Het Indische zedenschandaal verwijst naar een periode van intensieve homovervolging in Nederlands-Indië in de jaren 1938 en 1939. De affaire speelde zich vooral af in Batavia (Java), van waaruit het zich verspreidde naar andere gebieden in Nederlands-Indië. Honderden mannen werden gearresteerd, onder wie veel hooggeplaatste ambtenaren.
Voorgeschiedenis
Strafrechtelijke situatie In Nederland bestond het artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht. Deze wet kon worden gebruikt om homoseksuelen justitioneel te vervolgen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de grens tussen minder- en meerderjarigheid hoger lag voor homoseksuelen dan voor heteroseksuelen, en de wet dus een discriminatoir karakter had.
Een soortgelijke wet bestond in Nederlands-Indië, namelijk artikel 292 van het Indische Wetboek van Strafrecht. Deze wet stelde dat homoseksuele contacten met minderjarigen met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar moesten worden bestraft. Ondanks deze wet stond Nederlands-Indië bekend als een relatief tolerante omgeving voor homoseksuelen. Artikel 292 werd in 1918 geïmplementeerd en werd vóór 1938 slechts zelden toegepast.
Roddels en rapportage De voorgeschiedenis van de affaire begon in oktober 1936, met een artikel in De Ochtendpost. Dit was een roddelblad dat huis-aan-huis werd verspreid in Batavia. In dit artikel werd beklag gedaan van een grote groep mannen die sodomie zou plegen. Ook hooggeplaatste ambtenaren zouden zich hier schuldig aan maken.
Deze kwestie werd door de Christelijke Staatkundige Partij (CSP) in december 1936 ten gehore gebracht bij de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, Alidius Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. Hierop werd door de hoofdcommissaris van de politie een sussend rapport opgesteld voor de resident van Batavia. Uit dit rapport werd duidelijk dat de situatie wel meeviel. Voor de resident en de gouverneur-generaal was de zaak hiermee afgedaan.
De CSP was ontevreden over deze bevindingen, en in 1937 en 1938 verzocht de CSP de zusterpartijen in Nederland om vragen te stellen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De minister van Koloniën Charles Welter gaf aan dat er geen reden was tot ongerustheid. De gemoederen rondom de kwestie leken hiermee te zijn bedaard.
Vervolging
Medio november 1938 ontving de lokale politie op Java tips over een man die homoseksuele contacten zou onderhouden met minderjarigen. Dit resulteerde in zijn arrestatie en een huiszoeking. Daar werd een uitgebreide correspondentie gevonden met andere homoseksuelen in Nederland en Nederlands-Indië. Nader verhoor van de verdachte leverde nog meer namen op, waardoor de politie steeds meer verdachten op het spoor kwam en arresteerde. De politie stelde lijsten op van bekende homoseksuelen. Binnen enkele weken werden tientallen mannen gearresteerd. De arrestanten werden ondergebracht in de gevangenis van Struiswijk. Ook de minderjarige jongens werden opgepakt en verhoord, waarna nog meer arrestaties volgden.
De procureur-generaal die de zaak in Batavia behandelde, verstuurde een telegram naar alle residenten in Nederlands-Indië met de aanbeveling tot een strenge aanpak van homoseksualiteit, ook wanneer deze strikt genomen niet volgens artikel 292 strafbaar was. Er vonden onmiddellijke arrestaties plaats in Bandoeng. Eind december 1938 volgden er ook arrestaties in Soerabaja, Semarang, Malang, Salatiga, op Sumatra en op Bali. Dit leidde tot overvolle gevangenissen.
De tweede golf arrestaties vond plaats vanaf 12 januari 1939. De resident van Batavia werd tijdens deze golf gearresteerd.
Er was in de Nederlandse en Nederlands-Indische media veel aandacht voor de affaire. De namen van meerdere slachtoffers werden door Nederlands-Indische roddelbladen gepubliceerd. Hoewel de affaire zich formeel gezien enkel keerde tegen strafbare feiten, ging het in de publieke beleving vooral om homoseksualiteit als geheel.
Slachtoffers Het is niet duidelijk hoeveel mannen uiteindelijk zijn gearresteerd, maar er wordt uitgegaan van minstens 223. Onder de arrestanten bevonden zich Indonesiërs, Chinezen, Europeanen (totoks) en Indo-Europeanen. De arrestaties vonden in heel Nederlands-Indië plaats. Alle sociaaleconomische klassen waren in deze groep vertegenwoordigd.
Zij werden veelal beschuldigd van seks met Indonesische of Indo-Europese jongens van 16 tot 20 jaar, maar ook met volwassen mannen, waaronder KNIL-militairen. Vaak zou er sprake zijn geweest van een vorm van prostitutie.
De meeste arrestanten werden voor de rechter gebracht. Hier waren minstens vijftig ambtenaren bij, van wie er 38 werden ontslagen. Twintig van de ruim tweehonderd arrestanten werden na enkele maanden vrijgesproken. De rest kreeg straffen van twee maanden tot twee jaar. Buitenlanders, laagopgeleiden en werklozen werden gedeporteerd. Meerdere mannen pleegden zelfmoord. Minderjarigen werden onder voogdij geplaatst bij de Indische tak van Pro Juventute.
Bekende slachtoffers W.Ph. Coolhaas, historicus Henri Fievez de Malines van Ginkel, resident van Batavia Walter Spies, kunstenaar
Categorie:1938 Categorie:1939 Categorie:Discriminatie tegen homoseksuelen Categorie:Geschiedenis van Nederlands-Indië Categorie:Homoseksualiteit in de geschiedenis