Vrijmetselarij en religie betreft de historische en ideologische verhouding tussen de vrijmetselarij en verschillende religieuze tradities. Sinds het ontstaan van de moderne vrijmetselarij in het begin van de achttiende eeuw is deze verhouding onderwerp geweest van debat, samenwerking en conflict. Hoewel de vrijmetselarij zichzelf niet als religie beschouwt, maakt zij gebruik van religieuze symboliek en terminologie en vereist zij in veel vormen geloof in een Opperwezen.
Religieuze grondslagen in de Oude Plichten
De religieuze dimensie van de vrijmetselarij gaat terug op haar vroegste schriftelijke bronnen, de zogenoemde Oude Plichten: een verzameling van ongeveer honderddertig documenten uit de veertiende tot de achttiende eeuw, afkomstig uit Engeland en Schotland, die de regels en mythische geschiedenis van het metselaarsgilde beschrijven.
Het oudste bekende maçonnieke document is het Regiusmanuscript, doorgaans gedateerd rond ca. 1390 en vermoedelijk samengesteld in Shropshire. Het betreft een gedicht in rijmkoppelingen dat vijftien artikelen en vijftien punten bevat voor het gedrag van metselaars. Historicus Andrew Prescott merkt op dat het document waarschijnlijk door een priester of monnik werd opgesteld, hetgeen de uitgesproken religieuze toon ervan verklaart. Het op één na oudste document, het Cooke-manuscript (ca. 1450), beschrijft de oorsprong van het metselaarsgilde via de zeven vrije kunsten, Abraham en de Tempel van Salomo, en legt daarmee een expliciet bijbels fundament onder de maçonnieke zelfopvatting.
Deze vroegste teksten verplichten de metselaar tot trouw aan God en de Heilige Kerk, schrijven eden op het Evangelie voor en integreren het gebed expliciet in de loge-praktijk. De religieuze inhoud was daarmee niet bijkomstig maar constitutief voor de vroegste maçonnieke zelfregulering.
Religieuze grondslagen
Schotse oorsprong en de Kerk van Schotland De directe voorlopers van de speculatieve vrijmetselarij bevinden zich in Schotland in de zeventiende eeuw. De Schaw-statuten van 1598 en 1599, opgesteld door William Schaw, Meester der Werken van koning Jacobus VI van Schotland, legden de organisatorische grondslagen voor de Schotse loges: een hiërarchie van loge-beambten, verplichte notulen, jaarlijkse bijeenkomsten en toelatingsriten. Schaw zelf werd in 1598 door Engelse agenten beschreven als verdacht van sympathieën voor het katholicisme en mogelijke banden met jezuïeten – een verdenking die, indien gegrond, de verhouding tot de streng calvinistische Kerk van Schotland bijzonder delicaat maakte.
De Kerk van Schotland beschouwde de loges aanvankelijk met enige argwaan maar greep niet in, zolang hun activiteiten niet als religieus werden gepresenteerd. In 1649 debatteerde de Generale Synode van de Kerk van Schotland over de toelaatbaarheid van het Woord van de Metselaar; een besluit bleef uit, maar kandidaten voor het predikantsambt die ingewijd waren werden nauwlettend gevolgd. Een uitspraak van de kerkenraad van Kelso bevestigde echter dat het Woord van de Metselaar niet in strijd was met het kerkelijk recht. In 1758 benoemde de Grand Lodge of Scotland een Groot Kapelaan, een predikant van de staatskerk, waarmee de Kerk van Schotland officieel een institutionele rol binnen de vrijmetselarij verwierf.
De Constituties van Anderson en het debat over christelijke identiteit
De moderne vrijmetselarij werd in 1717 georganiseerd met de oprichting van een Grootloge in Londen. De Constituties van Anderson (1723; herziene editie 1738) vormen een belangrijk normatief document. Historici als David Stevenson benadrukken dat Andersons eerste artikel over God en religie door onderzoekers op twee manieren wordt geïnterpreteerd: als een ontkerstening van de vroegere religieuze plichten uit de Oude Plichten, of als een bewuste verbreding naar een interconfessioneel deïsme, passend bij de Verlichtingscultuur van de vroege achttiende eeuw. In de editie van 1738 wordt verwezen naar de zogenoemde 'Noachidische wet' als universeel moreel kader, waarmee de vrijmetselarij zich uitdrukkelijk buiten de grenzen van één specifieke religieuze traditie plaatste. Een reactie op dit rationalistisch getinte deïsme leidde in Engeland tot het schisma van de Antients, die vasthielden aan een meer uitgesproken christelijke maçonnieke traditie; de scheuring eindigde met de vereniging met de Moderns in de United Grand Lodge of England in 1813.
De vrijmetselarij kent geen dogmatische geloofsleer of heilsleer. Onderzoekers wijzen er echter op dat zij religieuze kenmerken vertoont door het gebruik van rituelen, gebed en verwijzingen naar een Opperbouwmeester van het Heelal. Tot ver in de negentiende eeuw was de vrijmetselarij in overwegende mate een christelijk verschijnsel; diverse riten en hogere graden bevatten expliciet christelijke elementen.
Binnen de reguliere vrijmetselarij wordt doorgaans het geloof in een Opperwezen als toelatingsvoorwaarde gesteld. In delen van de continentale vrijmetselarij werd deze voorwaarde in de negentiende eeuw losgelaten (de Grand Orient de France schrapte haar in 1877), hetgeen mede leidde tot spanningen tussen verschillende obediënties en tot officieel verlies van erkenning door de United Grand Lodge of England.
Christendom
Rooms-Katholieke Kerk
De verhouding tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de vrijmetselarij werd gekenmerkt door langdurige en diepgewortelde spanningen. In 1738 veroordeelde paus Clemens XII de vrijmetselarij in de bul In eminenti apostolatus specula. In 1751 volgde een bevestiging door paus Benedictus XIV. De bezwaren betroffen onder meer het geheime karakter van de loges, het afleggen van eden en de vermeende bedreiging van kerkelijke en maatschappelijke orde.
In de negentiende eeuw verscherpte het conflict, mede in verband met liberalisme en antiklerikalisme. In zijn encycliek Humanum Genus (1884) kenschetste paus Leo XIII de vrijmetselarij als een vijand van religie en samenleving, en beschuldigde haar van het willen vervangen van de christelijke maatschappijorde door een naturalistische en rationalistische orde. Het Canoniek Wetboek van 1917 bepaalde dat katholieken die zich aansloten bij de vrijmetselarij automatisch geëxcommuniceerd werden.
Na het Tweede Vaticaans Concilie (1962–1965) ontstond tijdelijk enige onduidelijkheid over de status van het verbod. Een brief van de Congregatie voor de Geloofsleer uit 1974 werd door sommigen geïnterpreteerd als een versoepeling, maar dit werd door het Vaticaan nadrukkelijk tegengesproken. Informeel overleg tussen katholieke en vrijmetselaren vond in de jaren zeventig plaats in Oostenrijk, Italië en Duitsland, maar leidde niet tot een officiële wijziging van het kerkelijk standpunt.
In het herziene Canoniek Wetboek van 1983 werd de expliciete verwijzing naar de vrijmetselarij vervangen door een algemene bepaling tegen verenigingen die tegen de Kerk samenspannen (canon 1374). In datzelfde jaar verklaarde kardinaal Joseph Ratzinger, prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer en later paus Benedictus XVI, met persoonlijke goedkeuring van paus Johannes Paulus II, dat de negatieve beoordeling van de vrijmetselarij door de Kerk ongewijzigd bleef en dat lidmaatschap de gelovige in staat van ernstige zonde brengt. In november 2023 bevestigde het Dicasterie voor de Geloofsleer opnieuw dat actief lidmaatschap van een vrijmetselaarsloge voor een katholiek verboden blijft.
Protestantisme De verhouding tussen protestantisme en vrijmetselarij was historisch minder conflictueus dan die met het rooms-katholicisme. In verschillende protestantse landen werd de vrijmetselarij geassocieerd met religieuze tolerantie, Verlichtingsidealen en burgerlijke vrijheden.
In de negentiende eeuw ontwikkelde zich in delen van Europa een nauwe relatie tussen protestants liberalisme en vrijmetselarij, mede in het kader van verzet tegen ultramontanisme en klerikalisme. Verschillende protestantse denominaties brachten in de twintigste eeuw kritische rapporten over de vrijmetselarij uit, met name de Anglicaanse Kerk en gereformeerde kerken, die bezwaar maakten tegen de syncretistische geloofsbeleving en de eedaflegging.
Orthodoxe kerken Binnen de Oosters-Orthodoxe Kerk bestaat geen centrale autoriteit die voor alle kerken bindende uitspraken doet, waardoor er geen uniforme orthodoxe leerstelling over de vrijmetselarij bestaat.
De Grieks-Orthodoxe Kerk veroordeelde in 1933 de vrijmetselarij en verbood geestelijken lid te zijn. Als gronden werden onder meer aangedragen dat de vrijmetselarij religieuze onverschilligheid zou bevorderen en onverenigbaar zou zijn met de christelijke geloofsopvatting.
Jodendom De verhouding tussen jodendom en vrijmetselarij kent een complexe geschiedenis die sterk verschilt naar tijd en plaats. Historisch gezien werden joden voor het eerst toegelaten tot een Engelse loge in de jaren 1730. In Engeland en de Nederlanden werden welgestelde joodse leden vrij vroeg opgenomen, terwijl in Duitsland en Frankrijk joden lange tijd werden geweerd, ook onder verlichte omstandigheden. De drie Pruisische Grootloges in Berlijn sloten joden stelselmatig uit op grond van het christelijke karakter dat zij aan de vrijmetselarij toeschreven.
Historisch onderzoek wijst erop dat de vrijmetselarij voor joodse elites in de achttiende en vroeg-negentiende eeuw een kanaal voor sociale integratie en emancipatie kon zijn. In Frankfurt speelden joodse vrijmetselaren een leidende rol in de opkomst van het liberaal jodendom. Historicus Jacob Katz benadrukt dat de relatie tussen jodendom en vrijmetselarij sterk is gemythologiseerd en dat het rabbinale jodendom geen wezenlijke inhoudelijke invloed heeft gehad op de oorspronkelijke achttiende-eeuwse loge-rituelen.
De vermeende samenzwering van joden en vrijmetselaren werd een terugkerend thema in negentiende- en twintigste-eeuwse antimaçonnieke en antisemitische polemiek. Na de Franse Revolutie circuleerde de mythe van een joods-maçonnieke samenzwering; deze werd versterkt door de publicatie van de Protocollen van de wijzen van Sion en bereikte een gewelddadige climax in de vervolging van vrijmetselaren en joden onder het nationaalsocialisme.
Islam De vrijmetselarij kende vanaf de achttiende en negentiende eeuw een aanwezigheid in delen van de islamitische wereld. Sultan Mahmut I verbood de vrijmetselarij in 1748 in het Ottomaanse Rijk, mede onder druk van zijn christelijke onderdanen en met instemming van de oelama. Na de liberaliserende Ottomaanse hervormingen van de negentiende eeuw werd de vrijmetselarij in 1856 opnieuw gelegaliseerd. Tussen 1875 en 1908 was zij een van de meest invloedrijke sociale instellingen in het Ottomaanse Rijk. Historica Dorothe Sommer toont aan dat loges in Syrië en Libanon een van de eerste instituten waren die in die regio religieuze en sektarische grenzen wisten te overstijgen door moslims, christenen en joden samen te brengen. Ottomaanse vrijmetselarij werd ook in verband gebracht met bepaalde soefi-ordes, zoals de Bektashi-orde, die bekendstonden om hun religieuze tolerantie.
In de twintigste eeuw werd de vrijmetselarij in verschillende islamitische landen opnieuw verboden, vaak in samenhang met politieke ontwikkelingen en nationalistische of islamitische bewegingen die de vrijmetselarij als een westers of zionistisch instrument beschouwden. De Egyptisch-Syrische geleerde Rashid Rida (1865–1935) droeg via zijn pan-islamitisch tijdschrift Al-Manar bij aan de verspreiding van antimaçonnieke ideeën die later van invloed waren op de Moslimbroederschap en aanverwante bewegingen.
Historiografie