Marie Jeanne Wilhelmine Francisca (Jeannot) Peeters (Hasselt, 30 mei 1909 – 20 januari 1996) was een Belgische schilderes, vooral bekend om haar bloemstukken, stillevens, Kempische landschappen en haar rol binnen het Limburgse kunstleven in de 20e eeuw.

Biografie Jeannot Peeters werd geboren in Hasselt als dochter van Jan Rudolf Antoon Peeters (Hasselt, 28 februari 1883 - 3 januari 1955) en Catharina Hubertina Michiels (Hasselt, 19 januari 1880 - 27 april 1966). Ze had één oudere zus, Maria Antoinette Jeanne Rudolphe Peeters (Hasselt, 1907 - april 1973) en woonde vanaf 1949 op de Thonissenlaan 38 in Hasselt, waar ze ook haar atelier vestigde.

Jeannot Peeters bleef ongehuwd en had geen kinderen.

Opleiding en artistieke ontwikkeling Peeters studeerde aan de Academie voor Schone Kunsten van Hasselt en vervolmaakte zich bij Lucien Nolens (1897-1954), Gaston Wallaert (1989-1954), Ludovic Janssen (1888-1954) en vooral Charles Wellens (1989-1958). Onder zijn invloed schilderde ze aanvankelijk Kempische landschappen, boerderijen, stillevens en bloemen.

Peeters gaf de voorkeur aan het schilderen van natuurtaferelen onder invloed van de seizoenen van het jaar.

Gaandeweg ontwikkelde ze een eigen stijl; minder verbonden aan haar leermeesters met lichter kleurgebruik en meer nadruk op licht en atmosfeer.

Werk en thematiek Haar oeuvre omvat bloemstukken, stillevens, Kempische landschappen, interieurs en devotionele schilderijen.

Ze werd beschouwd als de 'huisschilderes' van Bokrijk maar schilderde ook op tal van andere plaatsen in Limburg zoals Haspengouw en de Kempen. Peeters liet zich vooral inspireren door wat er te zien was.

Tentoonstellingen Vanaf 1946 stelde Peeters regelmatig tentoon in Hasselt, onder meer bij de kunstkring Pro Arte, in lokale galerijen en in haar eigen atelier. Ze exposeerde ook in Brussel, Luik, Nederland, Frankrijk, de Verenigde Staten en Congo (toenmalige Zaïre).

Stijlontwikkeling Doorheen de jaren evolueerde haar stijl aanzienlijk.

In haar vroege jaren (1940–1950) werd Peeters' werk sterk beïnvloed door de schilderstijl van haar leermeester Charles Wellens. In deze periode schilderde ze vooral luministische landschappen en maakte ze gebruik van een rijk kleurpalet.

Vanaf 1950 matigde haar stijl en ging Peeters over tot het gebruik van meer serene tonen, een soberder palet en legde ze vooral de nadruk op het weergeven van atmosfeer.

Verder in de jaren 1950 en 1960 introduceerde Peeters een lichter en vrouwelijker kleurgebruik. Dit kwam vooral tot uiting in haar bloemstukken die ze met genuanceerde penseelvoering in beeld bracht.

Na 1960 vertoont haar werk een impressionistisch karakter. Ze schilderde met een grotere technische beheersing en zuiverder kleurwerking.

Haar bloemstukken werden geprezen om hun evenwicht tussen realisme en persoonlijke gevoeligheid.

Nalatenschap Peeters liet een zeer groot oeuvre na. Veel werken bevinden zich in privécollecties en Het Stadsmus heeft tien schilderijen in zijn collectie. Hoewel haar erkenning na haar overlijden afnam, wordt ze beschouwd als een belangrijke vertegenwoordiger van de Limburgse schilderkunst.

Bronnen en referenties

Categorie:Belgisch kunstschilder