Jacobus Joannes Graaf, eigenlijk Jacobus Johannes Graaf (Delft, 25 januari 1839 – Overveen, 3 juli 1924), was een Nederlands rooms-katholiek geestelijke en stichter-conservator van het Bisschoppelijk Museum Haarlem.

Leven en werk Jacobus Jo(h)annes Graaf, Koos voor intimi, was een zoon van meester-koekenbakker Wilhelmus (Willem) Graaf en Johanna Jacoba Martina (Jansje) van der Scheer. Hij werd geboren in het huis De Mol aan de Brabantse Turfmarkt in Delft. Na zijn opleiding aan het kleinseminarie Hageveld en het Grootseminarie Warmond werd hij op 15 augustus 1862 priester gewijd. In september 1862 werd hij benoemd tot secretaris van het bisdom Haarlem. Hij diende tot 1881 als secretaris onder de bisschoppen G.P. Wilmer en P.M. Snickers.

In zijn functie was Graaf geregeld op pad, binnen en buiten het bisdom, en verzamelde voorwerpen, kunst en documentatie over het katholieke leven. Hij kreeg in 1869 toestemming van bisschop Wilmer om zijn verzameling onder te brengen in een van de ruimtes van het St.-Vincentiusgesticht in Haarlem. Graaf was daarmee de stichter van het Bisschoppelijk Museum, waarvan hij de drijvende kracht werd.A.H.L. Hensen, "Wilmer, Gerardus Petrus", in P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2. Leiden: A.W. Sijthoff, 1912. Waar Gerard van Heukelum, oprichter van het Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht, vooral geïnteresseerd was in de middeleeuwen, richtte Graaf zich bij de opbouw van de collectie op een bredere periode.W. Verbeek (2022) Van geloof naar erfgoed: Betekenisveranderingen van christelijk-religieuze objecten in een museale omgeving. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Als conservator hield Graaf een gedegen aanschafregister bij en bracht catalogi uit.H. Höppener-Bouvy, "De beelden en hun weg naar het museum", in: M. van Vlierden (2004) Hout- en steensculptuur van Museum Catharijneconvent. Zwolle: Waanders Uitgevers / Utrecht: Museum Catharijneconvent. . Hij legde in 1917 de ontstaansgeschiedenis van het museum vast in de Memorie over de oprigting van eene Verzameling van Kerkelijke Oudheden voor het Bisdom van Haarlem."Mgr. J.J. Graaf † : Een pionier op kerkelijk kunstgebied", De Maasbode, 4 juli 1924. Bij het 50-jarig bestaan van het museum in 1919 had het zo'n 3200 voorwerpen in de collectie.L.J. Boogmans, "Bij den tachtigsten verjaardag van Mgr. Joannes Jacobus Graaf", Het Gildeboek, jrg 1, 1919, no. 4, januari 1919.

Graaf was betrokken bij de oprichting van het St. Bernulphusgilde, dat bij geestelijken interesse wilde wekken voor kerkelijke kunst en architectuur. Hij was vanaf 1913 vice-deken van de vereniging, bij zijn aftreden in 1921 werd hij benoemd tot erelid van het gilde."Verslag van de algemeene jaarvergadering, gehouden in het Haagsche koffiehuis te Utrecht op dinsdag 13 december 1921", Het Gildeboek, jrg 5 (1922), no. 1, juni 1922. Hij publiceerde over geschiedenis, kunst en muziek, onder andere in De Katholiek, Het Gildeboek, De Tijd, De Katholieke Illustratie, het Gregoriusblad van de Nederlandse Sint-Gregoriusvereniging en het door hem opgerichte Bijdragen voor de geschiedenis v.h. Bisdom van Haarlem."Jacobus Joannes Graaf", Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. Hij gebruikte daarbij wel het pseudoniem 'Koos van Molhuys', een verwijzing naar zijn geboortehuis. Graaf werd in 1901 benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde"Kunst en letteren", Haagsche courant, 13 juni 1901. en in 1908 tot erelid van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap."Het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, 50-jarig bestaan", Algemeen Handelsblad, 7 september 1908.

Van 1881 tot 1910 stond Graaf als deken en pastoor in Ouderkerk aan den Amstel. Hij was er mede verantwoordelijk voor de stichting van een school en de bouw van een gezellenhuis. In april 1910 nam Graaf afscheid van de parochie."Mgr. J.J. Graaf", Geïllustreerd zondagsblad voor katholieken, 1 mei 1910. Hij vestigde zich daarna in het Sint Joannes de Deoziekenhuis, in 1912 op Huize Duinrust in Overveen.J.C. van der Loos, "Levensbericht van Mgr. J.J. Graaf", Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1925.

Graaf werd benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau (1904) en door paus Pius X tot geheim kamerheer (1906). Bij de laatste benoeming werd een wapen voor hem ontworpen, dat in de bovenste helft twee gekruiste graven (schoppen) toont en in de onderste helft een lopende mol. Het verwees daarmee naar zijn familienaam en geboortehuis. Hij koos het motto Fodiendo effodiam ('al gravende, grave ik op').J.C. van der Loos, "† Mgr. J. J. Graaf 1839-1924", Historisch tijdschrift, jrg 3 (1924), p. 216-239. In 1919 werd Graaf ter gelegenheid van zijn 80e verjaardag en het 50-jarig jubileum van het Bisschoppelijk Museum gehuldigd.U., "Ter huldiging van mgr. J. J. Graaf", De Katholieke Illustratie, 53e jrg (1919), no 18, 1 februari 1919. Hij werd benoemd tot ere-kanunnik van het kathedraal kapittel van Haarlem. Er werd bovendien een Lijst der geschriften uitgegeven door mgr. J. J. Graaf uitgebrachtLijst der geschriften uitgegeven door mgr. J. J. Graaf hem op zijn tachtigsten verjaardag aangeboden door eenige vrienden den XXV januari MCMXIX. Amsterdam: Ipenbuur en Van Seldam. (Digitaal beschikbaar). en een penning geslagen, ontworpen door Leo Brom. Op de voorzijde van de bij de Edelsmidse Brom uitgevoerde penning staat in reliëf het portret en profil van de jarige, met diens motto en met een prelatenhoed gedekt wapen."Gedenkpenning vijftig jaar Bisschoppelijk Museum Haarlem met portret Mgr. Jacobus Joannes Graaf", collectie Museum Catharijneconvent.

Jacobus Joannes Graaf overleed op 85-jarige leeftijd en werd begraven op het kerkhof van Overveen.Overlijdensannonce, De Tijd, 4 juli 1924.A. Hensen, "In memoriam mgr. J. J. Graaf", Het Gildeboek, jrg 7, 1924, no. 3-4, 1924.

Enkele publicaties 1878: Gids in het Bisschoppelijk Museum voor kerkelijke oudheid, kunst en geschiedenis, vooral van Nederland en meer bijzonder van het Haarlemsche bisdom, te Haarlem. Haarlem: Johannes Enschedé en Zonen. Door Graaf geactualiseerd en herdrukt in 1881, 1888, 1900 en 1913. 1880: Vromer en beter door goeden kerkzang. Een woord tot koorzangers en kerkgangers. Leiden: J.W. van Leeuwen. 1914: Bijzonder over de geschiedenis der geslachten: Graaf-Franses en Van der Scheer-Hazemont. Haarlem: St.Jacobs-Godshuis. 1915: Nederlandsche doopnamen naar oorsprong en gebruik. Bussum: Paul Brand.

Categorie:Nederlands conservator Categorie:Nederlands rooms-katholiek priester