miniatuur|De Fortuin van de vloot van Pieter Adriaensz. Ita komt aan bij Vlissingen. Pieter Adriaenszoon Ita (Vlissingen, 1596 - Vlissingen, 29 maart 1638) was een Zeeuwse admiraal in dienst van de West-Indische Compagnie (WIC). Hij veroverde in 1628 een Spaanse zilvervloot uit Honduras en nam deel aan de verovering van Recife en Olinda in Brazilië. In dienst van de Admiraliteit van Zeeland vocht hij daarna tegen de Duinkerker kapers.
Eerste reizen naar West-Indië miniatuur|340x340px|De Orinoco op een kaart van Geleijn van Stapels. Pieter Adriaensz. Ita maakte waarschijnlijk meerdere reizen naar het Caraïbisch gebied in dienst van Zeeuwse reders. Hij werd toen Pieter Adriaensz. genoemd. De naam Ita heeft hij later aangenomen. In 1616 was hij schipper van de Gouden Haen uit Vlissingen en zette daarmee honderdvijftig kolonisten af bij de samenvloeiing van de Paru en de Amazone aan de Wilde Kust, zoals het gebied tussen de mondingen van de Orinoco en de Amazone destijds genoemd werd. Met hulp van een naburige indianenstam begonnen zij een tabaksplantage. Een jaar later kwam Ita terug om de eerste lading tabak op te halen. Volgens zijn Engelse tijdgenoot John Scott voer Michiel Adriaensz. de Ruyter als scheepsjongen op de Gouden Haen, dat waarschijnlijk voor de Lampsins voer.Volgens Ronald Prud’homme van Reine in zijn biografie van Michiel de Ruyter maakte hij zijn eerste zeereizen inderdaad naar West-Indië maar vertrok hij voor het eerst in augustus 1618. De toen gestichte kolonie zou het zes jaar uithouden. Vanuit Zeeland werden aan de Braziliaanse noordkust al langer pogingen tot kolonisatie gedaan in de vorm van patroonschappen door kapitaalkrachtige personen, wat later door de Heren XIX van de WIC werd aangemoedigd. De koloniën werden in 1623 door de Portugezen aangevallen en deels verwoest, en ook Ita leverde strijd met hen.
Admiraal bij de WIC miniatuur|340x340px|De Berbice met Zeeuwse kolonieën. Ita moet inmiddels een ervaren zeeman geweest zijn toen hij eind 1627 door de WIC gevraagd werd admiraal te worden van een vloot van twaalf schepen met als doel Spaanse en Portugese schepen in de Caraïbische zee te kapen. Met name schepen die met goud of zilver op weg waren naar Spanje om de Tachtigjarige Oorlog te financieren. Vijf schepen van de vloot werden geleverd door de Kamer van Zeeland, zodat een Zeeuw als admiraal een logische keus was. Het admiraalsschip was de Walcheren, met 160 opvarenden en 30 kanonnen. Hans Abouts was viceadmiraal op de Dolfijn. Ita's vloot was niet de enige die dat jaar door de Heren XIX werd uitgestuurd om de Spanjaarden afbreuk te doen. Vlak tevoren was een vloot van 12 schepen onder Dirck Simonsz. van Uitgeest al vertrokken om langs de noordkust van Brazilië te kruisen. Die zou in april 1629 thuiskomen met de ladingen van 12 Spaanse en Portugese koopvaarders. De derde vloot was die van Piet Hein met 31 schepen, die leidde tot de verovering van de zilvervloot.
Verovering van de kleine zilvervloot miniatuur|Verovering van de Hondurasvloot door Pieter Adriaensz. Ita in 1628. Ita's vloot vertrok vanaf eind januari 1628 verspreid naar West-Indië. Een van de schepen, de Fortuin met schipper Geleyn van Stapels, had ook 63 kolonisten aan boord voor het eiland Tobago. De burgemeester van Vlissingen Jan de Moor had daar sinds 1626 een patroonschap. Aangekomen in de Caraïbische Zee verzamelde de vloot zich, maar jaagde daarna ook weer verspreid op Spaanse koopvaarders, waarvan vele werden buitgemaakt. Opnieuw bijeengekomen voer de vloot naar Havana, het rendez-vous voor zowel de Spaanse Honduras-vloot als de Mexico-vloot voordat zij de Atlantische Oceaan opvoeren. In juli werd van de bemanning van een veroverd barkje vernomen dat tien koopvaarders uit Honduras begeleid door twee galjoenen (Spaanse oorlogsschepen) in aantocht waren. De Spanjaarden, die op de hoogte waren van de aanwezigheid van de vloot van Ita, hadden vanuit Havana hun vloot versterkt met honderden soldaten.
Ten noorden van Havana kruisend werden op 1 augustus de twee naderende galjoenen waargenomen: de Nossa Senora de los Remedios met admiraal Alvaro de la Cerda en de Sint Jago. In de daarop volgende confrontatie in het zicht van de haven van Havana viel de Leeuwinne de langs de kust wegvarende Sint Jago aan, maar omdat het geen enterdreggen aan boord had lukte het niet om het te enteren. Beide schepen raakten daarop aan de grond en bleven elkaar beschieten met kanonnen en musketten. Het gevecht duurde de hele dag. De Leeuwinne raakte de grote mast kwijt en de kapitein Jan Pietersz. sneuvelde. De Dolfijn en de Fortuin vielen het Spaanse admiraalsschip aan, dat vervolgens ook aan de grond liep.
De Spanjaarden hadden meer vuurkracht maar de Nederlanders meer schepen. Vanaf de wal voerden de Spanjaarden met sloepen meer soldaten aan, waarop die werden aangevallen vanaf de Nederlandse schepen. Ook de Walcheren lukte het om door de ondiepten naast het admiraalsschip te komen, 'hem met sijn sware stucken dapper treffende' en vuurpotten werpend vanaf de ra's. De Walcheren was ook groot genoeg om het de matrozen, ook vanaf de langszij liggende Fortuin, mogelijk te maken het grotere Spaanse galjoen te enteren. In de man-tegen-man gevechten werd meer dan de helft van de Spanjaarden gedood. Anderen sprongen overboord, zoals de gewonde De la Cerda. Ook de bemanning van de Sint Jago verliet het schip. De slag werd een overwinning voor de vloot van Ita, die omtrent de dertien doden en vijftig gewonden telde, vooral aan boord van de Leeuwinne. Dat schip was zo zwaar beschadigd dat de Fortuin het op sleeptouw moest nemen. miniatuur|340x340px|De verovering van de Hondurasvloot. De Sint Jago was zo erg beschadigd dat het niet meegenomen kon worden en werd daarom in brand gestoken. De Nossa Senora de los Remedios werd een poos meegesleept door de Walcheren maar begon voor de kust van Florida zoveel water te maken dat de lading werd overgeheveld en op 15 augustus ook dit schip in brand werd gestoken. Na het oversteken van de Atlantische Oceaan was de vloot eind september met de buit terug in Vlissingen. Het was de derde keer sinds het einde van het Twaalfjarig Bestand dat de Hondurasvloot werd gekaapt. De in totaal 16 buitgemaakte Spaanse schepen waren geladen geweest met een grote hoeveelheid lokale producten, 12 bronzen en 28 ijzeren kanonnen en 52 pond zilver.De produkten bestonden uit 2398 kisten indigo uit Guatamala, 6176 droge West-Indische huiden, 266 pakken salsaparilla (balsemolie), 27 potten balsemolie en 7000 pond gember uit Santo Domingo. De verkoop bracht 1,2 miljoen gulden op. Ook Ita zelf verdiende daaraan. In december verzocht hij de Kamer van Zeeland van de WIC om uitbetaling van 'acht maenden buits', waaraan voldaan werd. Wat meer was, met het vertrek van Ita’s vloot dachten de Spanjaarden dat de kust vrij was voor de veel grotere Tierra Firme zilvervloot, die daarom veel minder versterkt werd dan de vloot van De la Cerda. Die vloot kon toen op 9 september zonder veel moeite veroverd worden door de vloot van Piet Hein in de Slag in de Baai van Matanzas. +AdmiraliteitKapiteinSchipLastMannenStukkenZeelandJan Mast (met Ita als bevelhebber)Walcheren28016030Jan Pietersz.Leeuwinne18007916Cornelis HuygensNoordsterre30408Geleyn van StapelsFortuin106010320Adriaen Adriaensz.Zuidsterre304622Joachim Hendricksz. SwartenhondtAmsterdam3501568AmsterdamDolfijn13010730Albert Hendricksz.Roode Leeuw25020224Jochim Gijsz.Kater906516Claes Gijsz. de VriesPinas1008618RotterdamAnth. Cornelisz. CondéEendracht1008020Stad en LandeJan BraemsVriessche Jager1407418Cuba
Verovering van Olinda en Recife miniatuur|340x340px|Verovering van Pernambuco door de vloot van Hendrick Lonck in 1630. Ook in 1629 maakte Ita een tocht naar West-Indië, ditmaal als viceadmiraal in een vloot van 67 schepen met 7000 opvarenden onder admiraal Hendrick Lonck. Ook Joost van Trappen Banckert en Dierick Ruyters waren van de partij, terwijl landingstroepen onder bevel stonden van kolonel Diederick van Waerdenburgh. Voor die landing hadden de Heren XIX de capitania Pernambuco aan de noordoostkust van Brazilië op het oog. De hoofdstad Olinda en zijn haven Recife waren een uitstekende strategische locatie voor het bestrijken van het zuidelijke deel van de Atlantische Oceaan. Bovendien waren er veel suikerriet- en houtplantages. In februari 1630 bij Recife aangekomen werden met een deel van de schepen 2000 soldaten en 700 matrozen aan land gezet om via het strand de stad van de noordzijde aan te vallen. Lonck beschoot met andere schepen Recife vanaf zee, maar die konden door de hoge deining niet goed richten en hadden weinig effect. Dichterbij komen was moeilijk, omdat de Portugezen her en der schepen geladen met suiker op de bij eb droogvallende zandbanken hadden gezet om de toegang tot de haven te belemmeren.
De verovering kwam voornamelijk aan op de landingstroepen van Van Waerdenburgh. Vanaf 17 februari trokken ze op langs het strand en na een riviertje over te steken werden enkele stellingen veroverd en werd zonder veel moeite de stad ingenomen. Ook het versterkte Jezuïtenklooster van Olinda op de heuvel achter de stad werd veroverd. De Portugezen bleken grotendeels met al hun huisraad gevlucht te zijn, hoewel de gouverneur Matias de Albuquerque daar de doodstraf op had gezet. Hij had daarom alvorens zelf te vluchten hun suikerpakhuizen in brand laten steken, waardoor rond de 15000 kisten suiker verloren gingen. Na de inname van Recife werd nog twee weken het halverwege Recife en Olinda gelegen kasteel San Georgio belegerd totdat de verdedigers op 2 maart de witte vlag uithingen. Met de kapitein Antonio de Lima werd die dag een akkoord gesloten waarin hij met zijn manschappen een vrije aftocht kreeg tegen de belofte om gedurende zes maanden de wapens niet op te nemen tegen de Staten-Generaal en de Prins van Oranje. In mei vertrok Lonck en werd Van Waerdenburgh gouverneur van Pernambuco. De Portugezen voerden daarna vanuit de nabijgelegen moerassen een guerillaoorlog, zodat Olinda weer opgegeven moest worden en de Nederlanders zich terugtrokken in het beter verdedigbare Recife. Enkele jaren later pas volgde de verovering van het grootste deel van Portugees Brazilië.
Recife miniatuur|Verovering van Pernambuco. Vanuit Recife ondernam Ita plundertochten in de Caraïbische Zee en kaapte een groot aantal Spaanse schepen. Ook een vloot van Adriaen Jansz. Pater en een pas gearriveerde vloot onder Jan Gijsbertsz. Booneter opereerden in 1630 onafhankelijk van elkaar in hetzelfde gebied, allen in de hoop de Tierra Firme zilvervloot te treffen. In augustus voegde Booneter zich bij Ita, die met nu rond de 24 schepen met tegen de 2000 opvarenden rond Havana ging patrouilleren om de zilvervloot op te wachten. Vanuit het fort werd op de schepen geschoten als ze dichtbij kwamen. Vanuit Havana uitgezonden schepen die de naderende zilvervloot moesten waarschuwen werden door de Nederlanders gekaapt. Toch liet de zilvervloot zich niet zien. Toen eind september het orkaanseizoen aanbrak en de voedselvoorraad opraakte besloten Ita en zijn scheepsraad om met 17 schepen terug naar de Republiek te gaan, terwijl Booneter met de rest van de vloot in de regio schepen bleef kapen. Het ontbreken van een maritiem steunpunt in de Caraïbische Zee voor bevoorrading en reparaties brak de Nederlanders hierbij op. Wellicht had Ita ook vernomen dat het de Tierra Firmevloot, onder bevel van Tomás de Larraspuru, inmiddels gelukt was om via een ongebruikelijke route de Nederlandse vloot te vermijden en ongezien naar Spanje te varen.
Duinkerker kapers miniatuur|Verovering van Pernambuco.