De APRA-coup (ook bekend als de Legioen van Ratu Adil-opstand of de Bandung-affaire) was een mislukte militaire staatsgreep op 23 januari 1950 in Indonesië. De opstand werd geleid door de voormalige KNIL-kapitein Raymond Westerling en had tot doel de centrale regering van de Verenigde Staten van Indonesië (VSI) in Jakarta omver te werpen.

Achtergrond Na de soevereiniteitsoverdracht van Nederland aan de VSI op 27 december 1949 bestond Indonesië uit zestien deelstaten, waaronder de negara Pasundan (West-Java). Westerling, die vanwege misdragingen officieel was gedemobiliseerd door generaal Simon Spoor, begon een transportbedrijf in de Puncakpas. Verondersteld wordt dat hij dit bedrijf als dekmantel gebruikte om huurlingen te rekruteren onder Darul Islam-aanhangers door middel van lucratieve smokkelroutes.

Westerling had in maart 1949 het plan voor een gewapende organisatie voorgelegd aan de Nederlandse opperbevelhebber generaal Spoor. Spoor zou volgens Westerlings memoires het plan impliciet hebben goedgekeurd met de woorden: “Ik denk dat het een uitstekend idee is. Natuurlijk kan ik officieel niets doen.” Na Spoors plotselinge dood op 23 mei 1949 als gevolg van een hartinfarct werd generaal Buurman van Vreede zijn opvolger als waarnemend bevelhebber.

De APRA-militie en politieke bondgenoten De door Westerling opgerichte militie noemde zich Angkatan Perang Ratu Adil (APRA), naar een Javaanse profetie uit de twaalfde eeuw van de “Rechtvaardige Vorst” (Ratu Adil). Westerling beweerde medio 1949 over 22.000 man te beschikken, waaronder "ex‑terroristen" die hun eigen wapens meebrachten. De politieke tak werd gesteund door federalistische figuren, met name Syarif Hamid II, de sultan van Pontianak, die tevens minister zonder portefeuille was in het VSI‑kabinet. Volgens kroongetuige Frans Najoan (inspecteur van politie) vond op 24 januari 1950 een overleg plaats in Hamids hotelkamer in Hotel Des Indes, waarbij de coup werd besproken.

Voorspel: anarchie en geweld in West-Java (1948 – 1950) Gedurende de periode tussen de politionele acties en de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 bleef West‑Java (met name de regio’s rond Bandoeng, Tasikmalaya en Garut) het toneel van een chaotische machtsstrijd. Naast reguliere TNI‑eenheden opereerden talloze gewapende bendes, vaak losjes verbonden met de Darul Islam‑beweging van Sekarmadji Maridjan Kartosoewirjo. Deze bendes smokkelden contrabande, pleegden plunderingen, afpersingen, ontvoeringen en moorden op burgerbevolking en ambtenaren van de deelstaat Pasundan. Volgens getuigenverklaringen en westerse persberichten waren de autoriteiten van Pasundan niet in staat of bereid de orde te handhaven. Nederlandse militairen (KNIL) trokken zich terug, bleven passief of waren zelf betrokken; de TNI was onderbemand.

Zo werd in 1948 vaandrig D.L.C. Aernout belast met een onderzoek naar corruptie bij de Leger Technische Dienst (LTD) van het KNIL in Bandung. In de nacht van 28 op 29 februari 1948 werd hij in Lembang (West-Java) van dichtbij geëxecuteerd. De officiële lezing legde de verantwoordelijkheid bij een anonieme “bende”, maar er rezen al snel vragen over een mogelijk verband met het corruptieonderzoek waaraan Aernout leiding gaf. Het Bataviaasch Nieuwsblad publiceerde in augustus 1949 een artikel met de suggestieve titel “Wie vermoordde de vaandrig Aernout?”, waarin een groep hoge KNIL-officieren betichtte van corruptie en het in scène zetten van de moord. In de nasleep van de 'zaak-Aernout' beweerde journalist H. Lina in 1950 dat kapitein Raymond Westerling, in opdracht van generaal Spoor (kort voor diens dood in mei 1949), een onderzoek naar de zaak had verricht en dat de rapporten daarvan verdwenen waren. Een officier van justitie die de moord op Aernout onderzocht, zou hebben gezegd: "Dit is een heel vies zaakje en er zijn thans reeds genoeg bewijzen om te verklaren dat hier sprake is van een moord, om het aandeel van verschillende officieren in een omvangrijke wapensmokkel te verdoezelen."

Westerling, die zich in de Puncak‑regio had teruggetrokken, presenteerde zich in deze context als de enige die orde op zaken kon stellen. Hij rekruteerde actief uit dezelfde bendes die hij ostentatief bestreed, en bood boeren “bescherming” aan tegen afpersing. Zo wist hij in enkele maanden tijd een privéleger van duizenden mannen op te bouwen, dat in januari 1950 zou overgaan tot de APRA‑coup.

Ultimatum, de VN en Hatta's arrestatiebevel Vanwege deze aanhoudende onrust op het West-Javaanse platteland en de negara Pasundan, stelde Westerling op 5 januari 1950 de VSI‑regering een ultimatum: erkenning van APRA als officiële politiemacht van Pasundan, anders geweld. VSI-premier Mohammad Hatta reageerde met een arrestatiebevel, waarop Westerling zijn planning versnelde. Hoewel Westerling zichzelf profileerde als beschermer tegen de "bandieten" en "terroristen" in de negara Pasundan, lijkt het waarschijnlijk dat zijn eigen manschappen en transportbedrijf betrokken waren bij een aantal van de gewelddadige schermutselingen die de regio teisterden.

Nadat Westerling op 5 januari 1950 zijn ultimatum had gesteld, trad de Britse majoor C.R. Simpson, militair waarnemer van de United Nations Commission for Indonesia (UNCI), informeel op als bemiddelaar. Volgens Westerlings memoires bezocht Simpson hem om te verzoeken de gestelde termijn van zes dagen te verlengen; Westerling stemde daarmee in. De UNCI distantieerde zich echter openlijk van Simpsons optreden: in een verklaring aan het persbureau Aneta werd uitdrukkelijk meegedeeld dat Simpson geen opdracht had zich met Westerling in verbinding te stellen. Zijn tussenkomst was niet gedekt door het VN‑mandaat.

Nederlandse garanties en het wegtrekken van TNI uit Bandung Uit een Amerikaans diplomatiek memorandum van 24 januari 1950 blijkt dat premier Hatta een week vóór de aanval een cruciale garantie van Nederlandse zijde had ontvangen. Volgens het memorandum herinnerde Hatta de Nederlandse vertegenwoordiger Hirschfeld eraan dat Hirschfeld hem, na eerdere gesprekken over de wenselijkheid van het terugtrekken van twee bataljons uit Bandung, de verzekering had gegeven dat opperbevelhebber Buurman van Vreeden had verklaard dat zijn officieren twee bataljons onder controle zouden houden. Op basis van deze toezegging haalde de regering-Hatta een belangrijk deel van het TNI weg uit Bandung om elders Darul Islam-strijders te bestrijden, die volgens Hatta door Westerling-aanhangers waren geïnfiltreerd. Het gevolg was dat het TNI in Bandung te zwak was toen Westerlings troepen – waaronder eenheden van het KNIL – de stad aanvielen. Het memorandum suggereert dat de Nederlandse garantie niet werd nagekomen, hetzij door onmacht, hetzij omdat Nederlandse officieren sympathiseerden met Westerling. Hatta voelde zich hierdoor misleid, wat de diplomatieke spanning tussen Indonesië en Nederland in de eerste maanden na de soevereiniteitsoverdracht verder opvoerde.

De coup van 23 januari 1950 Het plan voorzag in twee gelijktijdige aanvallen: op Bandung (hoofdstad van Pasundan) en op Jakarta (zetel van de VSI‑regering). De wapens en munitie zouden worden betrokken uit het KNIL‑arsenaal in Bandung. Als Bandoeng en Jakarta overmeesterd waren door de APRA zou Buitenzorg (hedendaags Bogor) volgen, vanwege de bestuurlijke infrasructuur die hier gevestigd waren. Op de avond van 22 januari werden vrachtauto’s geladen, maar door het onverwachte verschijnen van een Nederlandse officier werd de overdracht verhinderd; de auto’s werden in beslag genomen.

Desondanks viel rond 02.00‑03.00 uur op 23 januari een APRA‑eenheid van circa 800 man Bandung aan. Om 05.00‑06.00 uur werd het hoofdkwartier van de TNI‑Siliwangi-divisie bezet. Westerling claimde dat de stad in zijn handen was en sprak van ongeveer 100 doden aan republikeinse zijde. De TNI hergroepeerde zich echter snel; de APRA had bovendien te kampen met munitiegebrek, omdat de depots leeg of zwaar bewaakt bleken.

Een gelijktijdige actie in Jakarta mislukte. Een kleinere APRA‑eenheid onder sergeant Meijer drong de hoofdstad binnen, maar kreeg geen steun van Darul Islam of andere federalistische groepen. Meijer durfde het kabinetsgebouw niet te bestormen; de operatie kwam tot stilstand. Westerling wachtte tot 06.00 uur op de uitblijvende wapens en moest de aanval afblazen.

Na onderhandelingen (waarbij generaal Buurman van Vreede zou hebben gedreigd met een open Nederlands-Indonesische oorlog) gaf Westerling rond 15.00 uur bevel tot terugtrekking. Hij vluchtte tegen 17.00 uur per vliegtuig naar Singapore, hierbij geholpen door Nederlandse en Britse autoriteiten en de Nederlandse missionaris John Thiessen

Nasleep en gevolgen De mislukte coup versnelde de ontmanteling van de federale VSI-structuur. Pasundan werd op 9 maart 1950 opgeheven, gevolgd door andere deelstaten. Op 17 augustus 1950 proclameerde president Soekarno de eenheidsstaat Republiek Indonesië, waarmee een einde kwam aan het federalisme.

Sultan Hamid II werd op 5 april 1950 gearresteerd en op 8 april 1953 wegens hoogverraad veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf; hij kwam in 1958 vervroegd vrij. Kroongetuige Frans Najoan kreeg straffeloosheid toegezegd. Westerling ontweek uitlevering; in Nederland werd hij in 1952 kort aangehouden, maar de rechter-commissaris stelde hem vrij.

Gelijktijdig met de APRA‑coup vielen TII‑troepen (Darul Islam) Tasikmalaya en Garut aan, wat wijst op coördinatie. Een formeel bondgenootschap met leider Kartosuwirjo is echter niet bewezen. Na de mislukking van de coup liepen veel APRA‑strijders over naar Darul Islam, waardoor de Islamitische Staat (NII) werd versterkt.

Onopgeloste moord op Amerikaans duo Op 27 april 1950 vertrokken twee Amerikaanse burgers, professor Raymond Kennedy (43) en Robert J. Doyle (31), ’s ochtends vanuit Bandung in een open jeep richting Cirebon, vanwaar ze verder wilden reizen naar Yogyakarta. Kennedy was een antropoloog verbonden aan Yale University die sinds een jaar in Indonesië verbleef voor onderzoek naar westerse invloeden op de Indonesische samenleving. Doyle was een journalist voor de tijdschriften Time-Life en Fortune en was pas kort daarvoor in Indonesië aangekomen om over de jonge republiek te berichten. De geplande route van Bandung naar Cirebon voerde dwars door een gebied waar in januari 1950 de opstand had plaatsgevonden en waar nog steeds APRA-eenheden actief waren. In Doyles aantekeningen werden later notities over "Westerling" en "APRA" aangetroffen. De Amerikaanse ambassadeur in Jakarta, H. Merle Cochran, telegrafeerde op 28 april aan US Secretary of State Dean Acheson dat de dode lichamen van Doyle en Kennedy waren aangetroffen nadat dorpsbewoners de lokale politie ingelicht hadden. Ambassadeur Cochran voegde hieraan toe dat Doyle eerder diezelfde week hem had ingelicht over zijn reisplannen met Kennedy.Department of State; Incoming telegram from Djakarta; Cochran, 28 April 1950