miniatuur|Venetië rond 1600. Christofforo Suriano (1580 - ca. 1660) was een Venetiaans diplomaat. Hij werd in 1616 naar de Republiek der Verenigde Nederlanden gezonden om militaire steun te verwerven in de strijd van de Republiek Venetië tegen Ferdinand van Habsburg. Hij contracteerde graaf Johan Ernst van Nassau-Siegen met een leger, dat vervolgens streed in de belegering van Gradisca. Ook huurde hij twaalf oorlogsschepen om voor Venetië dienst te doen in de Adriatische Zee. Op 31 december 1619 sloot hij in Den Haag namens Venetië een bondgenootschap.
Loopbaan miniatuur|Cornelis van der Mijle wordt in 1609 door de Doge Leonardo Donato ontvangen in de senaat van Venetië. Christofforo Suriano behoorde in Venetië tot de klasse van burgers die overwegend de lagere ambten in het staatsapparaat bevolkten, en was al vanaf 1601 als secretaris in de rang van extraordinario werkzaam in de staatskanselarij van de stad. In 1604 begon zijn diplomatieke carrière als assistent van de gezant van de Raad van Tien Agostin Nani naar Rome. In 1606 was hij secretaris van de gezant Pietro Priuli naar Frankrijk, en in 1608 secretaris van de gezant Marc’ Antonio Corraro naar Engeland. In juni 1611 werd hij bevorderd tot ordinario en ging hij in november weer naar Rome als secretaris van de gezant Tomaso Contarini. Na diens overlijden in augustus 1614 nam hij het ambt van gezant enkele maanden waar. In maart 1615 was hij secretaris van de gezant Gregorio Barbarigo in Zürich, en daarna resident toen Barbarigo in augustus naar Engeland vertrok.
Politieke context miniatuur|221x221px|Giovanni Bembo. Al in 1596 had een Venetiaanse edelman, Francesco Moresini, namens de toenmalige Doge Marino Grimani de recent gevormde Republiek der Verenigde Nederlanden bezocht.De Venetianen waren geënteresseerd in het graan dat de Nederlanders in het Oostzeegebied kochten. Hij had echter geen officiële diplomatieke status gehad. Na het ingaan van het Twaalfjarig Bestand had de Republiek in september 1609 Cornelis van der Mijle als buitengewoon ambassadeur naar Venetië gezonden. Tot een alliantie met de protestantse Republiek was Venetië toen echter niet bereid. Het viel in de Spaans-Habsburgse invloedsfeer en bleef liever neutraal. Die houding begon te veranderen toen het eind 1615 in oorlog raakte met Ferdinand van Habsburg, aartshertog van Binnen-Oostenrijk, nadat troepen van Ferdinand vanuit Triëst een plundertocht op Venetiaans gebied hadden ondernomen. Die opkomende havenstad vormde al langer een bedreiging van het handelsmonopolie van Venetië in de Adriatische Zee. Ook steunde Ferdinand de Dalmatische Uskokken die zeeroverij bedreven op Venetiaanse schepen. Toen ook Venetië's enige bondgenoot in de regio, het Savoye van hertog Karel Emanuel I, in oorlog raakte met het Spaans-Habsburgse Rijk, wendde men zich tot de Nederlandse Republiek. Die had sinds 1615 een permanente consul in Venetië, Gilles Ouwerx.De handel door Nederlandse koopvaarders in het Middellandse Zeegebied nam tijdens het Twaalfjarig Bestand enorm toe, niet meer in graan maar in specerijen uit Oost-Indië en velerlei regionale producten als wol, zout, vis, muskaatwijn etc. In 1612 werd er een ambassadeur geplaatst in Constantinopel (Cornelis Haga). Consulaten werden behalve in Venetië ook geopend in Livorno (1612), Aleppo (1613), Cyprus (1613), Genua (1615), Algiers (1616, Wijnand de Keyser) en Zakynthos (1618). Eind juni 1616 besloot de Doge Giovanni Bembo een gezant naar Den Haag te sturen, in eerste instantie slechts om informatie te verschaffen over het conflict met Ferdinand. Dit was Christofforo Suriano, op dat moment de resident van Venetië in Zürich.Zijn komst werd voorbereid door Giovanni Battista Lionello, de secretaris van de Venetiaanse ambassadeur in Londen, die van 1 tot 22 april in Den Haag was. Hij werd vergezeld door een assistent en tolk uit de zuidelijke Nederlanden, Cornelis Vimes genaamd. Vimes trad later in dienst van graaf Johan Ernst van Nassau en ging met hem terug naar Venetië.
Den Haag miniatuur|253x253px|Maurits van Nassau. Onderweg naar Den Haag bezocht Suriano nog diverse Duitse vorsten met een verzoek om hulptroepen, maar zonder resultaat.De vorsten van de Duitse staatjes waren wel bereid tot oorlogvoeren tegen de Habsburgers maar verdachten de Venetianen ervan zo opportunistisch te zijn zich uit de oorlog terug te trekken zodra ze zelf niet meer bedreigd werden. Midden augustus kwam hij aan in Den Haag. Hij werd hartelijk ontvangen door stadhouder Maurits en de Staten-Generaal, die hem verzekerden van het gemeenschappelijk belang van beide republieken in de strijd tegen de Spaans-Oostenrijkse Habsburgers. Hij huurde direct een riante woning waarin hij bestuurders en andere internationale diplomaten ontving zoals de Engelsman Dudley Carleton, de Fransman Benjamin Aubery du Maurier, Cornelis van der Mijle en de recent uit Frankrijk teruggeroepen ex-ambassadeur van de Republiek François van Aerssen. Hij werd al spoedig door Venetië tot resident benoemd.
Bestandstwisten miniatuur|Het wapen van Christofforo Suriano. De ingewikkelde bestandstwisten in de Republiek tussen de Arminianen en de Gomaristen kon Suriano nooit goed doorgronden. Dat hij geen Nederlands sprak en alleen in het Frans kon communiceren maakte het extra lastig. Hij vermoedde dat de Spanjaarden erachter zaten, omdat die er voordeel van hadden. Ook moest hij zijn best doen onpartijdig te blijven in de machtsstrijd tussen de facties van Maurits en van de raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt. De laatste beschouwde hij als de machtigste man in de Republiek maar hij zag zijn positie gaandeweg verslechteren. Naar aanleiding van de heftige pamflettenstrijd die plaatsvond schreef hij naar Venetië dat de vrijheid in de Republiek om te drukken wat men wil de oorzaak van veel problemen was. Hoewel Suriano er in zijn Haagse periode getuige van was hoe Van Oldenbarnevelt door zijn politieke vijanden steeds meer onder druk gezet werd zag hij zelfs ten tijde van de Scherpe Resolutie in augustus 1617 diens val niet aankomen, ondanks zijn vele gesprekken met de bij de machtsstrijd betrokken Dudley Carleton. Nog op 27 augustus 1618 rapporteerde hij dat Maurits hem twee dagen tevoren in een persoonlijk gesprek had verzekerd dat het gerucht dat hij zich meester wilde maken van het land niet waar was omdat er van zijn populariteit in een vrij land dan niets over zou blijven. Wellicht een ontboezeming van Maurits, die besefte dat hij niet in staat was Van Oldenbarnevelts rol over te nemen. Twee dagen later moest Suriano rapporteren dat Van Oldenbarnevelt en zijn medestanders waren gearresteerd.
Hulptroepen voor Venetië miniatuur|248x248px|Johan Ernst van Nassau. Al in augustus 1616 voerde Suriano gesprekken met graaf Johan Ernst van Nassau, een neef van Maurits, die graag bereid was met Venetiaanse financiering ervaren krijgsvolk te werven en naar Italië te gaan. Vanuit Venetië kreeg Suriano toestemming om twee regimenten van in totaal 3000 soldaten in te huren verdeeld in vendels van 150 man, met Johan Ernst als generaal. Ook Fransen, Duitsers en Engelsen maakten er deel van uit. Voor 90.000 gulden zouden 15 schepen ingehuurd worden voor het troepentransport. Ook de Staten-Generaal gaven toestemming. De bedragen waren zo groot dat de Venetiaanse wissels slechts met veel moeite op de Amsterdamse geldmarkt in contant geld konden worden omgezet. Deels moesten de bankiers het geld weer per wissel trekken op de beurzen van Antwerpen, Londen en Frankfurt. Suriano kreeg sollicitaties van diverse Nederlandse en Duitse edellieden met huurlingenlegers. Sommigen gingen deels op eigen gelegenheid naar Venetië.De kolonels jonker Johan Zegers van Wassenhoven en graaf George Lodewijk van Leeuwenstein. Suriano kreeg er op 2 oktober na een bezoek aan Louise de Coligny nog een vendel bij op haar eigen kosten, dat ‘la compagnia della principessa d’Oranges’ moest heten. Toen hij vanuit Venetië opdracht kreeg om nog 1000 man extra te werven stonden Maurits en Van Oldenbarnevelt dat niet toe omdat het Staatse leger anders teveel goede soldaten kwijt zou raken. Een aantal was zelfs al gedeserteerd om mee naar Venetië te kunnen gaan.
De Fiamminghi miniatuur|Beleg van de vesting Gradisca, 1616. Helaas bleef er continu een westenwind waaien zodat de schepen maandenlang bij Texel en op de Maas bleven liggen. De soldaten, 200 man per schip, werden al die tijd aan boord gehouden zonder dat ze soldij ontvingen. Er brak muiterij uit die onderdrukt moest worden en de kosten van de onderneming stegen. Die kwamen voor rekening van Johan Ernst, omdat in het contract bepaald was dat hij voor levensmiddelen voor de troepen en de overtocht naar Italië zou zorgen. Halverwege februari had Suriano hem al 75.000 gulden moeten voorschieten voor onderhoud, ziekenzorg en huur van schepen, terwijl men in Venetië tevergeefs wachtte op de komst van de 'Fiamminghi'. Pas eind februari draaide de wind naar het oosten en konden de schepen vertrekken. Johan Ernst reisde over land, in navolging van zijn broer Willem. Zowel de schepen als Johan Ernst kwamen in april 1617 in Venetië aan. De troepen werden vervolgens doorgestuurd naar Istrië.
Staats- en handelsbelangen miniatuur|420x420px|Gradisca. Venetië werd intussen ook bedreigd door een in de Adriatische Zee opererende vloot van 40 galeien en 16 nieuwe zeilschepen van de hertog van Osuna, de Spaanse onderkoning van Napels. Hij had plannen om zich van Venetië meester te maken. De transportschepen en andere Nederlandse koopvaarders in de haven van Venetië werden in beslag genomen om te helpen weerstand te bieden aan de Napolitaanse vloot. In Den Haag moest Suriano zich vervolgens verdedigen tegen de verwijten van tientallen reders en kooplieden, die zich ook bij Maurits en Oldenbarnevelt beklaagden. Opgeroepen door de Staten-Generaal werd hem in de vergadering onder de neus gewreven dat ook de regenten belangen hadden in de schepen en hun bevrachtingen. Op 31 juli stuurden de Staten-Generaal een protestbrief naar de Doge van Venetië, maar de schepen waren inmiddels al vrijgelaten, zij het zonder schadevergoeding. Suriano rapporteerde aan het Venetiaanse bestuur dat in Nederland weinig verschil bestond tussen staatsbelangen en handelsbelangen. Particuliere zaken waren vaak zelfs belangrijker dan ‘le ragioni di buon governo’.
Beleg van Gradisca miniatuur|Beleg van Gradisca in 1616. Het duurde enkele maanden voordat de troepen daadwerkelijk werden ingezet bij de belegering van Gradisca, vooral door Johan Ernsts aanvankelijke weigering om te dienen onder de Venetiaanse bevelhebber Don Giovanni de Medici. Na een vermaning van Maurits ging hij daar toch mee akkoord, maar in de tussentijd waren veel soldaten aan allerlei ziektes en gebrek aan voedsel gestorven. Desondanks werden al snel twee schansen op de vijand veroverd. De relatie tussen Don Giovanni en Graaf Johan Ernst was echter slecht. Ze maakten ruzie over de strategie. Een aanval op een derde schans mislukte, waarvan ze elkaar de schuld gaven. Ook vonden deserties plaats toen meerdere kapiteins soldij achter bleken te houden. Na anderhalve maand was ‘dien schoonen trop crijchsvolck’ van 3250 man ineengekrompen tot een ordeloze bende van 400. Eind juli nam Johan Ernst ontslag. Op 15 augustus bracht Suriano dat nieuws aan Maurits, die daarover zeer ontstemd was. Louise de Coligny vertrouwde Suriano toe dat haar zoon Frederik Hendrik een betere keuze was geweest. Ook die was van mening dat Johan Ernst moest aanblijven. Johan Ernsts broer Willem vond hij nog veel te jong om het over te nemen, en over een eventuele rol voor hemzelf liet hij zich tegenover Suriano niet uit. Er zou uiteindelijk niets van komen. Alleen Van Oldenbarnevelt gaf argumenten ter verdediging van Johan Ernst, die zich door Maurits en anderen liet overhalen om door te gaan. Halverwege september begon ook hij echter te leiden aan dysenterie, en overleed de 27e in Udine.
De alliantie