Het Mariaschrijn (Duits: Marienschrein) is een dertiende-eeuws reliekschrijn in de Dom van Aken. Het schrijn werd vanaf circa 1220 vervaardigd en was in 1239 voltooid, waarna de relieken van Jezus, Maria en Johannes de Doper er plechtig in werden overgebracht. Daarnaast was het schrijn tot de negentiende eeuw de bewaarplaats van een met geheimzinnigheid omgeven kistje, aangeduid als noli me tangere ("raak me niet aan"), dat in de Tweede Wereldoorlog verloren ging. Het rijk versierde Mariaschrijn markeert de overgangsperiode van de romaanse naar de gotische stijl. Het geldt als een hoogtepunt van Maaslandse edelsmeedkunst in de middeleeuwen.
Geschiedenis Relieken van Maria in Aken Hoe het domkapittel van Aken aan de vier textiele relieken van Jezus, Maria en Johannes de Doper is gekomen, is niet bekend. Vermoed wordt dat ze al sinds de tijd van Karel de Grote (ca. 800) in bezit zijn van de Akense Mariakerk, die gebouwd werd als hofkapel van de Akense koningspalts.Lepie/Minkenberg (2010), pp. 104-105. Hoe de relieken voor 1239 werden bewaard is evenmin bekend.
Totstandkoming van het schrijn Aan het Mariaschrijn is vermoedelijk ongeveer twintig jaar gewerkt (ca. 1220-1239). Dendrochronologisch onderzoek heeft uitgewezen dat de eik, waaruit de planken gezaagd werden om de kist te maken, in 1210 geveld werd. Het schrijn was in 1220 al in de maak, toen het voor het eerst vermeld werd als "capsa ad laudem beatae Virginis" (kist ter ere van de maagd Maria). Daaruit blijkt tevens dat het schrijn van den beginne bedoeld was als Mariaschrijn, ook al zijn niet alle relieken van haar afkomstig en hebben de meeste reliëfafbeeldingen betrekking op haar zoon.Beissel (1883), pp. 25. Vermoed wordt dat na de voltooiing van het Karelsschrijn in 1215, een van de oudere edelsmeden verder ging met het Mariaschrijn in dezelfde romaanse stijl, terwijl een jongere edelsmid de reliëffiguren ontwierp, die al een gotisch karakter dragen. De Nederlandse kunsthistoricus Joseph Timmers meende zelfs dat het schrijn in twee gescheiden periodes tot stand kwam: van ca. 1215 tot 1200 en, na een onderbreking van tien jaar, van 1230 tot 1238.Timmers (1971), p. 363.
Op 19 maart 1239 werden de relieken van Jezus, Maria en Johannes de Doper plechtig overgebracht van het oude naar het nieuwe schrijn, dat daarna een plaats kreeg in het Karolingische koor aan de oostzijde van het octagoon, de voormalige hofkapel van Karel de Grote. Vermoedelijk was het schrijn gewoonlijk aan het oog onttrokken door een houten omhulling, de capsa, zoals ook bij andere schrijnen het geval was. Slechts op bepaalde feestdagen werd de capsa geopend of weggenomen.Kroos (1985), p. 308. In 1414 verhuisde het schrijn, samen met het Karelsschrijn, naar het pas voltooide gotische koor van de dom, waar het nog steeds staat.
Heiligdomsvaarten thumb|Pelgrimsformulier uit Aken, 1711. Links een reliekentoning vanaf de torengalerij; rechtsboven de vier textiele relieken De relieken van Jezus, Maria en Johannes de Doper (zie § Inhoud) worden sinds het pestjaar 1349 elke zeven jaar uit het schrijn gehaald en tentoongesteld aan het publiek en pelgrims als onderdeel van de heiligdomsvaart van Aken. Het tonen van de relieken (Duits: Heiltumsweisung) gebeurde vanaf de torengalerijen, waarbij de pelgrims vanaf de Münsterplatz toekeken. Deze traditie is eind twintigste eeuw gestopt in verband met de kwetsbaarheid van de relieken. De reliekentoningen vinden thans plaats in de Dom zelf en tijdens ommegangen.
Restauraties Eeuwenlange slijtage, onder andere door aanraking van pelgrims, hadden aanzienlijke schade toegebracht aan het schrijn. Het verguld zilver was aangetast, sommige delen waren losgeraakt en andere waren slechts opgelapt en vertoonden deuken, scheuren en gaten. Daarom werd het schrijn van 1989 tot 2000 gerestaureerd in de eigen edelsmidse van de Dom. Het schrijn werd gedemonteerd en de meer dan 3000 onderdelen werden gereinigd, geconserveerd en indien nodig gerestaureerd. De diverse fasen van de restauratiewerkzaamheden werden door de Westdeutscher Rundfunk (WDR) uitgezonden. Sinds maart 2000 staat het Mariaschrijn weer op zijn plaats in een vitrine op het koor van de Dom van Aken. Het wordt jaarlijks geïnspecteerd en, indien nodig, uit de vitrine gehaald en gereinigd. 'Der Marienschrein wird wieder auf Hochglanz poliert. Silberschmied Lothar Schmitt befreit das Kunstwerk vom Staub der Zeit' op heiligtumsfahrt2014.de, 22 oktober 2014 (gearchiveerde link).
Beschrijving Het schrijn is 184 cm lang, 54 cm breed en 95 cm hoog, en heeft de vorm van een langgerekt huis of eenbeukige kerk met een kort transept. De huisvorm is de traditionele vorm van schrijnen in de twaalfde en dertiende eeuw; de toevoeging van een transept met twee extra puntgevels betekende een vernieuwing. Het schrijn kreeg daarmee tevens de plattegrond van een Latijns kruis.Beissel (1883), p. 4. De eikenhouten kist is geheel bedekt met verguld zilveren platen, die met verschillende edelsmeedtechnieken zijn bewerkt, zoals drijf- en repousseerwerk, pointilleerwerk, filigraanwerk, stempelwerk, graveerwerk en gietwerk. Daarnaast zijn versieringen toegevoegd in de vorm van emailplaatjes, meestal van het champlevé-type, niëllo en edelstenen, waaronder enkele antieke gemmen en cameeën. De profileerde bodemplaat is rijk versierd met emailplaatjes, filigraanwerk, edelstenen en gestempelde bloemmotieven. Gegoten kammen en zeven opengewerkte sierknoppen sieren de daknok en de puntgevels. Het schrijn is vrijwel geheel bedekt met reliëfs. In totaal bestaat het kunstvoorwerp uit ruim 3.500 onderdelen, waarvan meer dan duizend edelstenen.
Korte zijden
De beide korte zijden of eindgevels van het schrijn hebben de grondvorm van een puntgevel. Langs de dakranden van de gevels lopen gestempelde of gegoten sierkammen met spiraalvormige plantenmotieven. De kammen worden bekroond door grote, opengewerkte sierknoppen (waarvan het schrijn er zeven heeft, op regelmatig afstand van elkaar op de nok geplaatst). Onder de dakranden bevinden zich sierlijsten met afwisselend emailplaatjes en plaatjes met filigraanwerk en ingelegde edelstenen. De gevels worden gedomineerd door grote drielobbogen (of klaverbladbogen), die op dezelfde wijze versierd zijn als de sierlijsten langs de dakranden. De bogen rusten op viervoudig samengestelde zuiltjes. Van de vier zuiltjes zijn alleen de twee voorste versierd met stempel- of graveerwerk. De kapiteeltjes zijn in Korinthische stijl gedecoreerd met acanthusbladeren; de basementen hebben hoekversieringen. In de nisvormige ruimtes onder de drielobbogen bevinden zich beelden in haut-reliëf. De achtergrond wordt gevormd door gestempelde platen met een ruitvormig patroon, dat ook te vinden is op het iets oudere Driekoningenschrijn in Keulen en de vermoedelijk jongere schrijnen in Hoei (Onze-Lieve-Vrouweschrijn) en Stavelot (Remaclusschrijn).
De bijna vrijstaande reliëfbeelden van Jezus en paus Leo III zijn van gedreven en gerepousseerd zilver, dat daarna verguld is en versierd met filigraan en inlegwerk. Beide figuren zitten op een troon, die geplaatst is op een halfrond platform dat vrij ver uitsteekt buiten de gevel van het schrijn. Christus is weergegeven als redder van de wereld (Salvator Mundi). Hij draagt een rijk versierd gewaad en een even rijk versierde kroon. In zijn linkerhand houdt hij een gladde bol, de wereldbol voorstellend. Met zijn rechterhand maakt hij een zegenend gebaar op Latijnse wijze (met drie opgestoken vingers ten teken van de Drie-eenheid). Het Christusbeeld is omgeven door Latijnse inscripties in Gotische majuskels op geëmailleerde stroken verguld zilver. De keuze voor paus Leo III op de tegenoverliggende gevel is enigszins verrassend; men zou hier eerder Maria verwachten.
Paus Leo III, de paus die Karel de Grote in 800 tot keizer kroonde en vijf jaar later de voltooide Paltskapel zou hebben gewijd,Kroos (1985), pp. 321-322 noot 95. zou men eerder op de transeptgevel tegenover Karel de Grote verwachten. De paus is afgebeeld in lang gewaad met pallium, een hoofddeksel in de vorm van een afgeknotte kegel (mogelijk een voorganger van de pauselijke tiara) en in zijn rechterhand een staf met aan het uiteinde een kruis. Boven zijn hoofd bevindt zich een Latijnse inscriptie.
Lange zijden
De lange zijden van het schrijn hebben aan beide zijden een architectonische opbouw van zeven geschakelde puntgevels met in het midden, waar zich het transept bevindt, een gevel die twee keer zo breed en twee keer zo hoog is als de andere. Onder elke puntgevel bevindt zich een nis met daarin een beeldje in haut-reliëf van gedreven en verguld zilver. De nissen worden van elkaar gescheiden door aan de ene zijde enkelvoudige, aan de andere zijde drievoudig samengestelde zuiltjes met basementen en kapitelen. De twee middelste van de geschakelde puntgevels hebben dezelfde opbouw als de hierboven besproken kopgevels aan de korte zijden van het schrijn.
De beeldjes stellen de twaalf apostelen voor met in hun midden een voor het Akense domkapittel belangrijke heilige. De zijde met Karel de Grote wordt aangeduid als Karelszijde. De andere zijde met de patroonheilige van de dom, Maria, wordt Mariazijde genoemd. Alle apostelen en heiligen zijn zittend afgebeeld met attributen en namen. Aan de Karelszijde is de volgorde, van links naar rechts: Johannes, Bartolomeüs, Mattias, Karel de Grote, Jakobus de Mindere, Matteüs en Judas Taddeüs(?). Aan de Mariazijde is de rangschikking als volgt: Simon, Judas Taddeüs(?), Petrus, Maria (Madonna met kind), Paulus, Andreas en Filippus.
Maria met het kind Jezus is op typisch Maaslandse wijze afgebeeld als Sedes sapientiae, hoewel veel minder stijf dan veel twaalfde-eeuwse versies. Volgens Timmers doet hier een nieuwe sculpturale stijl (de gotiek) zijn intrede. Moeder en kind zijn beiden gekroond. Maria houdt in haar linkerhand een bol, die tot het midden van de negentiende eeuw een kruis bevatte. Het kind Jezus kreeg bij een restauratie eveneens een bol, die bij een latere restauratie weer verwijderd is. Onder Maria's voeten kronkelt een gehoornde slang. Rondom haar aureool bevindt zich een fragmentarisch bewaard gebleven inscriptie. Op de tegenoverliggende gevel is Karel de Grote afgebeeld, gekroond, met koningsmantel, met in zijn rechterhand een scepter en in zijn linkerhand een niet geheel correcte maquette van de dom/paltskapel. Zowel de kroon als de maquette zijn negentiende-eeuwse toevoegingen.Beissel (1883), pp. 24-25. Ook hier is een incomplete inscriptie aanwezig.
Dakreliëfs De dakvlakken zijn voorzien van verguld zilveren bas-reliëfs, die twintig scènes uit het leven van Jezus uitbeelden. Ook de qua vorm lastige vlakken bij de transepten zijn door de kunstenaar(s) bij het verhaal betrokken. Al in 1883 stelde Stephan Beissel vast dat de verschillen − hij telde er dertien!− tussen de reliëfs op beide zijden van het schrijn dermate groot zijn, dat ze onmogelijk aan dezelfde kunstenaar kunnen worden toegschreven. Verschillen zijn er onder andere in de weergave van kledingplooien en haren (Karelszijde: strak, parallel; Mariazijde: naturalistisch), zuiltjes (Karelszijde: enkelvoudig, achtkantig; Mariazijde: dubbel, rond) en de engelen tussen de drielobbogen (Karelszijde: strak, min of meer identiek; Mariazijde: levendig, groter, individualistischer).Beissel (1883), pp. 6-9.
De reliëfs zijn op de beide dakgevels als volgt gerangschikt:Beissel (1883), pp. 28-33.