Joseph Glasco (Pauls Valley, Oklahoma, 19 januari 1925 – Galveston, Texas, 31 mei 1996) was een Amerikaans schilder, tekenaar en beeldhouwer, beschouwd als een van de meest veelzijdige en eigenzinnige stemmen van de naoorlogse Amerikaanse avant-garde. Hij behoorde tot de generatie die het Abstract Expressionisme — de eerste autonome Amerikaanse kunstbeweging van internationale betekenis — vorm gaf vanuit New York in de late jaren 1940 en vroege jaren 1950. Op 25-jarige leeftijd werd Glasco opgenomen in de vaste collectie van het Museum of Modern Art (MoMA) te New York, waarmee hij de jongste kunstenaar ooit werd die die eer ten deel viel. In 1952 nam hij deel aan de historische groepstentoonstelling Fifteen Americans in het MoMA, naast Jackson Pollock, Mark Rothko, Franz Kline en Clyfford Still — een mijlpaal in de erkenning van de Abstract Expressionistische beweging. Zijn werk bevindt zich in meer dan dertig vooraanstaande museumcollecties wereldwijd.

Vroege leven en opleiding

Joseph Glasco werd geboren in Pauls Valley, een kleine stad in het zuiden van Oklahoma, op 19 januari 1925. Zijn vroege artistieke vorming vond plaats aan de Art Students League of New York, de instelling die ook centrale figuren als Jackson Pollock, Lee Krasner en Barnett Newman had opgeleid — een gegeven dat de generationele en institutionele context van de New York School onderstreept. Hij studeerde eveneens aan de Universiteit van Houston, Texas.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende Glasco in het Amerikaanse leger en nam hij deel aan de Slag om de Ardennen (1944–1945), een van de zwaarste gevechten aan het westelijk front. Hij werd onderscheiden met de Bronze Star. De oorlogservaring — de confrontatie met vernietiging, vergankelijkheid en menselijke veerkracht — heeft diepgaande sporen nagelaten in zijn latere beeldtaal, die voortdurend oscilleert tussen lichtheid en duisternis, tussen vorm en ontbinding.

New York en de opkomst van het Abstract Expressionisme

Na de oorlog vestigde Glasco zich in New York, waar hij al vroeg doordringt tot de binnenste kring van de New York School. De sleutelfiguur in deze introductie was de Filipijns-Amerikaanse kunstenaar Alfonso Ossorio (Manilla, 1916 – New York, 1990), zelf een fascinerende randfiguur van het Abstract Expressionisme, bekend om zijn met hars en gevonden materialen verrijkte assemblages. Ossorio, die nauwe banden onderhield met Jackson Pollock en Jean Dubuffet, stelde Glasco voor aan de kern van de beweging: Pollock, Lee Krasner, Willem de Kooning, Franz Kline en anderen die bijeenkwamen in de galeries en ateliers van Lower Manhattan en de Hamptons.

In 1950, op vijfentwintigjarige leeftijd, verwierf het MoMA een werk van Glasco voor zijn vaste collectie — een uitzonderlijke erkenning voor zo'n jonge kunstenaar. In 1952 selecteerde curator Dorothy Miller hem voor Fifteen Americans, een tentoonstellingsproject dat de internationale legitimiteit van het Abstract Expressionisme definitief vestigde. De deelnemers — naast Pollock, Rothko en Still ook William Baziotes en Elaine de Kooning — vertegenwoordigden het beste van een generatie die de kunstwereld had heroriënteerd van Parijs naar New York.

Parijs en Studio Paul Facchetti

In 1952 reisde Glasco naar Parijs, waar hij exposeerde bij Studio Paul Facchetti, de galerie die in de vroege jaren vijftig fungeerde als het brandpunt van de lyrische abstractie in Europa. Facchetti — fotograaf, gallerist en scherpzinnig promotor — had in zijn studio aan de Rue de Lille een unieke ontmoetingsplaats gecreëerd waar de transatlantische dialoog tussen de New York School en de Europese avant-garde tot stand kwam. Het was bij Facchetti dat ook Jean Dubuffet exposeerde, evenals kunstenaars uit de kring van de Art Informel en de Tachisme — stromingen die inhoudelijk verwant waren aan wat in New York als Abstract Expressionisme werd aangeduid.

In de Parijse kunstwereld van het begin van de jaren vijftig woedde een debat tussen twee vormen van abstractie: de geometrische of analytische abstractie, vertegenwoordigd door de Galerie Denise René, en de lyrische of expressionistische abstractie, waarbij Facchetti aan de zijde stond van kunstenaars als Pierre Soulages, Georges Mathieu en Hans Hartung. Glasco's aanwezigheid in dit milieu plaatst hem op het kruispunt van de Amerikaanse en Europese naoorlogse avant-garde — een positie die hij deelde met tijdgenoten als Sam Francis en Ellsworth Kelly, die in dezelfde periode in Parijs werkten.

De verbinding met Facchetti is bijzonder relevant voor een Nederlandse kunstgeschiedenislezer: het was via dezelfde Parijse circuits — en door dezelfde spanning tussen geometrische en expressionistische abstractie — dat Karel Appel na zijn vertrek uit Amsterdam in 1950 zijn internationale reputatie opbouwde. Appel, die de Cobra-beweging had helpen oprichten (1948) en wiens controversiële wandschildering Vragende Kinderen in het Amsterdamse stadhuis hem tot persona non grata had gemaakt in Nederland, vond in Parijs de ontvangst die hem thuis werd ontzegd. Bij Studio Facchetti en de omringende galeries bewoog hij zich in hetzelfde milieu als Glasco, al ontmoetten zij elkaar vermoedelijk niet direct. De parallelle trajecten illustreren hoe het naoorlogse Parijs — en specifiek de kring rond Facchetti en Michel Tapié — functioneerde als een gemeenschappelijk knooppunt voor kunstenaars uit New York en Amsterdam.

Mexico en de Latijns-Amerikaanse avant-garde

In 1948, vóór zijn doorbraak in New York, reisde Glasco naar Mexico, waar hij werkte in de artistieke milieus van Mexico-Stad en San Miguel de Allende. Hij sloot vriendschap met Rufino Tamayo, de Zapotekische schilder uit Oaxaca die — anders dan de grote muralists Rivera, Orozco en Siqueiros — een kosmopolitische, formeel geïnformeerde kunst beoefende die de grenzen tussen Latijns-Amerika en de internationale moderniteit doorbrak. Tamayo exposeerde veelvuldig in New York en Parijs en was voor Glasco een intellectuele gesprekspartner die hem hielp zijn eigen positie ten opzichte van figuratie en abstractie te bepalen.

De Mexicaanse periode verdiepte Glasco's interesse in archaïsche en pre-Columbiaanse vormen, volkskunst en de spanning tussen figuratief bewustzijn en abstracte structuur — thema's die ook in de Cobra-beweging centraal stonden. De Cobra-kunstenaars, en Karel Appel in het bijzonder, putten eveneens uit niet-westerse en 'primitieve' bronnen als tegenwicht tegen de Europese academische traditie. Glasco's Mexicaanse ervaringen voeden aldus een vergelijkbare behoefte aan visuele oorspronkelijkheid die vrij is van het gewicht van de Europese canon.

Cy Twombly en de Griekse archipel

Een van de meest literair en kunsthistorisch rijke relaties in Glasco's leven was zijn vriendschap met Cy Twombly, de Virginiaanse schilder en beeldhouwer wiens werk — doordrenkt met klassieke mythologie, Griekse en Romeinse epigrafie, en de tradities van het geschreven teken — een geheel eigen positie innam binnen en voorbij het Abstract Expressionisme. Omstreeks 1961 ontmoetten de twee kunstenaars elkaar op Mykonos, het Griekse eiland in de Cycladen dat in die jaren fungeerde als een informele bijeenkomstplaats voor westerse kunstenaars, schrijvers en intellectuelen die de mediterrane cultuur opzochten.

Twombly had zich in 1957 definitief in Rome gevestigd, maar reisde veelvuldig door de Griekse wereld, waarvan de visuele en tekstuele erfenis — graffiti, inscripties, mythische cyclussen — de semantische grondstof vormde voor zijn iconische werk van de jaren 1960 en 1970. De ontmoeting met Glasco op Mykonos vertegenwoordigt een moment waarop twee van de meest eigenzinnige figuren van de naoorlogse Amerikaanse kunst elkaar vonden in een omgeving die voor beiden resoneerde: de archaïsche, zonneverbrande ruimte van de Egeïsche wereld als tegenwicht tegen de stedelijke intensiteit van New York en Rome.

De vriendschap bood Glasco intellectuele aansluiting bij Twombly's kunsthistorisch bewuste en literair geladen beeldwereld, ook al bleven de visuele talen van beide kunstenaars onderscheiden: waar Twombly het teken, de inscriptie en de mythische naam centraal stelde, bleef Glasco primair een schilder van de menselijke gedaante en het emotionele gebaar.

Aziatische reis en de sarong

In 1985 ondernam Glasco samen met de neo-expressionistische schilder Julian Schnabel een uitgebreide reis door Azië: Japan, Taiwan, Hongkong, Singapore, Java, Bali, Maleisië, Thailand, Cambodja en Nepal. De reis had een transformatieve uitwerking op zijn werkwijze. Op Bali ontdekte Glasco de sarong — het traditionele Indonesische kledingstuk — en adopteerde het als zijn dagelijks werkkledij. Voor de rest van zijn leven schilderde hij in een sarong: een gebaar dat zijn doorlopende zoektocht naar directe, onbemiddelde lichamelijkheid in de artistieke praktijk symboliseert, verwant aan de expressionistische opvatting van het schilderen als fysieke en rituele handeling.

Hetzelfde jaar maakte Glasco een reis naar Japan, waar hij in aanraking kwam met het Kabuki-theater en in het bijzonder met de kunst van de onnagata-acteur Bandō Tamasaburō V, wiens transformatieve vertolkingen van vrouwelijke rollen hem diep troffen. De indruk resulteerde in Screen (1983), een monumentaal tienpanelig werk in de collectie van het Museum of Fine Arts Houston — een van de meest ambitieuze werken uit zijn latere oeuvre, dat de esthetiek van het Japanse kamerscherm verbindt met de schaal en intensiteit van het Abstract Expressionisme.

Julian Schnabel en de neo-expressionistische erfenis

De vriendschap tussen Glasco en Julian Schnabel — die in de vroege jaren tachtig doorbrak als het meest spraakmakende talent van de neo-expressionistische beweging, met zijn beroemde 'gebroken-bord-schilderijen' en een internationale aanwezigheid bij galeries als Mary Boone en Leo Castelli — verbindt Glasco's werk met de volgende generatie Amerikaans expressionisme. Schnabel droeg zijn film Basquiat (1996), een portret van de neo-expressionistische schilder Jean-Michel Basquiat, op aan Joseph Glasco — een eerbetoon dat zijn betekenis voor de jongere generatie kunstenaars bekrachtigt.

De relatie tussen Glasco, Schnabel en Basquiat tekent een continuïteit in de Amerikaanse expressionistische traditie: van de Abstract Expressionisten van de late jaren 1940 via de neo-expressionisten van de jaren 1980 naar de wilde, grafisch-geëxpresseerde energie van Basquiat. In dit perspectief fungeert Glasco als een scharnierfiguur — te jong om tot de eerste generatie te behoren, maar te vroeg gevormd om simpelweg neo-expressionist te zijn.

Stijl en beeldtaal

Het werk van Glasco weerstaat eenvoudige categorisering. Zijn vroege werk vertoont figuratieve tendensen die verwant zijn aan het surrealistische surrealisme en het biomorfe abstraheren dat ook bij Arshile Gorky en de jonge de Kooning zichtbaar is. In zijn middagperiode evolueert hij naar een gestische abstractie die de spanning tussen het menselijk lichaam en pure vormdynamiek onderzoekt. Zijn late werk — geschilderd in de sarong, doordrenkt van de visuele herinneringen aan zijn Aziatische reizen — betoont een verhoogde zintuiglijkheid en een rijker koloriet.

Doorheen zijn gehele loopbaan bleef Glasco een even begenadigde tekenaar als schilder. Zijn tekeningen — uitgevoerd in potlood, inkt en pastel — worden door critici beschouwd als zelfstandige meesterwerken die zijn opmerkelijke capaciteit tot directe, expressieve lijnvoering demonstreren. Naast schilderijen en tekeningen vervaardigde hij ook beeldhouwwerken, waarmee hij een driedimensionale dimensie toevoegde aan een reeds uitzonderlijk veelzijdig oeuvre van meer dan negenhonderd werken.

Museumcollecties

Het werk van Joseph Glasco bevindt zich in de collecties van meer dan dertig internationale musea, waaronder:

Museum of Modern Art (MoMA), New York Whitney Museum of American Art, New York Museum of Fine Arts Houston Menil Collection, Houston