miniatuur|274x274px|'Hoe de Slaaven met de Keetenen aen haer beenen gaen'.Wijnand de Keyser was een Nederlandse koopman die in 1616 door de Staten-Generaal werd aangesteld als consul in Algiers, een stad in Barbarije en formeel behorende tot het Ottomaanse Rijk. Hij behartigde daar de Nederlandse belangen en probeerde Nederlanders die in handen van de Barbarijse zeerovers waren gevallen vrij te krijgen.

Benoeming Wijnand de Keyser hield zich ten tijde van zijn benoeming al langere tijd bezig met internationale handel. Hij woonde afwisselend in Antwerpen en Lissabon en sprak Spaans en Portugees. Rond 1606 is hij in Bremen getrouwd met Catalina Ancelmo, waarmee hij twee zoons kreeg. Nadat zijn vrouw overleden was solliciteerde hij in 1616 naar de functie van consul in Algiers, met aanbevelingsbrieven van veel collega-kooplieden in Holland. Op 16 april werd hij door de Staten-Generaal benoemd. Zijn taak was om Nederlandse slaven vrij te krijgen zonder betaling van losgeld en om het door Cornelis Haga in Istanbul met de Ottomaanse sultan gesloten ‘vrij schip - vrij goed’ verdrag ook in Algiers en Tunis erkend en nageleefd te krijgen. Deze staten vielen onder het gezag van de Ottomaanse sultan, die er vertegenwoordigd werd door een pasja, maar gedroegen zich in de praktijk erg onafhankelijk. Zeeroof en slavenhandel waren hun belangrijkste middelen van bestaan. De Barbarijse zeerovers waren zeerovers geen kapers, aangezien hun activiteiten in strijd waren met de Ottomaanse verdragen. Haga had in 1613 al gepleit voor het aanstellen van een consul in Algiers en Tunis, die ter plekke meer zou kunnen bereiken dan hij zelf. De Nederlandse handel op de Middellandse Zee was na het ingaan van het Twaalfjarig Bestand enorm gegroeid. Graan, hout en wijn werden verhandeld voor lokale producten van Portugal, Spanje, Italië en de Levant. Met hun lage vrachtprijzen concurreerden ze de Venetianen, Fransen en Engelsen weg.

Consulaat

De Keyser als consul miniatuur|258x258px|Koningen van Algiers. De Keyser kwam in augustus in Algiers aan met twee marineschepen onder Lambert Hendricksz, bijgenaamd Mooy Lambert. Hij had een lijst bij zich van 130 Nederlandse gevangenen. Opvarenden van recent gekaapte handelsschepen die op de slavenmarkten van Algiers en Tunis verkocht waren. Hij wist na verloop van tijd ongeveer de helft vrij te krijgen, zij het tegen betaling van losgeld. Vooral het vrijkopen van scheepsjongens bleek moeilijk te zijn. Zij waren zeer geliefd bij het piratenvolk. Slaven vrijkopen deed De Keyser met behulp van wissels getrokken op de Staten-Generaal, die hem daarom bekritiseerden. Al kort na zijn aankomst trouwde hij met een door hem vrijgekochte slavin uit de Canarische Eilanden, Katharina van Lues, een ‘eerbare weduwe van goeden huijse’, en kreeg met haar twee kinderen. Eentje overleed op jonge leeftijd.

De daaropvolgende jaren bouwde De Keyser zowel een consulaat op als een eigen handelsonderneming, aangezien zijn salaris ontoereikend bleek en hij het zeer onregelmatig ontving. Ook zijn broer Isaacq vestigde zich in Algiers. Met twee schepen voerden ze handel tussen Algiers en Livorno en Marseille aan de overkant van de Middellandse Zee. Nederlandse kooplieden in Livorno verweten hem dat hij profiteerde van de lage prijzen van goederen van gekaapte schepen die op de markt van Algiers te koop werden aangeboden, maar volgens De Keyser deed hij niets illegaals. De onduidelijke scheiding tussen zijn activiteiten als consul en als koopman bleef hem altijd achtervolgen. Intussen stuurden de Staten-Generaal meerdere marine-eskaders naar Algiers om hun argumenten kracht bij te zetten.

Vrij schip - vrij goed miniatuur|Christenslaven in Algiers. In september 1616 sloot De Keyser een eerste overeenkomst met de Algerijnen over welke goederen zij van aangehouden Nederlandse koopvaarders in beslag zouden mogen nemen. Omdat in de overeenkomst geen sprake was van ‘vrij schip - vrij goed’ ratificeerden de Staten-Generaal het niet. Naar later zou blijken schonken ze te weinig aandacht aan zijn brieven uit Algiers. Misschien omdat ze te lang waren. Hijzelf gaf toe: 'Ic ben wat prolix in mijn brieven'. Ook had hij contact met Nederlandse renegaten als De Veenboer, die aangaf terug naar Nederland te willen gaan, maar hij kreeg ruzie met hem.

Ook later zou het nooit tot een permanent verdrag komen tussen de Republiek en Algiers. In juni 1618 werd De Keyser in de gevangenis gezet en werd zijn huis geplunderd toen een eskader van Lambert Hendricksz bij Gibraltar een tiental piratenschepen in de grond had geboord en de zeerovers de voeten had gespoeld, oftewel overboord had gegooid. Door betaling van losgeld kon hij weer vrijkomen. Zodra Hendricksz' eskader vertrokken was begon de zeeroverij weer als vanouds. Na verloop van tijd adviseerde De Keyser de Staten-Generaal om meer indruk te maken met hun eskaders: 'Ic en can niet naerlaten te seggen de waerheyt, ditto schepen en hebben tot noch toe niet veel voor Alger getriompheert'. Begin 1619 arriveerde een eskader onder Hillebrand Quast voor Algiers. Met dit extra machtsvertoon sloot De Keyser een wapenstilstand van zes maanden met vrij verkeer voor Nederlandse schepen, maar dit leidde voornamelijk tot werkloosheid van Quasts kostbare eskader.

Oorlog Toen vanwege de hernieuwde oorlogssituatie de grond hem in Algiers te heet onder de voeten werd probeerde De Keyser in april 1620 te vertrekken op het in de haven liggend schip Leeu van een eskader van Lambert Hendricksz. De pasja wilde hem echter niet laten gaan, en onder druk gezet keerde hij terug naar de wal. Hoewel hij de toezegging kreeg dat hij voortaan met respect behandeld zou worden beklaagde hij zich in maart 1621 bij de Staten-Generaal over zijn moeilijke positie tussen twee vuren: 'Ic ben allen 't quaet van den werelt', schreef hij, en vroeg hen om hem te helpen 'dat van hier mach geraeken, want hier is nyet meer te doen'. Toen in 1622 na een bezoek van de gezant Jan Manrique alsnog een verdrag tot stand kwam wilde hij echter toch weer blijven. Het Twaalfjarig Bestand was afgelopen, en een bondgenootschap tussen de Republiek en Algiers tegen het Spaanse Rijk bood nieuwe perspectieven.

Verdrag tegen Spanje miniatuur|300x300px|Cornelis Pijnacker en Wijnand de Keyser in de Grote Divan van Algiers. De pasja's van Algiers en Tunis, Husayn Pasja en Yusuf Dey, hadden in 1622 de Staten-Generaal vrede aangeboden onder voorwaarde dat er een ambassadeur werd gezonden, zodat op 6 september Cornelis Pijnacker in Algiers arriveerde met twee oorlogsschepen. Hij verscheen vervolgens met De Keyser en de officieren van zijn schepen in de Grote Divan voor een ontvangst door de pasja. Na lange onderhandelingen werd op 15 oktober een verdrag getekend. Hoewel het gebaseerd was op het ‘vrij schip - vrij goed’ principe, bevatte de tekst toch clausules die confiscatie door de Algerijnen van goederen afkomstig uit, of bestemd voor, landen waarmee Algiers in oorlog was mogelijk maakten. Met wie Algiers in oorlog was hing af van de waarde van de in te beslag te nemen goederen. Hiermee leek het toch weer op het verdrag van De Keyser uit 1616. De Keyser, die met Pijnacker bevriend was geraakt, had hem overtuigd dat dit het meest realistisch was gezien de omstandigheden. Hij zei Pijnacker dat de vriendschap van de Algerijnen slechts gebaseerd was op het principe ‘de vijand van mijn vijand is mijn vriend’. Het verdrag werd op 5 mei 1623 in Den Haag geratificeerd.

Kansen miniatuur|320x320px|De Barbarijse kust. De Keyser had met Pijnacker en diens stiefzoon Cornelis Moens, ex-kapitein onder Lambert Hendricksz en Willem de Zoete, afgesproken om in de nieuwe situatie goede zaken te doen, van levering van schepen en materiaal aan de Algerijnen tot aan kaapvaart op Spaanse koopvaarders door Nederlandse schepen met Algierse kaperbrieven. De onderneming zou gebruik maken van de connecties van De Keyser in Algiers en die van Pijnacker en Moens in Den Haag. Daar bleken stadhouder Maurits en de Staten-Generaal toch niet zoveel te zien in militaire samenwerking met de Barbarijse zeerovers, zodat er van de plannen niets kwam. Ook bleek De Keyser geen kaperbrieven te kunnen regelen. Pijnacker probeerde toen Cornelis en Willem Moens als consuls in Algiers en Tunis aangesteld te krijgen, en begon daarom een lastercampagne tegen De Keyser in de hoop dat hij ontslagen werd. Dat gebeurde echter niet.

In oktober 1625 zonden de Staten-Generaal Pijnacker voor de tweede keer naar Algiers om alsnog een volledig ‘vrij schip - vrij goed’ verdrag te sluiten en te zoeken naar een locatie voor een marinebasis aan de Noord-Afrikaanse kust. De Keyser moest hij vervangen door Pieter Maertensz. Coy, de voormalige consul in Marokko. Het kapen van Nederlandse schepen ging ondertussen gewoon door, hoewel de zeelieden nu meestal vrijuit gingen in plaats van naar de slavenmarkt.

Weg uit Algiers miniatuur|De baai van Stora en Collo, beoogde Nederlandse marinebasis aan de kust van Noord-Afrika, getekend door Cornelis Pijnacker. De Keyser wilde inmiddels weer graag weg uit Algiers. Nadat hij in de divan een piratenhoofdman een duw had gegeven was hij in december 1624 weer opgepakt omdat hij als christen een moslim had geslagen. Hij kreeg stokslagen en werd aan een ijzeren ketting gelegd. Zijn huis werd weer geplunderd. Pas nadat zijn broer Isaacq veel geld had betaald aan de nieuwe pasja, Khusru Pasha, werd hij weer vrijgelaten. Pijnacker kwam eind december 1625 aan in Algiers met een oorlogsschip onder bevel van Cornelis Moens. Het bleek toen dat de Algerijnen niet meer zo geïnteresseerd waren in vrede met de Nederlanders omdat ze inmiddels ook vrede gesloten hadden met de Engelsen en de Fransen. Er moesten immers wel schepen gekaapt kunnen worden.

Tijdens zijn verblijf in Algiers maakte Pijnacker ruzie met De Keyser, en Moens maakte ruzie met Coy, die in plaats van hem als nieuwe consul was benoemd. Een basis voor marineschepen aan de baai van Stora en Collo aan de Noord-Afrikaanse kust werd door de pasja niet goedgekeurd. Wel kocht Pijnacker een aantal Nederlandse, Franse en Duitse slaven vrij. Verder moesten er allerlei conflicten worden beslecht, over Algerijnse schepen die niet welkom waren in Nederlandse havens als er slaven aan boord waren, en over slaven die door Nederlanders waren geholpen te ontsnappen zonder losgeld te betalen, zoals gebeurd was door de vloot van Jacques l’Hermite voor de kust van Portugal in 1623. De gemoederen liepen soms hoog op. Isaacq de Keyser werd door een gedupeerde slaveneigenaar op straat neergestoken, maar overleefde.

Pas op 28 maart 1626 vertrok Pijnacker uit Algiers met een nieuw verdrag, dat echter nog steeds niet een echt ‘vrij schip - vrij goed’ verdrag was. Nederlandse schepen mochten door de Algerijnen nog steeds aangehouden worden om eventueel aanwezige Spaanse goederen in beslag te nemen, maar omdat Spanje een gemeenschappelijke vijand was vonden de Staten-Generaal dat acceptabel. De marinebasis was echter niet verkregen, zodat het verdrag als van weinig waarde werd beschouwd en niet gepubliceerd werd, tot verdriet van Pijnacker.

Terug in de Republiek miniatuur|300x300px|Verloste christenslaven terug in Nederland.