Anastasia Robinson (circa 1692 - Bath, april 1755) was een Engelse zangeres. Haar zangcarrière viel in de jaren 1714 tot 1724. Ze begon als sopraan, maar rond 1720 veranderde haar stem in een contra-alt.

Levensloop Anastasia was de dochter van portretschilder en amateurmusicus Thomas Robinson. Hij was afkomstig uit Leicestershire, reisde door Italië en studeerde in Rome; mogelijk is Anastasia dan ook in Italië geboren. Verder had ze nog een jongere zus, Margaret. Thomas hertrouwde na het overlijden van zijn vrouw met de rooms-katholieke Lane, bij wie hij nog een zoon en dochter kreeg.

De jonge Anastasia bleek over muzikaal talent te beschikken en kreeg een muziekopleiding bij William Croft. Verder kreeg zij zanglessen van Pietro Sandoni en Johanna Maria Lindelheim. Anastasia's eerste optredens vonden plaats in besloten kring, in het huis van haar vader in Golden Square, waar ze bijval kreeg van de hogere kringen. Toen haar vader oogproblemen kreeg en blind werd, was het de bedoeling dat dochter Margaret zijn werk zou overnemen, maar zij wenste zangeres te worden. Ondanks de steun van Giovanni Bononcini en een studiereis naar Frankrijk, liep deze zangcarrière op niets uit: ze bleek niet alleen veel te nerveus, maar haar kleine gestalte maakte haar ongeschikt voor serieuze rollen.

Intussen was Anastasia in staat om professionele concerten te geven, waarbij ze zichzelf begeleidde op het klavecimbel. Ze was in deze periode onder andere te horen in de York Buildings. Dankzij haar optredens was ze in staat het gezin Robinson financieel te ondersteunen.

Loopbaan In 6 februari 1713 zong Anastasia Robinson aan het koninklijk hof ter gelegenheid van de verjaardag van koningin Anne. Op 9 en 20 juni hield ze een benefietconcert voor zichzelf in het Queen's Theatre. Begin 1714 kreeg ze bij dit theater een aanstelling en zong in diverse opera's van Georg Friedrich Händel, zoals Arminio en Ernelinda. Händel schreef speciaal voor haar een sopraansolo in zijn Eternal Source of Light Divine. Op 16 maart diende Anastasia samen met enkele collega's - waaronder zangeres Margherita de L’Epine - een petitie in bij de directie voor een betere organisatie van hun benefietconcerten, waar ze immers een deel van hun inkomen uit haalden.

Ook in het volgende seizoen was Robinson weer te horen in Händels composities, zoals Rinaldo en Lucio Vero. Haar rol als Oriana in zijn opera Amadigi di Gaula (1715) moest ze echter na één voorstelling opgeven omdat ze ziek werd.

In de jaren tot 1717 zong ze onder andere in Pirro e Demetrio van Alessandro Scarlatti en Rinaldo van Händel. Voor een optreden op 12 maart 1717 voegde Händel speciaal voor Anastasia een nieuwe scène toe aan Amadigi di Gaula.

In 1718 en 1719 zong Robinson weinig, maar trad nog wel op in het King's Theatre vanwege een benefiet voor zichzelf. Van oktober 1719 tot maart 1720 werkte Robinson in het theater van Drury Lane. Robinsons stem veranderde tussen 1717 en 1720 van toonhoogte: van een sopraan werd zij in deze jaren een contra-alt. De oorzaak zou liggen aan een ziekte die haar stem beïnvloedde.

Royal Academy of Music Begin 1720 richtte Händel de Royal Academy of Music op en Robinson zong mee in de eerste drie operaproducties, waaronder Numitore van Bernardo Porta. Ze miste het najaarsseizoen, maar ze verscheen vanaf het voorjaar van 1721 tot aan de zomer van 1724 in alle premières van de Royal Academy. Het ging onder andere om Händels Floridante en Giulio Cesare, Giovanni Bononcini's opera's Ciro en Crispo, en Attillo Ariosti's Coriolano.

Robinson zou voor haar werk bij de Royal Academy een jaarsalaris van 1000 pond hebben ontvangen, los van de extra inkomsten uit benefietconcerten en geschenken. Mogelijk is het salaris enigszins overdreven hoog ingeschat en verdiende zij in werkelijkheid minder, maar desondanks werd zij goed betaald.

Robinson ging in juni 1724 met pensioen.

Huwelijk miniatuur|Charles Mordaunt Robinsin zou in 1722 in het geheim zijn getrouwd met haar grote bewonderaar Charles Mordaunt, derde graaf van Peterborough (1658-1735). Het standsverschil tussen een graaf en een professionele zangeres was de mogelijke reden om het huwelijk stil te houden. De graaf was zeer gesteld op Robinson: toen zanger Senesino een beledigende opmerking over haar maakte, dwong de graaf hem om op zijn knieën excuses aan haar aan te bieden. Een belediging die Lord Stanhope uitte richting Anastasia leidde zelfs bijna tot een duel.

Toen Robinson in 1724 met pensioen ging, regelde graaf Peterborough voor haar en haar moeder een huis in Parson's Green, niet ver van zijn eigen woning. Tevens schonk hij haar een maandbedrag van 100 pond. Haar woning fungeerde als een soort muziekacademie met optredens van onder andere Bononcini en Maurice Green.

Overlijden van de graaf In 1735 maakte de graaf alsnog bekend dat hij en Robinson al jaren geleden waren getrouwd. Het stel regelde vervolgens een nieuwe trouwceremonie in Bristol en vertrok hierna naar Portugal, waar het klimaat beter was voor de gezondheid van de graaf. Desondanks overleed hij op 15 oktober 1735 in Lissabon.

In zijn testament kwam Robinson niet voor, maar ze kreeg wel zijn landgoed Bevis Mount vlakbij Southampton toebedeeld. De grafelijke familie heeft Robinson overigens nooit erkend.

Na het overlijden van de graaf heeft Robinson zijn memoires vernietigd. Dit zou ze hebben gedaan om hem te beschermen: hij beschreef namelijk zaken die een slecht licht konden werpen op zijn karakter.

Laatste levensjaren Na 1735 zette Anastasia haar muzikale evenementen voort in Bevis Mount. Ook verbleef ze met regelmaat in Fulham en Peterborough House.

Robinson overleed in april 1755 en werd op 1 mei begraven in de abdij van Bath.

Waardering De populariteit van Robinson als zangeres kwam vooral door haar charmante en expressieve manier van zingen. Ze was technisch niet bijzonder begaafd en bijvoorbeeld Händel hield daar in zijn composities ook rekening mee.

Nadat haar stem tussen 1717 en 1720 in toonhoogte was gedaald, schreef Händel rollen die beter bij haar gewijzigde stem pasten. In Giulio Cesare componeerde hij bijvoorbeeld voor haar de emotionele rol van Cornelia. In Ottone moest ze de rol van Matilda zingen, maar dat was een vurig personage en Robinson zag hier erg tegenop: ze hield er niet van om boze vrouwenrollen te zingen. Ze durfde dit echter niet bij Händel een te geven en probeerde het daarom via de diplomaat Giuseppe Riva te spelen. Dit bleek succesvol, want de moeizaamste aria die ze moest zingen, werd door Händel uiteindelijk vervangen.

Ook als persoon werd Robinson gewaardeerd vanwege haar culturele instelling en sociale vaardigheden. Ze werd omschreven als iemand die met respect haar meerderen tegemoet trad, met iedereen goed overweg kon en opviel door haar vriendelijkheid en vrolijke karakter. Volgens een vriendin was Anastasia niet knap, maar dat compenseerde ze met haar vriendelijke voorkomen en grote, blauwe ogen.

Robinson was bevriend met Giovanni Bononcini en Alexander Pope, die net als zij rooms-katholiek waren. Robinson had over een lange periode een goed contact met Bononcini en kreeg van hem ook muziekles. In 1723 werkte zij mee aan een privé optreden in het Buckingham House waar Bononcini zijn eigen koorcomposities dirigeerde. Verder wist zij de hertogin van Marlborough zo ver te krijgen om Bononcini een pensioen te verstrekken.

Categorie:Brits operazanger