Dit artikel geeft een algemeen overzicht van de geschiedenis van Groesbeek, een plaats in het zuiden van de Nederlandse provincie Gelderland.
Naam De naam Groesbeek verwijst naar alle waarschijnlijkheid naar de beek die hier ooit in oostelijke richting stroomde.
Het groes, is volgens een van de verklaringen een verouderd of gewestelijk woord dat zoveel betekent als "graszode" of "weiland". De naam Groesbeek als geheel betekent in dat geval dus "land aan een beek". Er is echter ook nog een andere opgevoerde verklaring: dat het hier zou gaan om de persoonsnaam Grôn.
Oudheid Het landschap waarin de plaats Groesbeek ligt is in geologisch opzicht ouder vergeleken met de rest van het Rijk van Nijmegen; het dateert in deze vorm al uit het Pleistoceen. De heuvels en dalen van het gebied bij Groesbeek vormen de noordwestelijke uitlopers van de Nederrijnse Heuvelrug, die zo'n 200.000 jaar geleden is ontstaan, tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien. Ter hoogte van waar nu Groesbeek ligt, kwam het gletsjerijs destijds tot stilstand. Op het hoogste punt (op de Zevenheuvelenweg, nabij camping Nederrijkswald) meet Groesbeek 95,10 meter boven het NAP.Op topografische kaarten staat vermeld dat de Vlierenberg met 99,8 meter het hoogste punt is, deze meting bleek echter foutief te zijn.
Opgravingen hebben uitgewezen dat de plek waar nu Groesbeek ligt, in ieder geval vanaf de Romeinse tijd bewoond werd. Zo werden er Romeinse potten en pannen in het nabijgelegen dorp Berg en Dal gevonden. De omgeving in en rond Nijmegen, Groesbeek en Elst staat bekend om het hier zeer duidelijk aanwezige Romeinse verleden.
Middeleeuwen De alleroudste middeleeuwse vondsten op de plek waar nu Groesbeek is, zijn gedaan bij de Ketelstraat. Ze worden gedateerd in het laatste kwart van het 1e millennium. Het gaat dan om losse vondsten; er zijn geen duidelijke tekenen dat er in die tijd al permanente bewoning was in dit gebied.
Wanneer de huidige plaats Groesbeek precies is ontstaan, is onduidelijk. In de 9e of 10e eeuw lijkt er een eerste stenen zaalkerk te zijn gebouwd; de 10e eeuw wordt over het algemeen als de waarschijnlijkste bouwtijd daarvan gezien, onder meer vanwege het feit dat de beschermheiligen hier Cosmas en Damianus zijn; deze cultus lijkt via Essen en Xanten ook in deze streek zijn beland. Het lijkt daarnaast aannemelijk dat hier in de eeuwen daarvoor al akkerbouw was.
In het huidige Groesbeek zou er naar verluidt in de 10e of 11e eeuw ook een rijkshof zijn gebouwd, die diende als verblijfplaats voor de koning of keizer die dit gebied bezocht. In de 12e eeuw was dit bouwwerk al weer afgebroken. Rechtstreekse sporen van dit bouwwerk zijn tot nu toe echter nooit gevonden, waarmee dit een geheel onbewezen hypothese blijft.
De plaats Groesbeek wordt voor het eerst onder deze naam genoemd in een oorkonde die is gedateerd in 1040. Op 26 of 27 mei van dat jaar werd Sindicho door koning Hendrik III beleend met een hoeve of villa genaamd Gronspech, die waarschijnlijk bestond uit een boerderij, boomgaarden, landerijen en een vijver. Dit vormde de oudst bewoningskern in het huidige Groesbeek, samen met Watermeerwijk en de huidige buurtschap Grafwegen. De letterlijke oorkondetekst luidt in villa nomine Gronspech. Vermoedelijk ging het hier nog niet om een echt dorp, en moet villa hier eerder worden vertaald als "domein" (als onderdeel van het toenmalige hofstelsel). De hier genoemde Sindicho was een 'forestarius', de voorloper van de functie waldgraaf; hij beheerde de bossen en de gronden namens de koning of keizer.Gronspech, Canon van Nederland De betreffende oorkonde is later in bezit geweest van de familie De Merode, en wordt tegenwoordig bewaard in Brussel.
Van het kasteel van de heren van Groesbeek (die vermoedelijk de nakomelingen waren van Sindicho) is één afbeelding bewaard gebleven (gemaakt door Thomas Witteroos). Deze familie moet hier tot in de 14e eeuw geregeld hebben verbleven.
De eerste bosontginningen vonden vanuit de oudste dorpskern plaats in noordelijke richting, naar de Stekkenberg, en in zuidelijke richting. Deze zich ontwikkelende woonkernen waren in wezen Waldhufendorfen. In het bosgebied net ten noorden van Groesbeek, het Ketelwald (later onderverdeeld in wat nu het Reichswald in Noordrijn-Westfalen is, en het Gelderse Nederrijkswoud), bouwden de waldgraven in de 11e eeuw het houten kasteel op een motte bij Watermeerwijk. Rond 1265 verplaatsten zij hun woonplek naar Groesbeek zelf, waar zij naast de voormalige rijkshof een nieuwe, houten woontoren bouwden. Uiteindelijk zouden deze heren van Groesbeek de toren nog tweemaal vervangen; de laatste versie werd eind 14e eeuw afgebroken.
De plaats wordt Gelders In oktober 1247 verpandde Willem II van Holland het hele Rijk van Nijmegen aan Otto II van Gelre. Dit gebied, dat ook het gebied van Groesbeek omvatte, hoorde zodoende voortaan bij het graafschap (later het hertogdom) Gelre. In een rekening uit 1294/1295 wordt voor het eerst de vroonhof (curtis) Grafwegen genoemd, die toebehoorde aan de graaf van Gelre. Mogelijk behoorde deze curtis eveneens tot de goederen die Gelders werden bij de verpanding van 1247. De naam Grafwegen komt opnieuw voor in vermeldingen (m.n. rekeningen) uit de 14e en 15e eeuw, maar het is niet zeker of het hier steeds om precies dezelfde plek gaat.
Het eigenlijke dorp Groesbeek kwam in de eerste helft van de 14e eeuw voort uit de hiervoor genoemde oudere bewoningskernen, aanvankelijk als een kerspeldorp; uit deze tijd dateert ook het Groesbeekse wapen. Na 1350 was er sprake van een duidelijke economische terugval. Een van de oorzaken was dat het Ketelwald – dat in die tijd afwisselend in bezit was van de graafschappen (later hertogdommen) Kleef en Gelre – toen weer Kleefs werd. Uit deze tijd dateert de Toren der Hervormde Kerk; het koor hiervan is ongeveer een eeuw later gebouwd. Beide zijn thans Rijksmonumenten.
15e - 18e eeuw Het gebied bleef voorlopig nog in handen van de heren van Groesbeek. Johan van Groesbeek verkreeg in 1422 de lage jurisdictie. In 1527 verkregen de heren van Groesbeek door verpanding ook de hoge jurisdictie, waardoor zij hier nu de rechtspraak in handen hadden. De Gelderse Rekenkamer loste in 1640 het pand in, maar negen jaar later kregen de heren van Groesbeek de rechtspraak in dit gebied alweer terug.
Na 1500 vond er ook meer ontginning in oostelijke richting plaats. De Plak en Nieuwerf zijn in deze tijd ontgonnen. Rond 1555 bouwden de heren van Groesbeek een nieuw kasteel in de plaats van het voornoemde, op de locatie waar ooit de rijkshof zou hebben gestaan. Dit Huis te Groesbeek is waarschijnlijk in de 18e eeuw weer afgebroken.
Vooral in de 17e en 18e eeuw was er in dit gebied – dat rijk was aan bos en heide – veel erfpacht, met name aan vooraanstaande Nijmegenaren die er bijvoorbeeld pachtboerderijen of lustoorden bouwden. Bekende landgoederen die op deze manier zijn gevormd zijn Watermeerwijk, Westermeerwijk, Uleput en Nieuwland (aan de Meerwijkselaan).
De heren van Groesbeek bezaten tevens de heerlijkheid Groesbeek. In de 17e eeuw stierf het geslacht Groesbeek uit, waarna de heerlijkheid in 1768 uiteindelijk door Frans Carel van Loe tot Wissen werd verkocht aan de Staten van Gelre (een voorloper van de Provinciale Staten), die sinds de 16e eeuw ook al het beheer hadden over het nabijgelegen Nederrijkswald. Een jaar later, op 27 juli 1769, werd besloten dat Groesbeek de status van onafhankelijke heerlijkheid zou behouden, waarbij de rechtspraak feitelijk geheel in handen kwam van de Rekenkamer. Na de Franse tijd viel alles ten slotte onder het Koninkrijk der Nederlanden.
19e eeuw Een blikseminslag veroorzaakte op 18 juli 1828 een grote dorpsbrand, waarbij een aantal huizen verloren ging. Een grote lindeboom voorkwam dat ook het gebouw van de Hervormde Kerk vlam vatte. De provincie Gelderland sprong bij om de nood van de getroffenen te verzachten.'De grote dorpsbrand van 1828', in: G.G. Driessen, Rampspoed te Groesbeek. Fragmenten dorpsgeschiedenis uit de periode 1800–1950 (Groesbeek 2000), p. 19–30.
In de jaren 40 en 50 van deze eeuw deed de Dienst der Domeinen (een voorloper van het Ministerie van Financiën) diverse stukken van het Groesbeekse Bos in de verkoop. De gebieden werden overgekocht door telgen uit adellijke families, waaronder Van Lynden, Van Hemmen, Van Riemsdijk en Van Swinderen. Sommige van de in deze tijd gebouwde residenties bestaan nog, zoals Wolfsberg (op de gelijknamige heuvel) en het chalet Rhätia.
De Groesbekenaren waren in deze tijd voor het merendeel katholiek. In 1846 vond er een eerste redemptoristische missie plaats, onder leiding van pater Bernard Hafkenscheid. Om meer geïnteresseerden hiervoor te trekken werden er naast de kerk heibezems verkocht. Uiteindelijk viel het effect hiervan op de Groesbeekse bevolking tegen, volgens verslagen die geestelijken hierover hebben geschreven. In 1855 vestigden de Zusters van Tilburg zich in een klooster te Groesbeek, aan de straat die later Kloosterstraat werd genoemd. In 1859 was er nogmaals een grote zendingsmissie. In 1860 werd er een triduüm ingesteld. Een echte mentaliteitsverandering onder de inwoners van Groesbeek bleef vooralsnog uit.
In 1865 ging het eerste treinstation van Groesbeek open. In 1938 is dit gebouw weer gesloopt.
De plaats bleef voorlopig nog arm. Er werden veelal ook voor die tijd al primitieve beroepen uitgeoefend, zoals die van bosbesplukker en bezembinder. Enigszins paradoxaal was er in dezelfde tijd (ook) in Groesbeek sprake van een sterke bevolkingsgroei. Een mogelijke verklaring is dat veel mensen in deze tijd vanuit de verpauperde delen van Nijmegen naar Groesbeek trokken. Daarnaast profiteerde Groesbeek van de economische groei in Duitsland.
20e eeuw thumb|240px|Luchtfoto van het oude centrum van Groesbeek, met in het midden de Cosmas en Damianuskerk, 1920-1940, Nederlands Instituut voor Militaire Historie. In 1905 werd er een stoomzuivelfabriek gebouwd, al snel opgevolgd door meerdere, kleinere fabrieken. De werkgelegenheid nam hierdoor iets toe. Ook het toerisme droeg daaraan bij: na 1900 gingen er enkele hotels en pensions open voor vakantiegangers die dat konden betalen. Niettemin bleven de meeste inwoners aangewezen op werkgelegenheid elders in de regio.
In 1912 werd de eerste voetbalclub van Groesbeek opgericht..
Omstreeks 1913 is op het grondgebied van de gemeente Groesbeek het kerkdorp Heilig Landstichting gesticht, waar later ook de buurtschappen Het Heilig Land en De Ploeg in opgingen.
Eerste gemeentelijke herindelingen Door gemeentelijke herindelingen is de gemeentegrens van Groesbeek met Nijmegen vanaf 1 januari 1915 iets zuidoostelijker komen te liggen. De plannen van het Nijmeegse gemeentebestuur om stukken van het aangrenzende grondgebied van Groesbeek over te nemen bestonden sinds eind 19e eeuw. Vanuit Groesbeek zelf kwam hier echter veel verzet tegen. Vanaf 1905 kwamen er herziene ontwerpen voor de geplande annexatie, die uiteindelijk inderdaad de goedkeuring van de Nederlandse regering kregen. Op 1 januari 1915 werd een deel van het meest noordelijke grondgebied van Groesbeek (waar nu grotendeels de wijk Kwakkenberg ligt) bij de gemeente Nijmegen gevoegd. De gemeentegrens verschoof zodoende van de Postweg naar de tot dan toe Groesbeekse Sophiaweg (die in dezelfde tijd zijn huidige naam heeft gekregen). De gemeente Groesbeek raakte hierdoor ca. 158 hectare aan grondgebied kwijt.Groesbeek een kopje kleiner, Canon van Nederland
Volgens de oorspronkelijke annexatieplannen had er nog meer Groesbeeks grondgebied door de gemeente Nijmegen moeten worden overgenomen: de buurtschap Meerwijk, een deel van het iets oostelijker gelegen dorp Berg en Dal en het gebied waar Heilig Landstichting inclusief het Bijbels Openluchtmuseum (nu het Museumpark Orientalis) zouden verrijzen. (Het dorp Berg en Dal was zelf verdeeld tussen de gemeentes Groesbeek en Ubbergen.)