miniatuur|Museumplein in Brussel Jakob Hendrik Onderdewijngaart-Canzius (Delft, 13 januari 1771 – aldaar, 10 juli 1838) was een Nederlands industrieel met een juridische scholing. Hij had een fabriek in Delft waar wetenschappelijke instrumenten gebouwd werden. In Brussel was hij directeur van het Rijksmuseum van Kunst en Volksvlijt, het in te richten museum in het Industriepaleis aan het Museumplein.

Levensloop Canzius was de zoon van een burgemeester van Delft. Na de studies rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden (1788) had hij een praktijk in Delft als advocaat en notaris. In 1795 weigerde Canzius een eed van trouw te zweren aan de Franse vazalstaat Bataafse Republiek. De Fransen ontzetten hem uit al zijn officiële functies.

Vervolgens legde hij zich toe op de bouw van een fabriek van wetenschappelijke instrumenten. De fabriek stond in Delft. Het ging zowel om astronomische toestellen als meetinstrumenten in de fysica en de landmeting. Zijn atelier kende snel uitbreiding: zijn catalogus telde 850 artikelen. Samen met zijn vriend Isaac van Haastert richtte hij Christo Sacrum op (1797), dat een godsdienstig genootschap was over de kerkelijke grenzen heen. Canzius financierde dit gezelschap.

In 1810 sloot Canzius zijn fabriek, ondanks de wetenschappelijke prijzen die aan zijn werk waren toegekend. Van 1810 tot 1811 was Canzius leraar experimentele fysica in Emmerik, in het Gymnasium Philosophicum van het Sophia Instituut. Het instituut sloot de deuren in 1811 op bevel van de Franse overheid. In 1816 werd Canzius burgemeester van Emmerik, in hetzelfde jaar dat Emmerik/Emmerich naar Pruisen ging. Canzius werd de laan uitgestuurd.

Hij was een van de organisatoren in Haarlem (1825) van de Algemeene Tentoonstelling van Voorwerpen van Nationale Nijverheid.

Koning Willem I der Nederlanden stuurde Canzius naar Brussel (1826) in het koninkrijk der Verenigde Nederlanden. Daar werd hij benoemd tot directeur van het Rijksmuseum van Kunst en Volksvlijt, in het Frans Musée des Arts et Métiers of ook Musée de l'Industrie. Om het museum te huisvesten werd op het Museumplein het Nijverheidspaleis gebouwd, in aansluiting met het voormalig paleis van aartshertog van Karel van Lotharingen. Willem I liet zich inspireren op het Conservatoire national des arts et métiers in Parijs. De bouw begon in 1827. De botanische tuin op het plein moest eerst verdwijnen. Canzius transporteerde van Delft naar Brussel zijn volledige collectie wetenschappelijke toestellen. Hier zaten instrumenten tussen van Antoni van Leeuwenhoek, Pieter van Musschenbroeck en Martinus van Marum. Aan de prestigieuze collectie liet Canzius zijn bibliotheek uit Delft toevoegen. Deze bevatte wetenschappelijke boeken en artikels. Tevens kocht Canzius in Den Haag het Kabinet Fysica van de Stichting van Renswoude met 667 waardevolle stukken.

Al de museumstukken werden opgestapeld in een leegstaand pand in de Rue des Longs Chariots.De Rue des Longs Chariots verdween later met de aanleg van de Noord-Zuid spoorwegverbinding.

In 1830 werd het Industriepaleis afgewerkt met het oog op de inrichting van het Rijksmuseum van Kunst en Volksvlijt.

Nog datzelfde jaar brak de Belgische Revolutie uit en het Voorlopig Bewind kwam aan de macht. De Belgische overheid besliste om het museum te behouden, en dit met Canzius aan het hoofd. Ze verplichtten Canzius de eed van trouw aan het koninkrijk België te zweren. Doch hij weigerde. De spanning steeg toen de Belgische overheid de inventaris eiste van alle opgestapelde museumstukken, want de verhuis naar het Industriepaleis moest georganiseerd worden. Canzius weigerde de inventaris te bezorgen en stuurde ze voor de veiligheid naar Delft. De verhuis van de museumstukken schoot met geen millimeter op. Gedesillusioneerd verliet Canzius Brussel en keerde naar Delft terug (1833).

Het leegstaande Industriepaleis werd in 1832 gebruikt om cholerapatiënten te verzorgen.

In 1834 overleed Van Haastert in Delft en werd Christo Sacrum ontbonden. Canzius overleed er in 1838.

Postume collectie van Canzius Alphonse Vandenpeereboom, minister van Binnenlandse Zaken in België, besliste om een deel van de meettoestellen fysica toch over te brengen naar het Industriepaleis (1861). De minister wilde niet het museum nieuw leven inblazen maar wel een Industriële Hogeschool oprichten. De commentaren over de oude toestellen waren smalend. De andere collectiestukken van Canzius werden verkocht. Een derde deel van de collectie verdween tijdens een brand.

Van de meer dan 3.000 museumstukken van Canzius werden er slechts 16 bewaard. De belangrijkste hiervan liggen in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.

Categorie:Nederlands advocaat Categorie:Nederlands notaris Categorie:Nederlands ondernemer Categorie:Nederlands burgemeester Categorie:Nederlands museumdirecteur Categorie:Belgisch museumdirecteur Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 18e eeuw Categorie:Nederlands persoon in de 19e eeuw