was een verzamel- en verdeelpunt in Den Haag dat zich tijdens de Tweede Wereldoorlog bezighield met de inventarisatie, selectie, verkoop en transport van (geconfisqueerde) kunstvoorwerpen uit Nederland.Dienststelle Mühlmann deed tevens, maar in mindere mate, zaken met Belgische kunsthandelaren. Het was met name gericht op Nederland. De organisatie werd geleid door Kajetan Mühlmann en stond onder toezicht van Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart.

De werken die werden verhandeld door waren bedoeld voor het geplande Führermuseum in Linz, Duitse en Oostenrijkse musea, alsmede voor nazifunctionarissen als Hermann Göring, Hans Frank en Heinrich Himmler. Oprichting Kajetan Mühlmann was als 'bijzonder gevolmachtigde voor de bescherming en veiligstelling van kunstwerken in de bezette oostelijke gebieden' in 1939 betrokken geweest bij de confiscatie van kunstvoorwerpen uit het Generaal-gouvernement. Mühlmann richtte op 16 mei 1940, kort na de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog in Nederland, op.De Nederlandse inlichtingenofficier Jan Vlug schreef na de oorlog gekscherend dat 'Rotterdam nog in brand [stond] toen Kajetan Mühlmann in zijn SS-uniform in Nederland aankwam om zijn functie bij zijn Dienststelle op zich te nemen'. De organisatie stond onder toezicht van Seyss-Inquart die Mühlmann voorzag van drie bankrekeningen en het startkapitaal.

Het bureau was aanvankelijk gesitueerd in een pand aan Plein 23 waar tevens de staf van de Rijkscommissaris was gevestigd. In juli of augustus 1940 verhuisde het naar Huis Schuylenburch aan de Lange Vijverberg 8. Vanaf december 1940 tot en met de zomer van 1944 werkte vanuit een herenhuis aan de Sophialaan 11. Na de opening van het kantoor in Den Haag volgden dochterondernemingen in Amsterdam, Brussel, Parijs, Wenen en Berlijn.

Kunsthandel miniatuur|Zelfportret van Rembrandt van Rijn (1669). In 1940 verworven door voor het Führermuseum. Het werk was in bezit van de Joodse familie Rathenau en vanaf 1925 in bruikleen door het Rijksmuseum Amsterdam. Het werk was tijdens de oorlog ondergebracht in een zoutmijn in Altaussee.

handelde in geconfisqueerde werken en kocht daarnaast kunst aan voor lage prijzen om door te verkopen aan kunsthandelaren, nationaalsocialistische functionarissen en andere geïnteresseerden.

De Nederlandse kunstmarkt kende een lange handelsgeschiedenis met Duitsland, waardoor Nederlandse en Duitse kunsthandelaren ook tijdens de Tweede Wereldoorlog nauw bleven samenwerken. Onder meer kunsthandelaar Myrtil Frank, antiquair Jans Denijs, Kunsthandel Etienne Delaunoy N.V. en Kunsthandel D.A. Hoogendijk & Co. deden zaken met Mühlmann. Daarnaast handelde Mühlmann met antiquairs, kunsthandelaren en -verzamelaars uit België, waaronder Maurice Lagrand, Louis Manteau en Pieter Smidt van Gelder, van wie hij kunst en interieurstukken kocht.

Werken werden door rechtstreeks verkocht aan geïnteresseerden en daarnaast ook te koop aangeboden bij Duitse en Oostenrijkse veilinghuizen, waaronder veilinghuis Hans Lange in Berlijn, en veilinghuizen Weinmüller en Dorotheum in Wenen.

Mühlmann rekende een commissie van 15% op alle verkopen, behalve als de werken verkocht werden aan Adolf Hitler, voor zijn geplande Führermuseum, of een van zijn functionarissen. Bij de verkoop kregen Hitler en Göring eerste keus. Tot Mühlmanns klantenkring behoorden onder anderen Hans Frank, Heinrich Himmler, Heinrich Hoffmann, Ernst Kaltenbrunner, Erich Koch, Baldur von Schirach, Julius Schaub, Josef Thorak en Fritz Todt. Tijdens de oorlogsjaren verkocht minstens 1.114 werken, waarvan 84 rechtstreeks aan Hitler.

Confiscaties en gedwongen verkopen Geconfisqueerde kunstwerken werden aangeleverd door de (SD) en de dienst voor de behandeling van vijandelijk vermogen. De , een Duitse organisatie die zich in Nederland bezighield met de 'arisering' van Nederlands-Joodse bedrijven, voorzag van lijsten met de belangrijkste kunstcollecties die als vijandelijk vermogen werden beschouwd.

Het archief en de werknemers van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie werden regelmatig door de medewerkers van de Dienststelle geraadpleegd om historisch onderzoek te doen naar de kunstvoorwerpen.

Vanaf 21 mei 1942 werd de toestroom van kunstwerken vergroot, nadat Seyss-Inquart een verordening had ingesteld waarbij Joden verplicht werden om onder andere hun antiek, goud, zilver en kunstvoorwerpen in te leveren bij de door de Duitsers onteigende bank Lippmann, Rosenthal & Co.. Deze goederen werden vervolgens overgebracht naar Hans Fischböck, met wie Mühlmann reeds eerder in Wenen had samengewerkt. Fischböck zorgde dat de kunstwerken werden overgebracht naar waar ze werden beoordeeld door kunstexperts Franz Kieslinger en Eduard Plietzsch.miniatuur|Venus met Amor als honingdief (na 1537), door Lucas Cranach de Oude.

Kröller-Müller Museum trad tevens op als tussenpersoon bij ruiltransacties waarbij werken uit Nederlandse collecties of van Nederlandse handelaren werden geruild tegen werken uit Duitse collecties. In bepaalde gevallen, zoals bij het Kröller-Müller Museum, was hierbij sprake van gedwongen verkoop. Göring had interesse in drie schilderijen die onderdeel waren van de collectie van het Kröller-Müller Museum. Het ging om de werken Venus en Amor (1524-1525) door Hans Baldung Grien, Venus met Amor als honingdief (na 1537) door Lucas Cranach de Oude en een dubbelpaneel (1524) van Bartholomeus Bruyn de Oude.

De werken zouden voor Duitsland een 'grote gevoelswaarde' hebben en daardoor moeten worden afgestaan. Daarnaast waren deze werken volgens Göring onder onrechtvaardige omstandigheden in het bezit van de familie Kröller-Müller gekomen, aangezien deze na de Eerste Wereldoorlog voor te lage prijzen waren aangekocht. In oktober 1940 werden de drie schilderijen uit het Kröller-Möller Museum door Mühlmann weggehaald. De drie werken waren bedoeld voor het Führermuseum, maar bleven in bezit van Göring.

In ruil werd er een fonds met 600.000 gulden opgericht dat gebruikt kon worden voor de aankoop van nieuwe schilderijen. Daarnaast werden impressionistische werken van onder anderen George Hendrik Breitner, Jean-Baptiste-Camille Corot, Edgar Degas, Henri Fantin-Latour, Vincent van Gogh, Camille Pissarro en Pierre-Auguste Renoir aangeboden. Twee van deze werken werden na de Tweede Wereldoorlog aangemerkt als roofkunst, omdat zij afkomstig bleken uit geroofd joods bezit. De transactie kan worden gezien als ongelijkwaardig, aangezien werken van voornoemde kunstenaars in nazi-Duitsland werden gezien als ontaarde kunst.

Collectie Fritz Mannheimer Mühlmann omschreef de collectie van de in Nederland wonende Duitse bankier Fritz Mannheimer als 'de meest veelzijdige en uitmuntende' onder de particuliere kunstcollecties in Nederland. Mannheimer was in de jaren twintig en dertig directeur bij de Amsterdamse tak van de bank Mendelssohn & Co.. Doordat hij grote schulden had, kwam een deel van zijn collectie in 1924 in bezit van de bank.

Nadat de bank in 1939 failliet ging, werd de collectie onderdeel van de te verkopen boedel. Aanvankelijk had Alois Miedl, de kunsthandelaar van Göring, een optie van 7,5 miljoen gulden op de collectie. Seyss-Inquart was van mening dat de collectie 'joods bezit' was, en daarom geconfisqueerd moest worden. Maar aangezien de weduwe noch de schuldeisers joods waren, was inbeslagname niet mogelijk. Volgens Mühlmann ging het om werken die 'ooit ontroofd waren aan het onvervreemdbaar erfgoed van het Duitse volk' en daarom terug naar Duitsland moesten. De collectie, bestaande uit ruim drieduizend kunstwerken, werd uiteindelijk in 1941 voor 5,5 miljoen gulden verworven, met als beoogde bestemming het geplande Führermuseum in Linz.De weduwe van Mannheimer woonde in Frankrijk. Haar geërfde deel van de collectie bevond zich aldaar. De drieduizend werken kwamen uit het deel van de collectie dat zich nog in Nederland bevond. Bij de verkoop liet advocaat Everhard Korthals Altes vastleggen dat de koop onder dwang had plaatsgevonden. miniatuur|Het paartje (ca. 1650), door Jacob van Loo was onderdeel van de collectie van Alphons Jaffé. Het werd in 1941 in beslag genomen door en was bestemd voor het Führermuseum.

Collectie Alphons Jaffé In maart 1939 gaf de Joodse kunstverzamelaar dr. Alphons Jaffé 79 kunstwerken in bruikleen aan het Museum De Lakenhal in Leiden. Zijn collectie bestond uit werken van zeventiende-eeuwse meesters, onder meer van Albert Cuyp, Adam Elsheimer, Jan van Goyen, Willem Kalf, Nicolaes Maes, Adriaen van Ostade, Aert van der Neer, Peter Paul Rubens, Jacob van Ruisdael, David Teniers, Giovanni Battista Tiepolo en Adriaen van de Velde.

In februari 1940 werden twintig werken van Jaffé op zijn verzoek uit het museum opgehaald om naar Londen overgebracht te worden. Later die maand volgde een tweede zending met twee werken. Een derde zending, in april 1940, heeft Londen nooit bereikt; negen van de tien schilderijen uit deze zending werden in beslag genomen door . De overgebleven werken die nog in bruikleen waren bij het museum werden in maart en mei 1941 in beslag genomen als vijandelijk bezit. De werken uit de collectie van Jaffé werden verkocht voor prijzen ver onder de marktwaarde en kwamen terecht bij onder anderen Hitler en diens huisfotograaf Heinrich Hoffmann. In 1946 waren nog negenentwintig schilderijen vermist.

Medewerkers (selectie)

Franz Kieslinger - kunsthistoricus Eduard Plietzsch - kunsthistoricus Josef Mühlmann - kunsthistoricus Jacobus Romper - transport Kurt Eder - transport Richard Ernst - administratie (1940 – 1942)Over de betrokkenheid van Ernst bestaat enige discussie. Bernhard Degenhart - administratie (1942 – 1944) Rosa Bauer - secretaresse Greta Bauer - secretaresse

Opheffing In de zomer van 1944 vertrok Kajetan Mühlmann naar Wenen waar hij de Dienststelle tot en met 1945 voortzette. Na de oorlog werd de Dienststelle in Nederland geliquideerd door Jan Gerrit van Gelder, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie.

Galerij

Literatuur

Noten

Referenties

Categorie:Kunstroof Categorie:Tweede Wereldoorlog in Den Haag