurlaag met grote denticula en een opvallende hoofdrichel. Die ligt meer naar achteren met vijf secundaire richels ervoor en drie erachter, die alle naar het spits doorlopen.
Postcrania De wervelkolom telt elf halswervels, minstens twaalf ruggenwervels, een onbekend aantal sacrale wervels en minstens negenenveertig staartwervels.
De atlas is vrij kort. De draaier heeft aan voorzijde en achterzijde lange gewrichtsuitsteeksels. Ook de derde halswervel is kort. Van de verdere halswervels zijn weinig details zichtbaar maar ze hebben stevige kielen. De wervels van de rug zijn nog niet vergroeid, vanwege de jeugdige leeftijd. De rug draagt geen hoge kam maar de doornuitsteeksels zijn laag. De zevende rib is de langste. Doordat de ribben vrij recht zijn, en het capitulum haaks op de schacht staat, was de borstkas vermoedelijk smal. Bij de achterste ribben wordt het tuberculum gereduceerd tot een eenvoudig gebouwd facet. Het heiligbeen is nog niet vergroeid en ligt bij het fossiel geheel uit elkaar. Ook hier ontbreekt een kam. De staart, waaraan de uiterste punt ontbreekt, beslaat de helft van de lichaamslengte. De verlenging van de staartwervels begint vrij vooraan in de reeks. De onderzijden van de staartwervels zijn hol gekromd. De eerste veertien wervels hebben een ovaal en ruw facet voor de zijuitsteeksels. De doornuitsteeksels van de eerste zeven wervels zijn vrij laag, andermaal zo hoog als het centrum. Hun uiteinden zijn gewelfd. Alleen de allerlaatste wervels missen doornuitsteeksels. De eerste chevron ligt tussen de derde en vierde wervel. De voorste chevrons zijn iets langer dan hun doornuitsteeksels en in gelijke mate gekromd. De achterste chevrons eindigen in kleine lobben. Van de voorste rug tot en met de elfde staartwervel zijn de wervels verbonden door een raamwerk van verbeende pezen in twee lagen. De pezen lopen op de staartwervels tot aan de uiteinden van de doornuitsteeksels, een afgeleid kenmerk.
Het schouderblad is veel langer dan het opperarmbeen. Tussen de haakse processus acromialis en het ravenbeksbeen steekt een diepe inkeping. Het schouderblad is hier sterk verbreed, een afgeleid kenmerk. Het ravenbeksbeen is vrij groot met een lang raakvlak met het schouderblad, beide basale kenmerken. De onderrand is recht, zonder grote inkepingen of uitsteeksels, ook weer een basaal kenmerk. Het foramen coracoideum wordt volledig omsloten door het ravenbeksbeen. Het borstbeen is bijlvormig met een lange rechte robuuste steel.
Het opperarmbeen is vrij slank. De deltopectorale kam beslaat de helft van de lengte. De kam vervloeit geleidelijk met de schacht. De ellepijp heeft 84% van de lengte van het opperarmbeen. Het element is vrij robuust met een breedte middenin van 16% van de schachtlengte. De achterrand is licht hol. Het spaakbeen heeft 73% van de lengte van het opperarmbeen. Het bot is matig robuust met een diameter in het midden van 12% van de lengte. De doorsnede is rond. Er is een klein hiaat met de ellepijp. De polsbeenderen zijn niet tot blokken vergroeid. De uiterste carpalia zijn klein en afgeplat. De middenhandsbeenderen zijn kort, zij het slank. Het tweede middenhandsbeen heeft slechts driekwart van de lengte van het derde. Het is slank en overdwars afgeplat. Het is het langste element van de middenhand. Het mist een groeve tussen de onderste gewrichtsknobbels. Het vierde middenhandsbeen heeft een beenlip die het derde middenhandsbeen gedeeltelijk afdekt en mist ook al de intercondylaire groeve net als het vijfde. Het vijfde middenhandsbeen is het kortst met 43% van de lengte van het derde.