Het Domitianusschrijn (Frans: châsse de saint Domitien) is het middeleeuwse reliekschrijn van de heilige Domitianus van Hoei, dat bewaard wordt in de Onze-Lieve-Vrouwkerk in de Belgische stad Hoei (Huy). Het met zilver beklede en rijk versierde schrijn dateert grotendeels uit de tweede helft van de twaalfde eeuw en wordt met vrij grote zekerheid aan Godfried van Hoei toegeschreven. Het schrijn verkeert in slechte toestand maar behoort desalniettemin, samen met het vergelijkbare Mengoldusschrijn in dezelfde kerk, tot de topstukken van de Maaslandse edelsmeedkunst.

Geschiedenis Relieken van Domitianus Volgens de traditie overleed Domitianus van Hoei, de elfde bisschop van Maastricht, omstreeks 560 in de plaats Hoei, ten zuidwesten van Luik.

De kroniekschrijver Heriger van Lobbes was de eerste die omstreeks het jaar 1000 vermeldde dat het graf van Domitianus zich in Hoei bevond. De Vita Domitiani uit de tweede helft van de elfde eeuw verhaalt hoe ene Wiligisus (mogelijk Willigis, aartsbisschop van Mainz) zowel de relieken van Servatius te Maastricht, als die van Domitianus te Hoei verhief. Een dergelijke elevatio (verheffing van het gebeente van een persoon tot de "eer der altaren") stond in de middeleeuwen gelijk met een heiligverklaring.

Op 24 augustus 1066 wijdden de bisschoppen van Luik en Cambrai de nieuwe collegiale kerk van Huy in, gewijd aan Maria en Domitianus. De relieken van de bisschop werden daar met grote pracht en praal naartoe overgebracht. De oudst bekende vita van Domitianus werd waarschijnlijk voor deze gelegenheid geschreven. In de tweede helft van de twaalfde eeuw werd deze hagiografie verder uitgebreid, onder andere met nieuwe wonderen.

Een akte van het kapittel van Hoei van 3 mei 1091 werd ondertekend in het bijzijn van de relieken van Domitianus. Uit deze twee mededelingen kan worden opgemaakt dat er al een reliekschrijn in Hoei bestond vóór de translatie van 1172. Volgens Joseph de Borchgrave d'Altena, conservator van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, zou dit oudste schrijn oorspronkelijk bedoeld zijn voor de relieken van Maria. De voorgevel met haar beeltenis zou later zijn vervangen door een beeltenis van Domitianus, de patroonheilige van Hoei.George (2002), p. 114.

In 1172 werden de relieken, volgens de Vita Domitiani, overgedragen in een zilveren schrijn, dat toen blijkbaar al enige tijd bestond. Dit is de oudste vermelding van het nog bestaande reliekschrijn van Domitianus. Deze translatio zou hebben plaatsgevonden op initiatief van de Luikse bisschop Rudolf van Zähringen.

Godfried van Hoei Over de vermoedelijke maker van het schrijn, Godfried van Hoei, is weinig met zekerheid bekend. Hij zou tussen 1144 en 1147 bij abt Suger in de abdij van Saint-Denis hebben gewerkt. Wellicht is hij dezelfde als de "aurifex G." (goudsmid G.), die in 1148 in dienst was van Wibald van Stavelot, de abt van Stavelot, die bekendstond als initiator van kunstprojecten. Mogelijk was hij de leermeester van Nicolaas van Verdun, zoals enkele kunsthistorici hebben gesuggereerd. In 1174 zou hij augustijner koorheer zijn geworden in de abdij Neufmoustier bij Hoei. Een necrologie van dit klooster, thans in het museum Grand Curtius in Luik, vermeldt de goudsmid Godefridus als medebroeder, echter zonder sterfjaar: "commemoratio Godefridi aurificis fratris nostri". De necrologie maakt tevens melding van het feit dat hij twee schrijnen, een wierookvat en een kelk vervaardigde voor de kerk van Hoei: "nam in ecclesia Hoyensi duo composuit feretra, turibulum et calicem, argenteos".Timmers (1971), p. 317.Kroos (1985), pp. 93-95.

Dat hij de schepper is van de twee reliekschrijnen in Hoei, staat min of meer vast. Voor de andere werkstukken die aan hem worden toegeschreven geldt dat veel minder. Het betreft onder andere het Hadelinusschrijn in Wezet, de Noodkist van Sint-Servaas in Maastricht, het Heribertschrijn in Keulen-Deutz, een gevelstuk van het Odaschrijn uit Amay in het British Museum, de reliekbuste van paus Alexander I in het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel, de fragmenten van een processiekruis in het Museum Schnütgen in Keulen en het kruistriptiek van Stavelot in de kunstverzameling John Pierpont Morgan in New York.Kroos (1985), pp. 95-104, 109.

thumb|Reliekschrijnen in de schatkamer van Hoei (2020). Links het Domitianusschrijn Verering van de relieken In 1185, na de brand in de Sint-Lambertuskathedraal, was het Domitianusschrijn een tijdje te gast in Luik.

Volgens de inventaris van de schatkamer van de kapittelkerk van Onze-Lieve-Vrouw in Hoei, opgesteld door kanunnik Jean d'Aps in 1274, werden de relikwieën van Domitianus en Mengoldus op het altaar in het koor van de kapittelkerk geplaatst. Tot in de twintigste eeuw namen de schrijnen deel aan diverse 'noodprocessies', processies waarvan men hoopte dat ze oorlogsdreiging, belegeringen, misoogsten, epidemieën en ander onheil konden afwenden.

Een dergelijke processie vond plaats op 7 mei 1641, de feestdag van Domitianus, waarbij pelgrims aan de processie deelnamen op blote voeten, gekleed in een boetekleed en met een brandende kaars, uit dankbaarheid voor de genezing van verschillende koortsen die ze tijdens hun reizen hadden opgelopen. Tijdens de Hollandse Oorlog (1672-1679) werden de schrijnen van Maria, Mengold en Domitianus voor de veiligheid naar Luik overgebracht. In 1680 werden ze in processie teruggehaald, begeleid door fakkels en klokkengelui. In 1758 was er ter gelegenheid van de twaalfhonderdste sterfdag van Domitianus een processie met het schrijn, waaraan alle ambachtslieden en gezellen van Hoei deelnamen.George (1985), passim.

De vrijwel identieke schrijnen van Domitianus en Mengoldus staan tegenwoordig opgesteld in de schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Hoei, samen met het dertiende-eeuwse Mariaschrijn, het kleinere Markusschrijn en tal van andere reliekhouders en liturgische voorwerpen.

Restauraties

Tijdens de middeleeuwen en het ancien régime zijn de schrijnen van Domitianus en Mengoldus door ondeskundige restauraties getransformeerd, waarbij decoratieve elementen en soms zelfs beeldjes zijn verwisseld. Het iconografisch programma werd daardoor verstoord en inscripties werden onbegrijpelijk.George (2002), p. 110.

In 1560 werd het schrijn gerestaureerd door de goudsmeden Henri en Jaspar uit Namen, waarbij de oorspronkelijke houten kist volledig werd vervangen. Mogelijk werd het schrijn toen ingekort en werden de nog gave reliëfs verdeeld over het verkleinde schrijn.

Omstreeks 2005 werd het schrijn opnieuw gerestaureerd, waarbij het schrijn werd gedemonteerd, schoongemaakt en geconsolideerd. De restauratie werd uitgevoerd door Gilberte Dewanckel en Anne Van Lierde van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK-IRPA). Bij die gelegenheid werden de relieken aan een wetenschappelijk onderzoek onderworpen. Zie: Inhoud schrijn.

Sinds 12 februari 2010 staat het schrijn op de lijst van roerend cultureel erfgoed van de Franse gemeenschap in België (Liste des biens classés de la Communauté française). 'Châsse de saint Domitien' op patrimoineculturel.cfwb.be (gearchiveerde link).

Beschrijving, iconografie Kunsthistorische beschrijving Het Domitianusschrijn bestaat uit een eikenhouten kern die bekleed is met verguld koperen en zilveren platen. Deze zijn bewerkt door middel van drijfwerk en pointilleerwerk, en daarna versierd met filigraan, gietwerk, emailles, bruinvernis, edelstenen en cabochons. De vorm van het schrijn doet denken aan een langwerpig bouwwerk met een zadeldak, een huis of een eenbeukige kerk, verwijzend naar het hemelhuis. Deze vorm is typerend voor die periode. De kist is 131,5 cm lang, 31,5 breed en 61,5 cm hoog.'Châsse de saint Domitien' op balat.kikirpa.be, geraadpleegd 5 februari 2026.

De slechte staat waarin het schrijn verkeert, maakt een kunsthistorische analyse moeilijk. Dietrich Kötzsche merkte in 1973 al op dat een nauwkeurige inventarisatie van alle latere toevoegingen gewenst is. Renate Kroos stelde in 1985 vast dat het schrijn niet alleen onderdelen uit de vijftiende en de zeventiende eeuw bevat, maar ook dat veel 'authentieke' onderdelen later hersteld of aangevuld zijn. Als voorbeeld noemde ze de mijter van Domitianus. Om die reden is het schrijn in het verleden vaak negatief beoordeeld. Volgens de directeur van de schatkamer in Hoei, Philippe George, vond er tussen de schrijnen van Domitianus en Mengoldus, die dezelfde afmetingen hebben, min of meer gelijktijdig tot stand kwamen en altijd dicht bij elkaar stonden, een zekere uitwisseling plaats: decoratieve elementen en beeldjes werden van het ene naar het andere schrijn verplaatst. Daardoor is het vrijwel onmogelijk om hun oorspronkelijke staat te reconstrueren. In zijn algemeenheid vermoedt hij dat de koperen delen het oudst zijn en de zilveren later zijn toegevoegd.George (2002), pp. 114-115.

Korte zijden: Christus en Domitianus De twee puntgevels aan de korte zijden van het schrijn worden gekenmerkt door de in drijfwerk uitgevoerde hoogreliëfs van Jezus en Domitianus. Ze zijn geplaatst in rondbogige nissen die worden bekroond door versierde timpanen. De nissen zijn afgezet met een parelrand en omgeven door een dubbele sierrand van gepointilleerd zilver met bladmotieven en ranken. Daaromheen bevindt zich de gegoten(?) sierkam van verguld koper of brons.

Jezus is afgebeeld als Majestas Domini (Christus in majesteit). Het reliëf dateert waarschijnlijk uit de dertiende eeuw en is sterk beschadigd. De handen − en dus ook het boek en/of de wereldbol die hij meestal vasthoudt − ontbreken. De troon waarop hij zit en het aureool zijn versierd met graveerwerk. Sommige auteurs hebben overeenkomsten vastgesteld tussen deze Christus en die op de Christuszijde van de Noodkist in Maastricht. Het timpaan boven het hoofd van Christus is versierd met bruinvernis met in het midden een achtlobbig bloemmotief, een motief dat ook op het Maastrichtse schrijn voorkomt.Timmers (1971), pp. 326-328.

De tronende Domitianus op de andere korte zijde is afgebeeld in een lang gewaad met pallium, bisschopsmijter en een aureool. Het pallium en de mijter zijn bezet met kleine edelstenen. De armleuningen van zijn bisschoppelijke cathedra hebben slangenkoppen aan de uiteinden. Het timpaam boven het hoofd van Domitianus is versierd met kleurrijk champlevé-emaille, mogelijk afkomstig van een ouder schrijn, en een cabochon van bergkristal.

Lange zijden: heiligen en engelen De lange zijden worden aangeduid naar de figuur die als eerste in de rij is afgebeeld. Gezien vanaf de Christuszijde bevindt zich rechts de Andreaszijde, links de Victorzijde. De heiligenfiguren zijn uitgevoerd als hoogreliëfs in gedreven zilver. De omlijstingen, pilasters en aureolen van de heiligen zijn uitgevoerd in bruinvernis.

Aan elke zijde zijn vijf heiligen afgebeeld. Daarvan zijn er vier paarsgewijs gegroepeerd; de vijfde is solitair afgebeeld. Door een inkorting van het schrijn in het verleden is ongeveer een zesde van de oorspronkelijke lengte verloren gegaan, waardoor het iconografisch programma verstoord is. Oorspronkelijk waren er aan beide zijden drie compartimenten, elk met twee figuren, telkens gescheiden door een zuiltje. Niet alle figuren konden geïdentificeerd worden. Twee figuren zijn onbekende heiligen, mogelijk apostelen, en één figuur stelt een onbekende diaken voor. Van de overige figuren zijn er zes van apostelen. De volgorde is, van links naar rechts, te beginnen aan de Andreaszijde: Andreas en Johannes, Judas Taddeüs en Bartolomeüs, Simon (solitair), Victor (van Xanten?) (solitair), een niet-geïdentificeerde heilige diaken en Matteüs, en ten slotte twee niet-geïdentificeerde heiligen.