Evert Ludolf van Heeckeren van Waliën (Zutphen, 30 November 1784 – Curaçao 15 juni 1838) was van 1831 tot 1838 gouverneur van Suriname als kolonie van het Koninkrijk der Nederlanden.

Privé leven Van Heeckeren van Waliën was geboren als lid van de adellijke familie Van Heeckeren van Waliën, die in Gelderland veel regionale macht hadden. Hij trouwde op 9 december 1810 te Zutphen met Petronella Susanna Helena Lulofs en kreeg met haar 2 kinderen voor haar vroegtijdig overlijden in 1822. Zijn oudste zoon, Ludolf Anne Frederik Hendrik van Heeckeren van Waliën, zou later relevante posten binnen het gemeentebestuur van Zutphen bekleden. Evert trouwde later in zijn leven nog met Henriette Elisabeth Ising, maar dit huwelijk bleef kindsloos toen hij een aantal maanden daarna, op weg terug naar Nederland, op 15 juni 1838 op Curaçao overleed.

Loopbaan Opleiding Van Heeckeren van Waliën was van adellijke komaf. Adellijke families in Nederland hadden minder geformaliseerde privileges ten opzichte van andere Europese staten, zeker tijdens de periode van de Bataafse Republiek tot en met het Congres van Wenen toen lokale elites ruimte moesten maken voor centraal Frans gezag. Toch waren Adelijke families vaker betrokken bij provinciaal bestuur, en vervulden ze relatief vaker rollen als gouverneurs, hoge militaire posities, en diplomatische rollen. Hoogstwaarschijnlijk via dit adellijke elitenetwerk wist onder leiding van hoogleraar en rechtsgeleerde Joan Melchior Kemper, die later een belangrijke rol zou spelen in de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden, te komen. Hij noemde hem zijn favoriete leerling. In 1808 werd hij benoemd tot schepen, een ambtenaar die ordelen uitsprak in rechtszaken. Na meerdere promoties binnen het juridisch vakgebied weigerde hij een aanbod om hoogleraar rechten in Groningen te worden., Rijksmuseum)

Begin koloniale carrière In 1821 vertrok hij naar Suriname om daar raadfiscaal te worden. Dit was een van de hoogste juridische posities binnen het koloniaal bestuur. Rond 1828 besloot de Nederlandse regering de bestuurlijke structuur van haar koloniën aan te passen, om efficiënter en overzichtelijker te zijn en zodat er meer controle vanuit Nederland was. In dit nieuwe systeem was hij procureur-generaal, met praktisch hetzelfde portefeuille, maar nu handelde hij onafhankelijk van de gouverneur waardoor de Nederlandse staat meer directe invloed kon uitoefenen.

Op 19 december 1831 nam hij de bevoegdheden van gouverneur-generaal over nadat zijn voorganger, Paulus Roelof Cantz'laar, was overleden. Geschreven wordt dat zijn verschillende ambtelijke posten door de jaren heen hem met alle standen van de toenmalige samenleving in contact hebben gebracht, wat hem een uiterst geschikte kandidaat voor deze positie maakt. Op 6 maart 1832 werd hij officieel benoemd tot gouverneur-generaal door de koning., nationaal archief)

Cojo branti Later dat jaar kwam hij al voor zijn eerste uitdagingen te staan, er brak in Paramaribo een grote brand uit die later bekend geworden is als de cojo branti. Inmiddels was vrijwel het gehele stadshart afgebrand. Branden komen in Paramaribo tot op de dag van vandaag vaak voor door het tropische klimaat en de houten bouwstijl, maar ik dit geval was er sprake van brandstichting. Het bleek uiteindelijk te zijn gedaan door een ex-slaafgemaakte. Op 26 januari 1833 werden de daders terechtgestaan. Uit angst voor de toenemende niet-blanke populatie en vrijgekomen slaafgemaakten met een afkeer tegen de Nederlandse handhavers werd er erg zwaar gestraft om toekomstige incidenten te voorkomen. (, Universiteit Leiden)

Internationaal conflict Ondertussen kampte Evert Ludolf vanuit Suriname ook met internationale druk. Na de Belgische Revolutie van 1830 was er veel spanning tussen het koninkrijk der Nederlanden en andere Europese grootmachten zoals het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk die de Belgische onafhankelijkheid steunden en Nederland en haar koloniën sancties oplegden. Met name het Verenigd Koninkrijk, met haal koloniale dominantie op zeeën, maakte Surinaams bestuur erg lastig. Nederlandse handelsschepen werden door Britten vastgehouden. Op 2 Januari 1833 besloot hij dan ook tot een embargo op alle Nederlandse schepen in Suriname, wat inhield dat Nederlandse schepen Suriname niet mochten verlaten en om verdere escalatie te voorkomen er gewacht moest worden op instructies vanuit Nederland. De gouverneur bereidde zich ook voor op een eventuele invasie en verhoogde militaire aanwezigheid op forten als fort Zeelandia en fort Nieuw-Amsterdam. Hij bereidde zich vooral voor op verdediging en een vredige capitulatie, wat erg tekenend is voor Nederlands machtspositie. Ondanks het embargo ging handel vanuit Suriname toch deels nog door. Op 18 Juli kwam er bericht vanuit Nederland dat de spanningen met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zodanig afgekoeld waren afgekoeld dat het embargo kon worden opgeheven, en daarmee was de crisissituatie voorbij.

Religieuze kwestie in suriname Tijdens de cojo branti waren zowel de Nederlandse Hervormde Kerk als de Evangelische-Lutherse Kerk hun kerkgebouw verloren. Een poging om beide gemeenschappen in een kerk te huisvesten faalde vanwege enorme verdeeldheid, in Nederland opereerden deze gemeenschappen toch vooral in afzonderlijke instituten. Ook de Katholieke kerk verloor een jaar eerder in een brand haar kerk. Uiteindelijk financierde het koloniaal bestuur alleen voor de hervormde kerk een nieuw gebouw door middel van een rentevrij voorschat, terwijl de Lutherse en Katholieke kerk geen financiële steun kregen. Zij konden door middel van donaties vanuit hun gemeenschap toch nieuwe gebouwen krijgen. Deze situatie weerspiegelt de religieuze verdeeldheid binnen Nederland die ook in de kolonie aanwezig was, en laat zien hoe de staat en de kerk zich tot elkaar verhouden door middel van financiële steun, en een bevoorrechte positie voor de Hervormde kerk.

Rustige periode als gouverneur en overlijden Hierna volgden veel rustige jaren, waarin het koloniaal bestuur een aantal regelingen doorbracht om de levenskwaliteit van armere kolonisten en vrijgemaakte slaven te verbeteren door middel van onderwijs en er werd geïnvesteerd in landbouwopleidingen voor vrij inwoners. Ook waren er twee militaire expedities tegen marrongemeenschappen van gevluchte tot slaaf gemaakten. In 1838 ging de gezondheid van van Heeckeren snel achteruit, en hij vroeg verlof aan om terug te keren naar Nederland. Op 5 juni 1838 vertrok hij naar curaçao om vanuit daar naar Nederland te kunnen gaan, maar overleed 10 dagen na zijn vertrek. Philippus de Kanter volgde hem op. ()

Bronnenlijst:

Nationaal Archief. (2021). Inventaris van het archief van de Gouverneur-Generaal der Nederlandse West-Indische Bezittingen, (1814) 1828-1845 (1846). Nationaal Archief. https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/1.05.08.01

Rijksmuseum. (1837). Portret van Evert Ludolf van Heeckeren van Waliën (Objectnummer RP-P-1904-2107). https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/object/Portret-van-Evert-Ludolf-van-Heeckeren-van-Walien--9a976dba37447aafa9881183491faa71?tab=data

Rijksmuseum. (1815). Johan Melchior Kemper (1776–1824), jurist en staatsman. Https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/object/johan-melchior-kemper-1776-1824-jurist-and-statesman--ff8bbbf1a34930287c6a6b62f1814d20

Smits, J. (2020). Cojo Branti: De invloed van de stadsbrand van 1832 op de raciale verhoudingen en stadsslavernij in Paramaribo in de eerste helft van de negentiende eeuw en de postkoloniale verandering in de Surinaamse herdenkingstraditie. Leiden University.

https://studenttheses.universiteitleiden.nl/handle/1887/87169

Categorie:Gouverneur van Suriname Categorie:Persoon in de 18e eeuw Categorie:Persoon in de 19e eeuw