Pauline Anna Milder-Hauptmann (Constantinopel, 13 december 1785 – Berlijn, 29 mei 1838) was een Oostenrijkse sopraan. Ze was in het eerste kwart van de 19e eeuw een van de belangrijkste operazangeressen in het Duitse taalgebied.

Levensloop Anna Milder groeide op in Constantinopel waar haar vader Felix werkzaam was bij de Oostenrijkse vertegenwoordiger. Na een verblijf in Boekarest waar Felix als tolk werkte, kwam het gezin in 1795 te wonen in Hütteldorf nabij Wenen. Haar muzikale talent viel op en de dorpsschoolmeester verzorgde haar eerste muzieklessen. In Wenen studeerde zij bij Antonio Salieri en Giuseppe Tomaselli. Op aanraden van Joseph Haydn ging ze ook bij de componist Sigismund Neukomm in de leer. Ze verdiende haar geld waarschijnlijk als kamermeisje.

Carrière In 1803 debuteerde Milder in de rol van Juno in de opera Der Spiegel von Arkadien van Franz Xaver Süszmayr. Deze opera werd opgevoerd in het Theater an der Wien van Emanuel Schikaneder. Van 1807 tot 1816 had Milder een aanstelling bij het Kärntnertortheater.

Milder maakte in 1808 een succesvolle tournee. Tijdens een concert op Schloß Schönbrunn maakte zij grote indruk op Napoleon, die kort daarvoor Wenen had bezet.

Milder trouwde in 1810 met de juwelier Peter Hauptmann. Ze had van Napoleon een aanbod gekregen om te komen werken bij de opera van Parijs, maar Hauptmann wist te voorkomen dat ze hier op inging.

Het hoogtepunt in Milders carrière vond plaats in 1812 toen ze optrad in de opera Iphigénie en Tauride van Christoph Willibald Gluck. Mede dankzij haar optredens werd Glucks muziek weer populair in Wenen en Berlijn.

In 1813 was Milder te vinden in Karlsruhe, Stuttgart en Frankfurt. Een jaar later zong ze in Wenen in Cherubini's opera Médée. miniatuur In 1816 werd ze aangenomen als prima donna assoluta aan het Berlijnse hof. Ze zou daar tot 1829 werkzaam blijven.

Vertrek uit Berlijn Het jaar 1829 zorgde voor veranderingen in Milders carrière. Ze zong de rol van Irmengard in Gaspare Spontini's opera Agnes von Hohenstaufe, maar deze opera werd geen succes. Bovendien was Milders stemkwaliteit inmiddels afgenomen waardoor operaleider Spontini haar passeerde voor de grote rollen. Voor Milder was de maat vol en zij verliet Berlijn. Nog datzelfde jaar maakte zij een tournee door Rusland, Zweden, Denemarken en Duitsland. Zij was onder andere te horen in Bachs Matthäus-Passion die door Felix Mendelssohn ten uitvoer werd gebracht.

Overlijden Milder trad voor laatst op in 1836, tijdens een concert in Wenen. Hierna trok zij zich terug in Berlijn, waar zij twee jaar later zou komen te overlijden.

Waardering Milder was in haar tijd een van de belangrijkste zangeressen in het Duitse taalgebied. Zij bezat een buitengewone stem, alhoewel er wel enige kritiek was op haar Weense accent.

Ze werd vereerd door Goethe, die een vers aan haar wijdde. Componisten als Gluck en Joseph Weigl schreven zangrollen speciaal voor Milder. Beethoven componeerde voor haar de rol van Leonore in zijn opera Leonore (later uitgewerkt tot de opera Fidelio); Milder trad met deze opera op in de jaren 1805, 1806 en 1814. De componist Luigi Cherubini schreef in 1806 voor haar de opera Faniska. In 1828 componeerde Franz Schubert speciaal voor Milder het lied Der Hirt auf dem Felsen; ook zijn tweede lied uit Suleika was voor Milder bedoeld.

Categorie:Oostenrijks zanger