thumb|Het landschap van de Oostelijke Grote Erg nabij Douz, Tunesië De Oostelijke Grote Erg is een erg in de Sahara, voornamelijk gelegen in het noordoosten van Algerije, maar ook deels in het zuiden van Tunesië. Het is de op een na grootste erg van Algerije, na de Erg Chech. De Oostelijke Grote Erg beslaat ongeveer 185.000 vierkante kilometer. Het grenst in het noorden aan de Atlas- en Aurèsgebergten in Algerije en de Djebel Dahar in Tunesië, en in het zuiden aan de Hamada- en Tademaitplateaus. Geschat wordt dat er ongeveer 20.000 mensen in het gebied wonen.
thumb|Kaart van Noordwest-Afrika, met boven in het midden de Oostelijke Grote Erg aangegeven als Grand Erg Oriental thumb|Zandduin bij Ksar Ghilane, Tunesië
Ontstaan en ontwikkeling Tegen het einde van het Plioceen, ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden, heerste in de Sahara een tropisch klimaat. In deze periode zetten grote rivieren grote hoeveelheden zand af in de bekkens van de Sahara. In het gebied van de Oostelijke Grote Erg ging het vanuit het zuiden om de Oued Igharghar, die in het Ahaggargebergte ontspringt. Vanuit het noorden en noordwesten werd het zand door verschillende rivieren van uit de Atlas- en Aurèsgebergten aangevoerd. In het Pleistoceen, ongeveer 1,6 miljoen jaar geleden, begon de vorming van de zandzeeën in de Sahara. Dit gebeurde met name gedurende droge periodes, wanneer het zand niet door planten werd vastgehouden, en de wind sterker was. Daardoor konden veel grotere duinen ontstaan als in het huidige klimaat mogelijk zou zijn. Door de noordoostpassaat werd het zand uit het gebied van de huidige Sjott Melrhir en Sjott el-Djerid verdreven, waardoor er daar geen duinen zijn.
Topografie thumb|Kaart van de Oostelijke Grote Erg De Oostelijke Grote Erg is voor ongeveer zeventig procent met zand bedekt. Een schatting van het zandvolume komt op ongeveer 3500 km³. Jaarlijks komt daar door de wind vanuit het noorden ongeveer 6 miljoen ton bij. Er is echter ook een zandverlies richting het zuiden. Met uitzondering van het zuidwesten kent de erg een positieve sedimentbalans, terwijl de ergen in het midden van de Sahara zand verliezen aan de zuidrand van de woestijn. Het zand in de erg bestaat voornamelijk uit kwarts, met weinig toermalijn en zirkoon. Aan de noordelijke en noordoostelijke rand van de erg zijn de korrels over het algemeen groter dan verder zuidelijk.
De grootte van de duinen neemt vanaf het noorden zuidwaarts geleidelijk toe. In het noordwesten bevinden zich lengteduinen, waarbij de kammen van het noordoosten naar het zuidwesten lopen. De duinen in het oosten, in Tunesië en rond de Algerijnse grens, zijn sikkelduinen, en samenhangende sikkelkammen, die zo een netpatroon vormen. Rond het zuidelijke deel van de Tunesische grens zijn er ongeveer vierhonderd koepelduinen, goed voor een oppervlak van ongeveer 2600 km².
De zuidelijke helft van de erg wordt gedomineerd door sterduinen. Deze liggen in een gebied van ongeveer 66.000 km², en is de grootste verzameling sterduinen ter wereld. In een gebied van ongeveer 27.000 km² in het zuidwesten van de erg zitten deze sterduinen ook op lengteduinen. Deze worden ook wel draa of megaduinen genoemd, en waren gedurende hun ontstaan gevoelig voor veranderingen in de wind. De grootste sterduinen hebben een diameter van 2,4 km en een hoogte van 230 m.
Tussen de duinenketens liggen de Gassi, door de voortgedreven deflatiecorridors van samengeperst reg (grind), zoals de Gassi Touil, die de oude loop van de Oued Igharghar volgt, of de Gassi El Mouilah, die beide tot 20 km breed zijn.
Hydrografie Er heerst een zeer droog klimaat, met een neerslag van ongeveer 60 mm per jaar in het noorden. Verder zuidwaarts daalt dit, tot 25 mm aan de zuidrand. In de ondergrond zit echter veel water opgeslagen. Het Aquifer Continental Intercalaire, een van de grootste aquifers ter wereld, huisvest zo'n 60.000 km³ grondwater en strekt zich uit over Algerije, Tunesië en Libië. Het grootste deel van dit water is fossiel, die tijdens de natte periodes in het Pleistoceen in de grond is gekomen.
Sinds het einde van de 20e eeuw wordt dit water op grote schaal door mensen gebruikt, onder andere voor de landbouw. Dit zorgt echter ook voor problemen, zoals een ander grondwaterpeil en een verslechterde waterkwaliteit.
Flora en fauna thumb|Drinngras thumb|Das Buch der Antilopen (1894): Gazella leptoceros Drinngras (Stipagrostis pungens) komt er veel voor, wat voor een goede weide voor gazelles en kamelen zorgt. De wolfsmelksoort Euphorbia guyonia komt ook veel voor, en helpt volgens de traditionele medicijnen tegen wratten, hoesten en schorpioensteken. Bij de struiken vindt men heidebrem, limonium en amarant. Ook zijn er vier soorten uit het geslacht Calligonum, die binnen de duizendknoopfamilie vallen. Drie van deze zijn struikgewassen van 1 tot 3 meter hoog. De vierde, Calligonum arich, groeit alleen op de hoge duinkammen, en kan met zijn boomachtige groei tot 10 meter hoog worden. Deze is een van de zeldzame endemische soorten van de Sahara die in deze erg voorkomt. Deze calligonums kwamen tot in de 20e eeuw veel voor, maar worden voornamelijk in Tunesië bedreigd door de houtkap. Een groot deel van dit hout wordt gebruikt voor houtskool.
Tussen 2006 en 2009 zijn er in beide landen inventariseringen geweest omtrent de zoogdieren die in de erg woonden: De duingazelles, die voorheen in veel duingebieden in het westen en midden van de Sahara leefden, kwamen minder voor, maar waren er nog het meest in het centrale deel van de erg. De dorcasgazelles werden niet gezien. Voorheen kwamen deze noordelijk van El Oued in het steppegebied voor. Daarnaast komen woestijnvossen, zandvossen en Kaapse hazen voor in het gebied.
Het Tunesische nationaal park Jebil is een beschermd natuurgebied natuurgebied van 1500 km² ongeveer 70 km ten zuiden van Douz. In dit park leeft er een groep mendesantilopen in een afgesloten gebied van 77 km², met als doel deze op den duur terug te zetten in de natuur.
Grondstoffen thumb|Aardolie- en -gaswinningfaciliteiten in het Algerijnse deel van de erg Vanaf 1960, nog onder het Franse koloniale bewind, werd in de regio rond Hassi Messaoud aardolie gewonnen. In 1961 volgde de aardgaswinning in Gassi Touil. De aardoliewinning is later naar het zuidoosten verschoven, met veel kleine olievelden rond zwaartepunt El Borma, die zowel door Algerije als Tunesië gefinancierd worden. Aan Tunesische zijde worden zuidoostelijk van El Borma concessies voor de aardoliewinning uitgegeven, verder zuidelijk ook voor aardgas.
Bewoning Direct aan de rand van de Grote Oostelijke Erg bevinden zich meerdere steden, die echter niet tot de erg zelf gerekend worden: El Oued, Touggourt en Hassi Messaoud in het westen, Nefta, Tozeur en Douz in het oosten. Binnen de erg is de meeste bewoning aan de Algerijns-Tunesische grens, met in Algerije Taleb Larbi (4500 inwoners in 2020), Emih Echikh (640), Douar El Ma (3700) en El Borma (3700), en in Tunesië Hazoua (6186) en Matrouha (970).
Verkeerswegen thumb|Weg door het duingebied De oude karavaanroutes gingen waar mogelijk al door het duingebied. In de moderne tijd zorgt de instabiele zandbodem en het vliegende zand een probleem op de wegen. Ondanks dat zijn er meerdere geasfalteerde nationale wegen die de Grote Oostelijke Erg doorkruisen. De N3 van Hassi Messaoud en Hassi Bel Gebbour loopt hindernisvrij door de Gassi Touil, een route die de karavanen ook gebruikten. De N53A tussen Hassi Messaoud en El Borma en de N53 naar het zuidoosten zijn moeilijker begaanbaar. Om de wegen te beschermen tegen zandbestuivingen, worden kleine muren aan de rand van de weg gebruikt. Deze bestaan uit zwaar, natuurlijk materiaal, dat niet verwaait.
Zie ook Westelijke Grote Erg
Bronvermelding
Categorie:Erg Categorie:Geografie van Algerije Categorie:Geografie van Tunesië