De boog van Glaaien (Frans: arc de Glons) is een gedeeltelijk bewaard gebleven Merovingische rondboog, afkomstig uit de in 1901 afgebroken oude Sint-Victorkerk in de Belgische plaats Glaaien (Glons), bij Tongeren. De vijf boogsegmenten, mogelijk onderdeel van een triomfboog of portaal, en een drietal stenen met inscripties uit dezelfde kerk bevinden zich in de collectie van het museum Grand Curtius in Luik. Sinds 2019 behoren zeven van de acht stenen tot het beschermd roerend erfgoed van de Franse gemeenschap in België (biens classés de la Communauté française). 'Cinq claveaux ornés et deux pierres dédicatoires de Glons' op patrimoineculturel.cfwb.be, geraadpleegd 22 maart 2026 (gearchiveerde link).

Geschiedenis

De oude Sint-Victorkerk werd in 1888 aan de eredienst onttrokken en in 1901 afgebroken, enkele jaren na het gereedkomen van de nieuwe Sint-Victorkerk. Alleen de middeleeuwse kerktoren en de sacristie zijn bewaard gebleven en deze staan nu enigszins verloren midden op de begraafplaats. Onder de bouwfragmenten die bij de sloop gered werden, bevonden zich drie steenblokken met inscripties en drie gebeeldhouwde stenen. De oudste en belangwekkendste inscriptie was al eerder, in 1875, ontdekt in de westfaçade van de kerk door Paul Lohest, die er afdrukken van maakte die hij doorstuurde naar verschillende instanties. Over de inscripties schreef Georges Monchamp, vicaris-generaal van het Bisdom Luik, in 1901 een vrij gedetailleerd artikel in het Bulletin de la classe des lettres de l'Académie royale de Belgique. In hetzelfde jaar verscheen een artikel in de Gazette de Liège van J. Demarteau.Dasnoy (1953), p. 137. Tot de jaren 1950 was er nauwelijks aandacht voor de gebeeldhouwde stenen. Omstreeks 1953 verscheen een artikel van de kunsthistoricus André Dasnoy in Archaeologia Belgica, waarin zowel de inscripties als de reliëfs aan bod kwamen.Dasnoy (1953), p. 140.

Tweemaal ondernam de Société d'art et d'histoire van het Bisdom Luik pogingen om op het terrein van de voormalige kerk archeologisch onderzoek te laten verrichten in de hoop nog meer fragmenten te vinden, maar men slaagde er niet in subsidie te verkrijgen. Wel werden op initiatief van museumdirecteur Eugène Van Overloop gipsafgietsels gemaakt van alle stenen. Deze bevinden zich nog steeds in de collectie van de afgietselwerkplaats van het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel. Naar verluidt wenste Van Overloop dat de originelen in Brussel zouden blijven en Luik de kopieën zou krijgen, maar daar werd van Luikse zijde niet op gereageerd.Dasnoy (1953), pp. 140-141. Met de gipsafgietsels werd vervolgens in het Brusselse museum de boog van Glaaien gereconstrueerd. De ontbrekende delen werden aangevuld met in een vergelijkbaar patroon beschilderde elementen. Opvallend is het gebruik van de steen met de Crodoaldus-inscriptie als impost aan de rechterzijde van de boog, hetgeen niet onomstotelijk vast staat, maar wel waarschijnlijk is.

Pas omstreeks 1950 kwam er op initiatief van Jacques Breuer en abt Fréson nieuw onderzoek ter plaatse, wat leidde tot de vondst van twee nieuwe reliëfs. Eén daarvan was ingemetseld in een kerkhofmuur; de ander werd in de tuin van de pastorie aangetroffen. Alle stenen werden overgebracht naar het Bisschoppelijk Museum van Luik, het Musée diocésain de Liège. Daar stonden ze volgens foto's uit de jaren 1950 zonder bescherming op een hardstenen vloer in een lapidarium tussen andere architectuurfragmenten. In 1976 ging het Bisschoppelijk Museum op in het toen opgerichte Museum voor Religieuze Kunst en Maaslandse Kunst (Musée d'Art religieux et d'Art mosan), dat gevestigd was in de rue Mère-Dieu, tegenover het Museum van het Waalse Leven. Hier stonden de vijf gebeeldhouwde boogsegmenten − ook de kleinere, die vermoedelijk geen onderdeel is geweest van dezelfde boog − naast elkaar opgesteld op een gemetseld muurtje, dat ter plaatse van het kleinere segment met één steen verhoogd was. '5 claveaux d'arcade (inv.nr. GC.REL.01a.1937.30317)' op collections.liegemusees.be, geraadpleegd 22 maart 2026.

In 2009 opende het nieuwe museum Grand Curtius, waarin diverse musea waren samengegaan en waarin de collectie van het Museum voor Religieuze Kunst en Maaslandse Kunst een aparte afdeling vormde. In navolging van het Brusselse museum werden de vier grotere boogsegmenten uit Glaaien getoond als onderdeel van de gereconstrueerde boog, waarbij de ontbrekende delen waren aangevuld met wit geschilderde blokken kunststof. Het geheel, zonder de ondersteunende pijlers, had een hoogte van 409 cm, een breedte van 423,5 cm en een diepte van 50,5 cm. Anders dan de opstelling in Brussel, werd de voornaamste inscriptiesteen niet als impost in de boog opgenomen, maar op een aparte zuil onder de boog getoond. Anno 2026 is de boog, in afwachting van noodzakelijke funderingswerkzaamheden in een deel van het museum, geen onderdeel meer van de vaste opstelling.

Beschrijving Uit de gesloopte parochiekerk van Glaaien zijn in totaal acht blokken bewerkte steen in de collectie van het Bisschoppelijk Museum van Luik, en uiteindelijk in het Grand Curtius terechtgekomen: Vier boogsegmenten met decoraties maakten deel uit van een grote boog, mogelijk een triomfboog of de buitenste archivolt van een portaal (nrs. 1 t/m 4 in onderstaande fotogalerij). De decoraties bevinden zich aan twee zijden: aan de binnenkant van de boog en aan een van de zijkanten.Dasnoy (1953), p. 139. De stenen variëren in hoogte van 60 tot 63 cm, in breedte van 12 tot 67 cm en in dikte van 48 tot 50 cm. Een kleiner boogsegment met decoratie (nr. 5) maakte vermoedelijk deel uit van een kleinere boog, mogelijk de binnenste archivolt van een portaal. De steen meet 25 × 12 × 50 cm. 'Claveau d'arcade (inv.nr. GC.REL.01a.1937.018541)' op collections.liegemusees.be, geraadpleegd 22 maart 2026. Een steen met inscriptie diende mogelijk als impost van de grotere boog (nr. 6).Dasnoy (1953), p. 150. Deze steen was ingemetseld in de façade van de gesloopte kerk. De steen meet 63 × 48 × 20 cm. Het Latijnse opschrift luidt: FITÆRI TEMPORE SE / GOBERTO REGI CRODO/ALDUS FECIT. Vertaling: "Crodoaldus liet [dit monument] maken tijdens het bewind van koning Segobertus". Met Segobertus wordt vermoedelijk koning Sigibert III (ca. 630-656) bedoeld.

Twee andere stenen, waarvan er een vermoedelijk bij de kerkwijding is ingemetseld, bevatten eveneens inscripties. Deze stenen zijn beide 20 cm dik; de hoogte varieert van 60 tot 63 cm en de breedte van 48 tot 50 cm. De inscriptie van de kerkwijdingsteen luidt: + K OCTOBRIS DEDIKCI / 0 ISSTA HECCLESIE. Vertaald: "De inwijding van deze kerk vond plaats in [de kalendermaand] oktober". Mogelijk dateert deze inscriptie uit het midden van de 8e eeuw. De andere inscriptie is aanzienlijk jonger, vermoedelijk uit de 11e eeuw, en behoort niet tot het beschermd roerend erfgoed. De tekst luidt: HIC IACET BERNARDUS / CVMMVNI SORTE SE(PULTUS). Vertaling: "Hier ligt Bernardus, door het gewone lot begraven". Deze en twee andere stenen bestaan uit oölitische kalksteen, vermoedelijk uit Frankrijk afkomstig.Dasnoy (1953), pp. 138-139.

De zijvlakken van de boogsegmenten zijn versierd met bas-reliëfs. De non-figuratieve voorstelling is onderverdeeld in twee registers, gescheiden door een gedraaid koord dat oorspronkelijk ook langs de boven- en onderrand liep, waar het echter zwaar gehavend is. In het onderste register is een zaagtandachtig patroon te zien dat gevormd wordt door bladvormige chevrons. In het bovenste register bevindt zich een spiraalvormig patroon met gebladerte.

De binnenzijde van de boogsegmenten is gedecoreerd met vlechtwerk van geprofileerde, uit vier 'koorden' samengestelde banden, die elkaar om de veertig centimeter kruisen. In de aldus afgebakende vlakken bevinden zich rozetten met acht blaadjes, omgeven door een kroon van bloempjes en gebogen bladeren. Dit motief werd op de oorspronkelijke boog twaalf keer herhaald. Op één plaats (nr. 2) is een deel van een afwijkend patroon te zien, waar de banden een medaillon vormen, omringd door een band met zaagtandpatroon. Deze variant is vergelijkbaar met het afwijkend gedecoreerde fragment van de tweede boog, waarschijnlijk een sluitsteen. Volgens André Dasnoy was het medaillon van deze sluitsteen oorspronkelijk voorzien van een kruis, waarvan nog een geschubde arm is te zien. Het motief op het centrale medaillon van de grotere boog is niet meer zichtbaar.Dasnoy (1953), pp. 143-144.

Kunsthistorische analyse thumb|Gipsafgietsel Chrodoara-sarcofaag en 8e-eeuws reliëf uit Maastricht (rechts), beide in Centre Charlemagne, Aken (2022) André Dasnoy verbaasde zich in de jaren 1950 al over het feit dat in een kleine dorpskerk, zoals die te Glaaien, zulk voor die tijd ambitieus beeldhouwwerk te vinden was. Volgens de Nederlandse kunsthistoricus Joseph Timmers werd "van meet af aan [...] verondersteld, dat deze blokken secundair gebruikt zouden zijn en overgebracht uit een der nabijgelegen centra, Tongeren of Maastricht". De Duitse architectuurhistoricus Albert Verbeek poneerde in 1958 de stelling dat de Glaaiense reliëfs afkomstig waren van de Merovingische bisschopskerk van Maastricht, de voorganger van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek. Timmers merkte op dat deze theorie aannemelijker wordt door het gegeven dat het Maastrichtse Onze-Lieve-Vrouwekapittel tussen de 10e en 12e eeuw een deel van de patronaatsrechten over de kerk van Glaaien bezat.Timmers (1971), p. 11. De theorie heeft daarna, voor zover bekend, geen navolging gevonden.

Vergelijkbare voorbeelden van Merovingische bouwsculptuur zijn volgens Dasnoy in het Rijn-Maasgebied nauwelijks te vinden, ondanks het feit dat deze regio de bakermat was van de Karolingische dynastie, die in de loop van de achtste eeuw de macht zou overnemen in het Frankische rijk. Dasnoy noemde als enige vergelijkbare werkstuk de 7e- of 8e-eeuwse gebeeldhouwde pijlers in de Sint-Agathakapel van Hubinne (provincie Namen). Hij liet daarbij enkele losse Merovingische kapitelen buiten beschouwing. Daaraan kunnen nog minstens twee Merovingische of vroeg-Karolingische reliëfs worden toegevoegd, die enkele decennia na Dasnoys publicatie ontdekt werden: de in 1977 ontdekte sarcofaag van Chrodoara in de Sint-Joris-en-Sint-Odakerk in Amay en een begin jaren 1990 gevonden reliëf in Maastricht, dat vermoedelijk onderdeel is geweest van een koorafscheiding in de laat-Merovingische Sint-Servaaskerk. Vooral het vlechtbandmotief op het sarcofaagdeksel in Amay vertoont overeenkomsten met de Glaaiense reliëfs. Dit motief is ook terug te vinden in beeldhouwwerk uit die tijd elders in West-Europa, onder andere in Echternach en Metz. In Scandinavië handhaafde het vlechtbandmotief zich tot de elfde eeuw in de Jellingestijl, zoals onder andere op de Maastrichtse Vikinghoorn.

Zie ook Chrodoara-sarcofaag

Bronvermelding, noten

Categorie:Archeologische vondst in België Categorie:Bitsingen Categorie:Onderdeel van een kerkgebouw Categorie:Kunst van de 7e eeuw Categorie:Beeldende kunst in Wallonië Categorie:Cultureel erfgoed in Wallonië Categorie:Grand Curtius