Emile van Konijnenburg Den Haag 7 oktober 1869 - Den Haag 27 april 1956) was een Nederlands waterbouwkundig ingenieur. Na de H.B.S. In Den Haag ging hij naar naar de Polytechnische School te Delft. Na in 1892 te zijn afgestudeerd als civiel ingenieur werkte hij in verschillende functies, afwisselend bij Rijkswaterstaat en in het Midden Oosten.

Familie Hij was de zoon van Willem van Konijnenburg, raad-adviseur van Financiën en hypotheekbewaarder van de registratie in 's-Gravenhage en Sara Louise Vrijthoff. Zijn broer was de schilder Willem Adriaan van Konijnenburg. Hij trouwde op 16 mei 1896 met Margaretha Amy Mees, met wie hij drie kinderen kreeg:

Willem, 8 maart 1807. Hij studeerde in 1920 af aan de TH in Delft, schreef in 1928  Eenige opmerkingen betreffende het stichten of ombouwen van polderbemalingen en promoveerde aldaar in 1929 met lof op Het beheer onzer waterschappen uit een economisch oogpunt beschouwd. Hij was tot 1942 werkzaam bij de Directie der Domeinen voor landaanwinningswerken te Ulrum. Hij verbleef van 1951 tot 1959 in Canada en was daarna werkzaam als leraar aan het Thomas More college in Den Haag Maria Johanna, 14 februari 1899, Emile, 19 oktober 1903, die werkte later op de afdeling handel van het Departement van Economische Zaken te Batavia. Vanaf 1939 is hij directeur geweest van de KLM. Van 1950 tot 1954 is hij ook tijdelijk president-directeur geweest van Garuda, tot in juli 1954 een definitieve (Indonesische) directeur werd benoemd. In Nieuw-Guinea is na de Tweede Wereldoorlog een scheepshelling in Manokwari gebouwd die de naam Van Konijnenburg-werf gekregen heeft. Deze werf is vermoedelijk genoemd naar ir. Cornelis van Konijnenburg (1890 -1970), administrateur van de Droogdok Maatschappij „Tandjoeng- Priok" N.V.,

Margaretha Amy Mees is op 12 juli 1932 overleden, hij is op 9 oktober 1934 hertrouwd met Sophie Carolina de Vries.

Eerste werkkring Na zijn afstuderen in 1892 trad hij in dienst van Rijkswaterstaat. Hij was van 1906 tot 1914 werkzaam bij de rivierverbetering van de Maas, Hij heeft van 1906 tot 1912 de functie vervuld van secretaris van de Nederlands-Belgische Maascommissie. Met name inzake de besluitvorming met betrekking tot het Julianakanaal heeft hij een belangrijke rol gespeeld.

Van 1914 tot 1928 was hij belast met de uitvoering van werken in het Suezkanaal; daartoe werd hem op 1 maart 1914 verlof verleend uit de rijksdienst. Hij zat dus ten tijde van de Eerste Wereldoorlog in Egypte. Zijn vrouw is in die tijd vanuit Nederland naar hem toegekomen, maar moest via New York en Batavia naar Suez reizen. Hij werkte onder andere aan de bouw van de haven van Suez. Hij ontwierp ook een dorp voor buitenlandse werknemers van de baggermaatschappij (Bos en Heyblom, nu Boskalis) en de werknemers voor de kanaalmaartschappij. Een aardige beschrijving hiervan wordt gegeven door Van Sandick naar aanleiding van zijn reis naar Nederlands-Indië. In 1921 werd hij benoemd tot adviseur bij de Nederlandse ambassade in Caïro. Ook werkte hij aan de havens van Jaffa, Haifa, Beiroet en Tripoli. Daarna ging hij naar Roemenië waar hij vanaf 1920 de regering adviseerde. Hij maakte hier plannen voor de bedijking van de Donau en ontwierp een oorlogshaven aan de Zware Zee in Baltsjik (nu in Bulgarije)

Terug in Nederland Terug in Nederland werd hij in 1930 benoemd als hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat belast met de verbeteringswerken van de Maas. Hij werd belast met de normalisatie van de Boven-Maas, de voltooiing van de scheiding van Maas en Waal, de plannen tot kanalisatie van de Maas van de Belgische grens bij Visé tot Venlo, met de plannen voor een lateraal kanaal van Maastricht tot Maasbracht, het tegenwoordige Julianakanaal, en het kanaal Wessem-Nederweert, alsmede de verbinding van Maas en Waal ten westen van Nijmegen, het Maas-Waalkanaal. Maar al in 1926 werd hij benoemd tot adviseur van de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen voor de Maasbrugkwestie in Maastricht.De hydraulische weerstand van de brug was te hoog, en daarom zijn er stemmen om die brug (de Sint Servaasbrug) te slopen (en te vervangen door een andere). Met name het culturele deel van de Maastrichtse bevolking onder aanvoering van Mathias Kemp, redacteur van 'De Maasbode' was daar sterk op tegen.

In 1936 werd hij voorzitter van de Nederlands-Egyptische kamer van koophandel.

De Schelde-Rijnverbinding miniatuur|Plannen voor de Schelde-Rijnverbinding, Plan G is het plan van Van Konijnenburg. Voor de Tweede Wereloorlog wilde hij de handelscontacten tussen Antwerpen en Rotterdam bevorderen door een betere vaarweg, maar door proctectionistische belangen kwam daar niets van terecht. Hij is na de Tweede Wereldoorlog ook actief geweest voor de realisering van de Schelde-Rijnverbinding. Er is vele jaren discussie gevoerd met België over zo'n verbinding. In 1948 is er een commissie benoemd onder voorzitterschap van prof. De Quay, waar ook Van Konijnenburg lid was. Voor deze commissie heeft hij een plan gemaakt voor een nieuwe Schelde-Rijnverbinding in de historische tussenwateren door het voormalige Kreekrak en langs de Eendracht tussen de Brabantse wal en Tholen. Met dit project werd tegemoetgekomen aan de Belgische verlangens naar een kortere weg voor de Antwerpse Rijnvaart, met vermijding van een Moerdijkkanaal dwars door West-Brabant (plannen A en B), dat buiten de traditionele vaarroute zou komen te liggen en waartegen vooral Rotterdam grote bezwaren koesterde. Het Moerdijkkanaalplan werd indertijd door de Eerste Kamer afgewezen. Van Konijnenburg bood zijn oplossing aan als een middel om uit het slop te geraken. Zijn bekendheid ook met de Belgische opvattingen, waartoe reeds sinds 1906 zijn secretariaat in de gemengde Nederlands-Belgische commissie voor de Maaskanalisatie had bijgedragen, had hem bij zijn conceptie geleid. Nog in 1911 getuigde hij na het verschijnen van het verslag van de eerste commissie-Van Cauwelaert-Steenberghe in een interview in de Telegraaf van zijn inzicht, dat de Nederlands-Belgische waterwegen controverse los van allerlei gevoeligheden, alleen was op te lossen op de grondslag van onderhandelingen, die het klassieke fifty-fifty in het oog hielden. Hij heeft met verzwaring van de Nederlandse belangen een politiek van wederkerigheid voorgestaan en het naar voren brengen van deze richtlijn mede in zijn concept voor de nieuwe Schelde-Rijnverbinding is zeker niet zijn geringste verdienste.

Onderscheidingen Hij is onderscheiden met verschillende gouden medailles en is benoemd tot ridder in de militaire orde van Nossa Senhora da Conceição de Villa Viços van Portugal, tot ridder in de orde van Oranje-Nassau en is later bevorderd tot officier in deze orde; verder is hij ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw, officier in de orde van de Kroon en de orde van Leopold II van België en in de orde van Koning George I van Griekenland en commandeur in de orde van de Ster van Roemenië.

Op 4 februari 1948 is hij gepromoveerd als doctor in de rechtsgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit te Utrecht op het proefschrift Roof, restitutie, reparatie. In 1949 is een Engelse vertaling uitgebracht met als titel Organised robbery.

Hij was een verdienstelijk tekenaar en schilder van landschappen en de broer van de schilder Willem Adriaan van Konijnenburg. Hij werkte mee aan verschillende tentoonstellingen onder andere de Entos te Amsterdam in 1913 en had de leiding over de Nederlandse Tentoonstelling in 1938 te Caïro.

Van Konijnenburg heeft ook veel gecorrespondeerd met historici en schrijvers. Deze manuscripten zijn in te zien in onder andere de bibliotheken van de universiteit Leiden en in de Koninklijke Bibliotheek.

Publicaties van Emile van Konijnenburg eindredacteur

- boek in drie delen, is ook in Nederlands, Frans en Duits verschenen

Categorie:Nederlands waterbouwkundige