Portugees-Socotra (Portuguees: Socotorá Portuguesa) was een kortstondige kolonie op het Jemenitische eiland Socotra door het Portugese Rijk. Het eiland werd in 1507 door Tristão da Cunha en Afonso de Albuquerque veroverd op het Sultanaat Mahra uit Qishn. In 1511 werd Socotra echter alweer verlaten en keerde het eiland terug onder het bewind van de Banu Afrar-dynastie van Mahra.

Geschiedenis thumb|left|150px|Afonso de Albuquerque.

Aan het begin van de 16e eeuw was Portugal verwikkeld in een oorlog met het Mamlukse sultanaat van Egypte, de zamorin van Calicut en de Republiek Venetië om de macht over de handel in de Indische Oceaan.The Cambridge History of the British Empire, Volume IV, British India, H. H. Dodwell, Cambridge University Press, pp. 8-9. Koning Emanuel I was ervan overtuigd dat Socotra een ideale basis kon zijn om de hem vijandige islamitische scheepvaart via de Rode Zee tussen India en het Midden-Oosten af te snijden. Hij gaf daarom opdracht het eiland te veroveren, er een fort op te bouwen en er een vloot te stationeren. Op Socotra woonde toen een gemeenschap van Nestoriaanse christenen, die de Portugezen hiermee meteen ook van de moslimheerschappij konden bevrijden.

In april 1506 werd kapitein-majoor Tristão da Cunha vanuit Lissabon uitgezonden met een vloot van 14 schepen. Vijf daarvan stonden onder bevel van kapitein-majoor van de Arabische zeeën Afonso de Albuquerque. Op weg naar Socotra viel de expeditie uiteen, maar herenigde zich aan de oostkust van Afrika. Terwijl ze wachtten op het juiste seizoen om verder te varen, brachten ze het eiland Madagaskar in kaart, dat toen bekend stond als "São Lourenço".

In april 1507 bereikten de Portugezen de Socotrische havenplaats Suq en troffen daar een goed versterkt fort aan van de Mahra's, dat gebruikt werd om belasting te heffen van de bevolking rond de plaats. De commandant van het fort was de zoon van de sultan sjeik Khawadjah Ibrahim. Hij had de beschikking over 130 man troepen. De Portugezen gaven Ibrahim de kans om zich vreedzaam over te geven, maar hij weigerde.José Pereira da Costa: "Socotorá e o Domínio Português no Oriente" in Revista da Universidade de Coimbra volume XXIII, Coimbra, 1973, pp. 6-21 De volgende morgen vielen Tristão da Cunha en Afonso de Albuquerque daarop het fort aan met twee eskaders. De Portugezen wisten het fort na een korte strijd te veroveren, waarbij Ibrahim om het leven kwam.

Oprichting van de kolonie Het veroverde fort werd omgedoopt tot São Miguel (heilige Michaël). Het fort had een arsenaal, een donjon en waterbekkens met pijpen om het water af te voeren. Het bleek echter niet meer dan de helft van het garnizoen van 200 man te kunnen huisvesten en werd daarom verbouwd. Een deel van de soldaten moest in de tussentijd in nabijgelegen huizen verblijven. Dom Afonso de Noronha werd aangesteld als kapitein, Fernão Jácome de Tomar als alcaide-mor (ondercommandant) en Pero Vaz de Orta als koninklijke factor, belast met het toezicht op de handel.

De Nestoriaanse bewoners waren volgens Portugese bronnen blij dat ze bevrijd waren van de islamitische heerschappij, maar het is de vraag of dit altijd daadwerkelijk zo was of dat een deel dit vooral deed in ruil voor materiële hulp. Broeder Francisco do Loureiro en enkele andere franciscanen doopten een aanzienlijk aantal inwoners te midden van grote festiviteiten.

Afonso de Albuquerque confisqueerde de palmbomen van de moslimbewoners en gaf deze aan de christenen. De moskee in het fort werd omgebouwd tot een kapel ter ere van Nossa Senhora da Piedade (Onze Lieve Vrouw van de Overwinning). De Portugezen bouwden in de plaats een kerk gewijd aan de apostel Thomas. Ook bouwden ze een klooster, het eerste Portugese klooster ten oosten van Kaap de Goede Hoop.

Tristão da Cunha vertrok vervolgens op 10 augustus 1507 met zijn schepen naar Portugees-India. Albuquerque vertrok tien dagen later om het koninkrijk Hormuz in de Perzische Golf te veroveren.

Neergang en vertrek De omstandigheden op Socotra bleken echter minder gunstig dan verwacht. De Mahra hadden vaak Socotrische vrouwen en wisten de lokale bevolking ervan te overtuigen dat de Portugezen niet waren gekomen om het eiland te bevrijden, maar on het te overheersen en dat ze moesten stoppen met het geven van voedsel aan de bezetters. Het garnizoen was daardoor uiteindelijk genoodzaakt om zelf voor hun eten te zorgen. Albuquerque ad in tussentijd een aantal centrale plaatsen rond de Perzische Golf veroverd (onder andere Muscat en Hormuz). Toen hij bij terugkeer in 1508 te horen kreeg dat de lokale bevolking de Portugezen niet meer goedgezind was, werd hij woedend en strafte hen met geweld en legde hoge belastingen op aan de lokale bevolking: vanaf dat moment moesten zij jaarlijks 600 schapen of geiten, 20 koeien en 40 zakken dadels afdragen aan het garnizoen. Dit hielp niet bij het winnen van de harten van de lokale bevolking. Het eiland was daarnaast afgelegen en het klimaat guur.

In 1509 waren er nog zo'n 120 mannen over van het garnizoen. In december van dat jaar werd Afonso de Albuquerque benoemd tot gouverneur van India. Hij besloot daarop het eiland te evacueren en stuurde daartoe drie schepen naar het eiland. In 1511 vertrokken alle 200 man troepen en minstens zoveel vrouwen (vaak Socotrische minaressen van de soldaten) van het eiland.

Na 1511 Nadat de Portugezen vertrokken waren, werd het eiland heroverd door de Banu Afrar-dynastie. Tot de 19e eeuw bleef Socotra in het bezit van het sultanaat.

De sultans sloten een bondgenootschap met de Portugezen omdat ze in de decennia erna werden bedreigd door de groeiende macht van het Ottomaanse Rijk, dat in 1517 Egypte en in 1538 Aden had veroverd.

In de 16e en 17e eeuw werd het eiland regelmatig gebruikt als aanlegplaats voor Portugese kooplieden en oorlogsschepen die op zoek waren naar water of informatie over vijandelijke bewegingen in de regio.

In 1541 ging er een armada voor anker onder bevel van de gouverneur van India, Estevão da Gama. Hij was onderweg om een aanval uit te voeren op Ottomaanse posities in de Rode Zee. Tijdens zijn verblijf daar maakte Dom João de Castro een aantal schetsen en afbeeldingen van het eiland voor navigatiedoeleinden. In 1548 verdreven de Portugezen de Ottomanen uit Qishn en gaven het terug aan de inheemse heersers. De grote Portugese dichter Luís de Camões werd later geïnspireerd door het barre klimaat van het eiland en schreef een gedicht getiteld Junto a Um Seco, Estéril e Fero Monte ("Bij een droge, kale en angstaanjagende heuvel"). De Portugezen kregen toestemming van de sultan om te preken tegen de lokale christenen. Het eiland werd vaak bezocht door christelijke missionarissen, hetzij op eigen kosten, hetzij als ambassadeurs van de Portugese gouverneur in Goa. Zo bracht in 1542 jezuïet Franciscus Xaverius een bezoek aan het eiland op weg naar India, waarbij hij schreef over het land en de tradities van de inwoners. Hoewel sommige missionarissen er prat op gingen grote aantallen Socotri te hebben bekeerd, is het twijfelachtig of hun inspanningen in de praktijk veel effect teweeg brachten.

In de 19e eeuw beweerde een groot aantal inwoners van het heuvelland van Socotra nog steeds af te stammen van de Portugezen.Isaac Bayley Balfour: Transactions of the Royal Society of Edinburgh: Botany of Socotra, Robert Grant & Son, Edinburgh, 1888, XXV.

Socotra Categorie:Socotra (eiland) Categorie:Geschiedenis van Zuid-Jemen Categorie:Historisch land in het Midden-Oosten