Bicharracosaurus is een geslacht van plantenetende sauropode dinosauriërs, behorende tot de Titanosauriformes, dat tijdens de late Jura leefde in het gebied van het huidige Argentinië. De enige benoemde soort is Bicharracosaurus dionidei.
Vondst en naamgeving Maart 2001 melde de rancher Dionide Mesa de vondst op zijn land van een sauropodenskelet, vierentwintig kilometer ten noorden van Cerro Cóndor. In 2002 begon het eerste onderzoek. Tegen 2011 was het grootste deel van het skelet opgegraven door een team van de Ludwig-Maximilians-Universität München, maar drie halswervels werden nog in 2018 drie meter verderop geborgen. Het materiaal werd geprepareerd door Mariano Caffa en Leandro Canessa in het Museo Paleontológico Egidio Feruglio.
In 2026 werd de typesoort Bicharracosaurus dionidei benoemd en beschreven door Alexandra Reutter, José Luis Carballido, Guillermo José Windholz, Diego Pol en Oliver Walter Mischa Rauhut. De geslachtsnaam is afgeleid van het Spaans bicharraco, "joekel". Met die term placht Mesa een groot fossiel aan te duiden als hij weer eens iets enorms gevonden had. De soortaanduiding eert hem als ontdekker. De publicatie is in een elektronisch tijdschrift.
Het holotype, MPEF-PV 1730, is gevonden in een laag van de Cañadón Calcáreo-formatie, welke laag dateert uit het Oxfordien, 157,4 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een skelet zonder schedel. Het omvat zeven middelste tot achterste halswervels, vier losse nekribben, de totale wervelkolom van de rug met tien wervels, twee ribben, de vijf sacrale wervels met delen van het heupjuk en vergroeid met het voorblad van het rechterdarmbeen, negen losse staartwervels, een chevron en verschillende fragmenten van ribben. Het betreft een volwassen individu.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Bicharracosaurus heeft een geschatte lengte van vijftien meter bij een gewicht van twintig ton.
De naamgevers stelden een aantal onderscheidende kenmerken vast. Drie ervan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide (nieuwe) eigenschappen. Bij middelste en achterste staartwervels wordt de fossa centrodiapophysealis, de uitholling tussen het wervellichaam en het zijuitsteeksel, doorboord door een driehoekige pneumatische holte. Bij de allerachterste halswervels heeft de lamina postzygodiapophysealis, de richel tussen het achterste gewrichtsuitsteeksel en het zijuitsteeksel, aan de onderzijde een kleine naar boven gerichte uitstulping. De wervellichamen van de sacrale wervels hebben bootvormige gewrichtsfacetten.
Verder is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. Het ondervlak van de middelste halswervels heeft een horizontaal korte richel in het achterste deel die aan de zijkanten begrensd wordt door gepaarde ronde uithollingen. De achterste halswervels hebben een richel tussen het achterste gewrichtsuitsteeksel en het zijuitsteeksel dat onderaan gevorkt is. In de holte tussen het voorste gewrichtsuitsteeksel en het zijuitsteeksel ligt bij de achterste halswervels een extra richel. Bij de middelste halswervels liggen langs de onderrand van de holte tussen het achterste gewrichtsuitsteeksel en het zijuitsteeksel, welke rand de achterste richel vormt van de onderzijde van het zijuitsteeksel, verschillende kleinere uithollingen. Bij de middelste halswervels ligt er een uitholling tussen de voorste gewrichtsuitsteeksels. Bij de halswervels hebben de bases van de voorste gewrichtsuitsteeksels geen extra uitsteeksels op de bovenrand. Bij de middelste halswervels wordt de holte tussen het doornuitsteeksel en het zijuitsteeksel doorboord door verschillende ronde pneumatische uithollingen. De achterste wervels van de rug zijn van achteren licht hol. Bij de middelste tot achterste halswervels ligt er een kleine uitholling voor en onder de pleurocoel. De parapofyse, het voorste ribfacet, ligt boven het voorste gewrichtsuitsteeksel. De middelste tot achterste wervels van de rug hebben een extra richel bij de parapofyse. Bij de voorste ruggenwervels is de richel tussen doornuitsteeksel en zijuitsteeksel in tweeën verdeeld. De hyposfeen, het achterste secundaire gewrichtsuitsteeksel, heeft een extra richel. De doornuitsteeksels van de middelste en achterste rug missen een vleugelvormig uitsteeksel. De doornuitsteeksels van de achterste rug zijn overdwars smaller dan van voor naar achter lang. De tweede sacrale rib is zowel uit de eerste als de tweede sacrale wervel gevormd. Het darmbeen heeft een min of meer horizontaal voorblad.
Skelet Er wordt aangenomen dat er twaalf halswervels zijn. De nek is niet extreem verlengd met de wervels steeds minder dan viermaal zo lang als breed of hoog. De halswervels hebben meervoudige luchtkamers en lange pleurocoelen, pneumatische zijholten, met complexe verdelende richels die zowel van wervel tot wervel als van links naar rechts in structuur verschillen.
Fylogenie Bicharracosaurus werd in de Brachiosauridae geplaatst in een vrij basale positie, nauw verwant aan Australodocus.
Geologie
De Cañadón Calcáreo-formatie dagzoomt in de middelste tot noordelijke delen van de Argentijnse provincie Chubut. De formatie is het resultaat van de post-rift opvullingsfase'Opvulling' in de vakwetenschap geologie verwijst naar het proces of materiaal waarbij geologische bekkens, depressies, dalen of gaten in de aardkorst door de transporterende werking van wind, water of ijs worden gevuld met sedimenten zoals zand, klei en grind. van het Cañadón Asfalto-geologisch bekken, een grote ongeveer noordnoordwest tot zuidzuidoost lopende hemigrabenstructuurEen hemigraben of halfslenk is een geologische structuur die ontstaat door extensietektoniek in de aardkorst. In tegenstelling tot een symmetrische slenk (graben) die aan twee kanten door een afschuiving wordt begrensd, wordt een hemigraben voornamelijk aan één zijde gestuurd door een grote afschuiving, en is dus asymmetrisch. De gesteentepakketten tussen de afschuivingen kantelen (tilting) waardoor een asymmetrisch dal of diep geologische bekken ontstaat waarin dikke pakketten sedimenten kunnen worden afgezet. in centraal Patagonië (bv. Figari et al., 2015), en bestaat uit een dikke stratigrafische opeenvolgingEen 'stratigrafische opeenvolging' of 'stratigrafisch profiel' is de verticale volgorde van gesteentelagen (strata) in de aardkorst, die de geologische geschiedenis van een gebied weerspiegelt. Een stratigrafisch profiel is gebaseerd op geologische principes zoals superpositie (oudere lagen liggen onder jongere) en het gebruik van fossielen (biostratigrafie) om lagen te dateren en te correleren, wat resulteert in een geologische tijdschaal. van voornamelijk lacustriene en fluviatiele terrestrische sedimenten. Door U-Pb chronostratigrafische radiometrische datering (bv. Carballido & Pol, 2015) werd de basis van de laag van de Cañadón Calcáreo-formatie waarin de beenderen van Bicharracosaurus dionidei aangetroffen werden gedateerd op de grens van de etages Oxfordien-Kimmeridgien (Cohen et al., 2025). Het holotype is afkomstig uit het centrale deel van het belangrijkste ontsluitingsgebied, ten oosten van de Chubutrivier. De lagen waarin het specimen zich bevond lopen semi-horizontaal. De insluitende matrix bestaat uit plaatvormige zandsteenlagen met ingebedde lagen mudstone. Deze lithologie karakteriseert de afzettingen van een laagenergetische overstromingsvlakte, waar de stromings- en sedimentatiesnelheid dus laag was.
Tafonomie
De tafonomische context van de vindplaats toont dat een deel van de wervelkolom, bestaande uit vier halswervels (MPEF-PV 1730/4-7), tien ruggenwervels (MPEF-PV 1730/7-12) en vijf heiligbeenwervels, bewaard bleef. Deze wervels liggen in onderling verband en in verband'In verband liggen' betekent dat de anatomische rangschikking van beenderen, zoals die was in het levende dier, gedeeltelijk of volledig bewaard bleef. met het fragmentarische rechterdarmbeen (MPEF-PV 1730/13a-c) en met het sacrum dat aan de oppervlakte blootlag. Ongeveer twee tot drie meter ten noordwesten van de gedeeltelijke wervelkolom werden later nog drie extra halswervels (MPEF-PV 1730/1-3) aangetroffen. Vier halsribben (MPEF-PV 1730/23-26), tien rugribben (MPEF-PV 1730/29-38), negen staartwervels (MPEF-PV 1730/14-22), een fragmentarische chevronEen chevron (of 'haemale boog') is in het vakgebied anatomie een V- of Y-vormige benige structuur op de ventrale zijde (op de onderkant) van staartwervels bij vele Vertebrata, waaronder Dinosauria. (MPEF-PV 1730/28) en meerdere niet-diagnostische sacrale en ribelementen werden afzonderlijk (niet in verband) in de nabijheid van de gedeeltelijke wervelkolom gevonden. Waarschijnlijk zijn de beenderen afkomstig van één individu dat op of nabij de plaats waar het stierf door sediment ingebed (bedekt) werd. De ontbrekende lichte lichaamsdelen, zoals de schedel, zouden vóór de inbedding van het lichaam door de ontbinding losgeraakt kunnen zijn en door stromend water weggespoeld, terwijl de zware delen mogelijk door aaseters zijn verspreid. Sporen van de tanden van aaseters werden niet vastgesteld op de beenderen, maar wel een indruk van een Theropode tand.
Systematische paleontologie
Systematische paleontologie is een belangrijk deelgebied van de vakwetenschap paleontologie. Het richt zich vooral op de classificatie en ordening van fossiele organismen (taxa), gebruikmakend van vergelijkende morfologie en fysieke- en computertechnologieën, zoals moleculaire analyses en scantechnieken (digitale beeldvorming), om hun evolutionaire geschiedenis, paleobiodiversiteitspatronen'Paleo' is afgeleid van het Oudgrieks παλαιός (palaios), wat 'oud' betekent. 'Paleobiodiversiteit' betekent dus zoveel als 'de biodiversiteit van de oude (fossiele) organismen.' en fylogenetische verwantschappen in de globale geschiedenis van het Leven te reconstrueren. Systematische paleontologie beschrijft en benoemt nieuwe soorten (binominale nomenclatuur) op basis van gemeenschappelijke morfologische kenmerken en dankzij cladistische analyse kunnen evolutionaire stambomen opgebouwd worden. Paleontologen publiceren onophoudelijk hun bevindingen op een gestandardiseerde manier in vakliteratuur (wetenschappelijke literatuur) zoals wetenschappelijke artikels en wetenschappelijke tijdschriften die dikwijls onderworpen worden aan peer review. Binnen het Rijk Metazoa Haeckel, 1874 (of het verouderde, nog zelden gebruikte Animalia Linnaeus, 1758) heeft Bicharracosaurus dionidei de volgende systematische positie :
Domein Eukaryota Whittaker & Margulis, 1978 Rijk Metazoa Haeckel, 1874 (Animalia Linnaeus, 1758) Onderrijk Eumetazoa Bütschli, 1910 Clade Bilateria Hatschek, 1888 Superstam Deuterostomia Grobben, 1908 Stam Chordata Balfour, 1880 Clade Olfactores'Olfactores' is een clade die de Chordate subphyla Tunicata en Vertebrata groepeert als zustergroepen, en wordt gekenmerkt door een meer geavanceerd organum olfactorium dat bij de Vertebrata tot de vorming van neusgaten leidde. Moleculair onderzoek heeft aangetoond dat clade Olfactores impliceert dat manteldieren nauwer verwant zijn aan gewervelden (Vertebrata) dan het derde Chordate subphylum Cephalochordata (lancetvisjes). Jefferies, 1991 Onderstam Vertebrata Lamarck, 1801 Infrastam Tetrapoda Hatschek & Cori, 1896 Clade Reptiliomorpha Säve-Söderbergh, 1934 Clade Amniota Huxley 1864 Klasse Reptilia Laurenti, 1768 Onderklasse Diapsida Osborn 1903 Infraklasse Archosauromorpha Huene, 1946 Clade Archosauriformes Gauthier, 1986 Clade Archosauria Cope 1869 Clade Avemetatarsalia Benton, 1999 Clade Ornithodira Gauthier, 1986 Clade Dinosauromorpha Benton, 1984 Clade Dinosauriformes Novas, 1992 Superorde Dinosauria Owen 1842 Orde Saurischia Seeley, 1887 Onderorde Sauropodomorpha Huene, 1932 Infraorde Sauropoda Marsh, 1878 Clade Eusauropoda Upchurch, 1995 Clade Neosauropoda Bonaparte, 1986b Clade Macronaria Wilson & Sereno, 1998 Clade Titanosauriformes Salgado, Coria & Calvo, 1997 Clade Somphospondyli Wilson & Sereno, 1998 Clade Titanosauria Bonaparte & Coria, 1993