Laueropterus is een geslacht van de Pterosauria, behorend tot de Monofenestrata, dat tijdens de late Jura leefde in het gebied van het huidige Duitsland. De enige benoemde soort is Laueropterus vitriolus.

Vondst en naamgeving De amateurpaleontoloog Roland Pöschl bezit op de Schaudiberg, nabij Mühlheim bij Mörnsheim in Beieren, een steengroeve, de Alte Schöpfel, die hij systematisch leeggraaft op zoek naar fossielen. In 2007 vond hij daar, buiten de toeristensectie waar belangstellenden tegen betaling mogen opgraven, een steenplaat met daarop zichtbaar het skelet van een pterosauriër. Dit werd, nog niet geprepareerd, verkocht aan de rijke verzamelaar Wolfgang Krauss die het onveranderd doorverkocht aan Günther Hoppe uit Zwitserland. Fossielen zijn in Beieren niet automatisch staatseigendom. Hoppe liet het in Zwitserland prepareren door Beat Imhof waarna het weer overgedaan werd aan Martin Görlich. Die liet de breekbare plaat stabiliseren door Stefan Selzer, waarna de Amerikaanse Lauer Foundation het in januari 2024 verwierf waarop het eindelijk wetenschappelijk onderzocht kon worden. Hoewel uit dezelfde groeve meerdere gelijkende fossielen zijn opgedoken, was de conclusie dat het fossiel een nieuwe soort vertegenwoordigde.

In 2026 werd de typesoort Laueropterus vitriolus benoemd en beschreven door David William Elliott Hone. De geslachtsnaam combineert een verwijzing naar René en Bruce Lauer van de Lauer Foundation for Paleontology, Science and Education met een gelatiniseerd Grieks pteron, "vleugel". De soortaanduiding is afgeleid van het Latijn vitriolum, "zwavelzuur", een verwijzing naar het door putjes ingedeukte botoppervlak dat er uitziet alsof het door zuur is aangetast. Voor zover bekend was de preparatie overigens strikt mechanisch, zonder zuurbaden. De putjes kunnen oude waterschade zijn. De botten zijn opvallend oranje gekleurd; Hone speculeerde dat het kleurende ijzeroxide dat niet in de matrix voorkomt uit het bloed van het dier zelf zou kunnen komen. De Life Sciende Identifiers zijn ce3a64d1-4698-4d57-b2fb-41a1edd2af38 voor het geslacht en E6B29691-795C-4B04-8DFE-14EDDFF13B0A voor de soort.

Het holotype, LF 6268, is gevonden in een laag van de Mörnsheimformatie, de Malm Zèta 2b-3, die stamt uit het vroege Tithonien en ongveer 150 miljoen jaar oud is. Het bestaat uit een skelet met schedel. Het omvat het cranium, de onderkaken, de meeste wervels van de nek en de rug, het heiligbeen, enkele staartwervels, de schoudergrordel, het bekken en de bijna volledige ledematen. Alleen wat halswervels liggen in verband; de overige botten zijn verstrooid geraakt. Het skelet is platgedrukt.

Beschrijving

Laueropterus heeft een geschatte spanwijdte van een meter.

Hone stelde een unieke combinatie van kenmerken vast die overigens ook bij andere basale Monofenestrata te vinden waren. Het eerste kootje van de vierde vinger (de vleugelvinger) was kort vergeleken met het tweede kootje met 80% van de lengte. Het vierde kootje van de vleugelvinger is langer dan het eerste kootje, een kenmerk gedeeld met Darwinopterus robustodens). Het opperarmbeen is zeer recht met bijna geen kromming in de schacht, gedeeld met Makrodactylus. Het opperarmbeen is korter dan het dijbeen, gedeeld met Skiphosoura. Het boveneinde van het vierde middenhandsbeen is sterk verbreed, vooral aan de palmzijde, tweemaal breder dan de onderzijde aan de kant van de vinger. Het achterblad van het darmbeen is lang met een geleidelijke buiging naar beneden.

Laueropterus staat in bouw zeer dicht bij Skiphosaura met proportionele verschillen die verklaard kunnen worden door individuele, seksuele of ontologische variatie. Dat suggereert dat het om dezelfde soort gaat; alleen een grotere verzameling fossielen kan een oplossing bieden voor dit vraagstuk. Meer duidelijke verschillen zijn een veel grotere buitenste onderste gewrichtsknobbel van het opperarmbeen bij Laueropterus en het ontbreken van verbeende pezen op de staart. Hone had vertrouwen dat het toch aparte soorten zijn omdat bij pterosauriërs de intrapecifieke variatie vaak laag is. Een overeenkomst met Skiphosaura ligt in de zware onderkaken met lange kromme tanden, zeven paar in de symfyse.

Fylogenie Hone voerde geen exacte kladistische analyse uit maar plaatste Laueropterus in de Monofenestrata.

Levenswijze Hone viel op dat de soorten in Mörnsheim groter waren dan die in het iets jongere Solnhofen. Daar had hij verschillende verklaringen voor. Het zou een tafonomisch effect kunnen zijn, dus dat de afzettingsomstandigheden het fossiliseren van grotere lichamen waarschijnlijker maken. Een andere mogelijkheid is dat over een bepaalde zone van de zee meer landbewonende soorten vlogen. Onwaarschijnlijk achtte hij het dat opgravers in het ene gebied een grotere voorkeur hadden voor fossielen van een bepaald formaat dan in het andere.

Literatuur

Categorie:Pterosauriërs