Marie Antier (Lyon, 1687 – Parijs, 3 december 1747) was een Franse sopraan. Na haar debuut in 1711 begon zij aan een zangcarrière die 30 jaar zou gaan duren. Jaarlijks deed zij mee aan meerdere operaproducties en ze zong vrijwel alle belangrijke operarollen van haar tijd.

Debuut en succes Antier werd opgeleid als zangeres en actrice door Marie Le Rochois. In 1711 debuteerde ze in de Parijse Opéra met een rol in La vénitienne van Michel de la Barre. Haar succes zorgde ervoor dat ze werd gevraagd voor grote rollen in opera's als Idomenée (André Campra, 1712) en Médée et Jason (Joseph-François Salomon, 1713). Gedurende haar loopbaan was ze ook te horen in ruim twintig opera's van Jean-Baptiste Lully. In 1720 werd Antier benoemd tot de première actrice van de Académie Royale de Musique. miniatuur|Het Hotêl Antier (tegenwoordig: Hotêl de Verrière) waar Marie Antier woonde. In 1719 kreeg Antiers jongere zus ook een aanstelling bij de Opéra, maar dan in het koor. Zij zou daar tot 1743 blijven werken.

Woning Antier woonde van 1715 tot 1729 in de Rue d'Auteuil. Hier was speciaal voor haar een woning gebouwd, het zogenaamde Hôtel Antier. Hierna kon ze een gratis appartement betrekken dat tegen de Opéra aan was gebouwd.

Banden met het koninklijk hof Antier had goede relaties aan het Franse hof. In de jaren 20 zong ze in het Tuilerieënpaleis in opéras-ballets, waarbij koning Lodewijk XV als danser meedeed. Later volgden nog de koninginneconcerten. Antier werd in deze periode tevens de maîtresse-en-titre van de prins van Carignan.

In 1721 kreeg Antier een aanstelling als 'musicienne de la chambre du roi'. Dit betekende dat ze optredens moest verzorgen voor een koninklijk publiek in de paleizen van Versailles, Marly en Fontainebleau. Hiervoor kreeg ze aanvankelijk 1000 livres per jaar, maar in 1726 werd het bedrag opgehoogd naar 1500 livres.

Huwelijk en affaire Antier trouwde in 1726 met zoutinspecteur Jean Duval (†1755) en ontving voor haar huwelijk rijke giften van de koninklijke familie. Een jaar later had ze echter een affaire met Alexandre Le Riche de La Pouplinière. Dit leverde hem een tijdelijke verbanning uit Parijs op, terwijl Antier werd ondergebracht in het klooster van Chaillot. Overigens bleef ze tijdens haar verblijf in het klooster nog gewoon optreden in de Opéra.

Laatste jaren Vanaf 1725 trad Antier op tijdens de reeks van Concert Spirituel, waar zij motetten zong van André-Cardinal Destouches en Michel-Richard Delalande. In de reeks Concert Français (1727-1729) zong zij als solozangeres in cantates. Tegelijk ging het met haar operacarrière minder goed en werd ze voor de grote rollen vaak gepasseerd ten gunste van de jongere generatie zangeressen. Desondank was ze nog in enkele grote producties te horen, zoals in Jephté (Michel Pignolet de Montéclair, 1732), Hippolyte et Aricie (Jean-Philippe Rameau, 1733) en Castor et Pollux (Rameau, 1737). In de laatste periode van haar carrière herhaalde ze vooral de rollen uit haar jongere jaren. Antier werd overigens nog in 1736 geprezen om haar optreden in een heruitvoering van Salomon's Médée et Jason: haar uitvoering was verfijnd, overtuigend en natuurlijk.

Antiers loopbaan eindigde officieel met Pasen 1741. Ze ontving hierna een pensioen van 1500 livres per jaar. Ze overleed in 1747.

Categorie:Frans zanger