Otto von Falke (Wenen, 29 april 1862 − Schwäbisch Hall, 15 augustus 1942) was een Duits kunsthistoricus en museumdirecteur. Hij was directeur van het Kunstgewerbe-Museum in Keulen van 1895 tot 1908, vervolgens directeur van het Kunstgewerbemuseum in Berlijn van 1908 tot 1927, en ten slotte directeur-generaal van de Staatliche Museen zu Berlin van 1920 tot 1927.

Leven en werk Als zoon van kunsthistoricus Jacob von Falke begon hij in 1881 geschiedenis, kunstgeschiedenis en klassieke archeologie te studeren aan de Universiteit van Wenen, waar hij in 1887 promoveerde. Tijdens zijn studie werd hij in 1882 lid van de Wiener akademische Burschenschaft Libertas. Zijn daaropvolgende reizen en zijn werkzaamheden bij het Kunstgewerbemuseum in Berlijn bezorgden hem een brede kennis van de verschillende deelgebieden van de toegepaste kunsten.

In 1895 werd hij directeur van het Kunstgewerbe-Museum in Keulen. Vanaf 1908 bekleedde hij dezelfde functie aan het Kunstgewerbemuseum in Berlijn. In 1920 volgde hij Wilhelm von Bode op als directeur-generaal van de Staatsmusea in Berlijn. Na zijn pensionering in 1927 bleef hij zich intensief wijden aan wetenschappelijk werk, met name als oprichter, redacteur en belangrijkste auteur van het tijdschrift Pantheon. Hij gold in zijn tijd als de belangrijkste Duitse onderzoeker op het gebied van de toegepaste kunsten. Met zijn talrijke catalogi van verzamelingen verwierf hij bekendheid in heel Europa.

Von Falke was getrouwd met Luise Dreger (1865-1935). Hij stierf op tachtigjarige leeftijd, kort nadat hij in 1942 de Goethe-medaille voor Kunst en Wetenschap had ontvangen. Hun gezamenlijke graf bevindt zich op de Südwestkirchhof Stahnsdorf, vlak bij Berlijn.

Een deel van Otto von Falkes geschreven nalatenschap wordt bewaard in het Deutsche Kunstarchiv (DKA), onderdeel van het Germanisches Nationalmuseum in Neurenberg.

Bibliografie (selectie) 1883: Aesthetik des Kunstgewerbes. Ein Handbuch für Haus, Schule und Werkstätte, Stuttgart. 1896: Majolika, Berlijn; 2e druk: Berlijn, 1907. 1900: Führer durch das Kunstgewerbe-Museum der Stadt Köln, Keulen. 1904: [met Heinrich Frauberger] Deutsche Schmelzarbeiten und andere Kunstwerke der kunst-historischen Ausstellung zu Düsseldorf 1902, Frankfurt am Main. 1907/08: 'Das Kunstgewerbe im MA', in: Georg Lehnert: Illustrierte Geschichte des Kunstgewerbes, Berlijn, pp. 190–422. 1908: Das rheinische Steinzeug, 2 delen, Berlijn. 1911: Der Dreikönigsschrein des Nikolaus von Verdun im Cölner Domschatz, Mönchen-Gladbach (online tekst). 1913: Der Mainzer Goldschmuck der Kaiserin Gisela, Berlijn. 1915: Das Kunstgewerbemuseum, (museumgids voor de Königliche Museen zu Berlin), Berlijn. 1919: Deutsche Porzellanfiguren, Berlijn. 1921: Kunstgeschichte der Seidenweberei, Berlijn; 4e druk: Tübingen 1951. 1923–1924: [met Hermann Schmitz] Deutsche Möbel vom Ausgang des Mittelalters bis zum 19. Jahrhundert, 3 delen, Stuttgart. 1928–1929: Kunstwerke aus den Beständen Leningrader Museen und Schlösser, Auktionskatalog, 4 delen, Berlijn. 1930: [met Georg Swarzenski] Der Welfenschatz, Frankfurt am Main. 1935: [met Erich Meyer] Romanische Leuchter und Gefässe, in de reeks: Bronzegeräte des Mittelalters, deel 1. Deutscher Verein für Kunstwissenschaft, Berlijn.

Categorie:Duits kunsthistoricus Categorie:Duits museumdirecteur