Vastelaovesliedjes zijn carnavalsliedjes uit de provincie Limburg. In de verschillende dialecten worden ze ook vastelaovesleedjes, vastelaovesleidjes, vastelaovendsleedsjes of vasteloavesschlagers genoemd. Ze wijken qua kenmerken af van carnavalsliedjes uit andere delen van Nederland en worden daarom vastelaovesliedjes genoemd. De liedjes worden vooral afgespeeld en gezongen tijdens de Vastelaovend, zoals het carnaval (de carnavalsperiode, het vijfde seizoen) in bijna alle plaatsen in Limburg en in het Duitse Rijnland wordt genoemd. 'Vastelaovend' is een dialectwoord voor Vastenavond. In de Lijst van Muziekstijlen per genre zouden vastelaovesliedjes het beste onder te brengen zijn bij het genre Folk/Volksmuziek en Wereldmuziek en vallen ze onder de muziekstijl Volksliederen.

Limburg telt duizenden vastelaovesliedjes in verschillende Limburgse dialecten. Iedere plaats in Limburg heeft eigen liedjes. Jaarlijks worden een paar honderd nieuwe liedjes geschreven en gecomponeerd. Veel van die liedjes krijgen bekendheid door inzending of deelname aan lokale of regionale liedjesconcoursen. De organisatie daarvan is in handen van vastelaovesverenigingen of lokale en regionale cultuurinstanties. ‘Vastelaovesleedjes in Limburg vormen een onoverzienbare hoeveelheid aan teksten. Los nog van het feit dat het om streektaal gaat, is er een erg groot kwaliteitsverschil’, schrijft auteur Peter Winkels in het boek ’Vastelaovend Vertelt Verteld Vertel!’.

Kenmerken Carnavaloog Theo Fransen noemt als eerste, in 1981 in zijn boek ‘Carnaval Ontmaskerd’, enkele kenmerken van vastelaovesliedjes. Volgens Fransen is het lied een ‘uiting van trots op het eigen dorp, de eigen stad of streek, van lokaal patriottisme; een lofzang op de eigen plaats, derhalve in het eigen plaatselijke dialect, gericht op bevestiging en versterking van de liefde voor en trots op de eigen plaats. Het wil de eigen identiteit van de plaats centraal stellen; het is een bewuste uiting van chauvinisme, maar wel van gezond chauvinisme’. Je kunt zo’n lied volgens Fransen ook een negatief kenmerk geven. ‘Het lied zet zich af tegen identiteitsverlies en vervreemding, tegen veranderingen die de eigenheid aantasten, tegen schaalvergroting en opgaan in de massa’. Verder ziet de schrijver het lied als een uiting van eigen cultuur. ‘En dus niet als uiting van drie dagen van cultuurloosheid. Het carnavalsgebeuren en het carnavalslied zijn niet on- of a-cultureel, maar anders-cultureel’.

Globaal zou je de teksten van vastelaovesliedjes kunnen onderbrengen bij één of meerdere van onderstaande kenmerken of eigenschappen:

ze worden gezongen in het eigen dialect van dorp of stad

er wordt gebruikgemaakt van omkering, op het verkeerde been zetten, satire

de actualiteit wordt op de hak genomen

het kan een drinklied zijn

het is een knipoog naar een onderwerp uit de geschiedenis/historie

het is een ode aan de stad of dorp

het lied is een ode aan de Vastelaovend zelf

het einde van de winter (kou) en de komst van het voorjaar (vruchtbare warme seizoen) worden bezongen

het is een lofzang op het leven en de vergankelijkheid

het is een lofzang op de liefde of een geliefde

het ridiculiseert karaktereigenschappen van de man en vrouw

de mens als schepsel met al zijn tekortkomingen wordt bezongen

het zijn vrij makkelijk mee te zingen en te onthouden refreinen

ze stralen een sfeer van gezelligheid en eigenheid uit

Melodieën en composities ‘Carnaval is zonder zijn eigen specifieke muziek niet mogelijk’, zegt Math Wijnands in zijn boek ‘Viva Vastelaovend’. ‘De vastelaovend is dan ook een van de weinige volksfeesten met een eigen muziekstijl. Uiteraard gaat het voornamelijk om vrolijke feestmuziek. Maar toch zijn er in het Limburgse carnaval, vooral in de carnavals-kleinkunst, met regelmaat ingetogen liedjes te horen. Limburg kent een eigen herkenbaar soort carnavalsmuziek. Los van de dialectteksten, kennen de Limburgse liedjes een speciale, typische sound. In vergelijking met de boven-Moerdijkse carnavalsmuziek zit er in de Limburgse vastelaovendsmuziek veel meer variatie. De melodie is heel belangrijk, vaak klinkt daar de gemoedelijke Limburgse inborst duidelijk in door. Bovendien zijn er meer composities dan elders in het land gebruikelijk is in de driekwartsmaat geschreven: 't welske. 'Sjoenkele' is tijdens Limburgse feesten een populaire bezigheid’. Er bestaan geen regels of afspraken over muziekstijlen bij het schrijven of componeren van vastelaovesliedjes. Van oudsher werden walsmuziek en marsmuziek gebruikt. In de jaren 80 en 90 van de 20ste eeuw werden sporadisch samba’s, dixies en tango’s toegevoegd aan het muzikale repertoire maar de marsen voerden dan nog de boventoon. Ook polka’s werden populair vanwege invloeden uit het Rijnland maar vergeet ook niet de populariteit in Limburg van Duitse, Oostenrijkse en Tsjechische blaasorkesten en hun repertoire. Na het jaar 2000 is de vastelaovesmuziek in snel tempo veranderd of beter gezegd; meegegaan met de tijd. De ontwikkeling op muzikaal gebied, en zeker de invloed van popmuziek, heeft ervoor gezorgd dat vastelaovesteksten op alle muziekstijlen van toepassing zijn. Rock, ska, folk, country, dance, balkansounds, voor alle muziekstijlen gaan de deuren open. En vooral de jeugd omarmt nieuwe muzikale invloeden binnen de vastelaovesmuziek. Het is daarom ondoenlijk, maar ook nergens voor nodig, om te bepalen aan welke muzikale eisen de melodie van een vastelaovesliedje moet voldoen. In Limburg is de invloed en populariteit van carnavalsliedjes van bands en artiesten uit Keulen ook voelbaar.

Geschiedenis De oorsprong van vastelaovesliedjes en carnavalsliedjes is te vergelijken met die van andere volksliederen, zoals Sinterklaasliedjes, Geuzenliederen, drinkliederen, soldatenliedjes, Kerstliedjes, Shanties en kinderliedjes. Ze bestaan al heel lang en worden al lang gezongen, maar er zijn slechts enkele Limburgse versjes en liedteksten uit het verleden bewaard gebleven. De eerste fragmenten vinden we in de 19de eeuw als ook de eerste vastelaovesgezelschappen (carnavalsverenigingen) in Limburg worden opgericht. Dat waren in eerste instantie mannensociëteiten in de oude garnizoensteden als Maastricht, Venlo, Valkenburg en Sittard, die vastelaovesvieringen zoals zittingen, bals en optochten organiseerden. Omdat ‘samen zingen’ een vaste bezigheid is op zittingen en bals publiceerden de clubs boekwerkjes met daarin een verzameling liedteksten op bestaande melodieën. Het Maastrichts lied ‘Veer drage drei kleure’ (De Momus mutz) uit 1841 is daar een voorbeeld van. Ook Keulen, waar de organiseerde vastelaovend in 1924 start met de oprichting van een carnavalsvereniging, kent dit soort ‘Liederbücher’. Het Karnevalsmuseum in Keulen bewaart een compositie uit 1828 die bekendstaat als ‘Cölnische Carnevals Favorit-Tänze’. Het oudste liederenboek stamt uit 1834. De eerste Limburgse carnevalsverenigingen kenden een moeizaam bestaan, gingen vaak in ruste, en kwamen soms weer tot leven. Het eerste ‘eigen’ vastelaovesliedje van Venlo moet in 1881 zijn gemaakt door componist en dirigent Gerard Hamm. ‘De Sentimentele’ is het eerste lied in dialect met een eigen melodie. Hamm schrijft voor Jocus ook de Jocus Walzer, een intochtmars die de Venlose vereniging nu nog gebruikt bij binnenkomst. In Sittardse archieven is het lied ‘De Marotte zulle laeve’ van schrijver Salomon Ossendrijver uit 1882 aangetroffen. Het dorp Heel heeft een ‘Haelder Vastelaovesleedje van den optocht van 1897’. Het gemeentearchief van Roermond bewaart partituren van de ‘Flarus Marche’ van componist Louis Guillaume uit ongeveer 1898. En in de Roermondse Flarus-Courant uit 1886 vinden we een tekst van het Flarusleed ‘Doe hubs ’t erg’. Tussen 1920 en 1935 verschijnen een handvol in de regio gemaakte liedjes. Uit 1927 en 1928 stammen twee Maastrichtse liedjes van Jacques Pirson en G.F. de Pauw. Het Weerter vastelaoveslied ‘Laotj os vastelaovundj viere’ is van 1934. Venlonaren horen op een carnavalszitting in 1935 voor het eerst het nummer ‘Venlo Stedje’ door toneelstudent Funs van Grinsven in 1933 uit heimwee in München geschreven. Ook zijn er dan al de Venlose liedjes ‘Elf van Elf’ en ‘Mooder Maas’. Maar vanaf 1936 krijgen vastelaovesverenigingen in Limburg een vastere voet aan de grond. Uit die korte vooroorlogse periode 1936-1939 stammen dan ook de eerste eigen vastelaovesliedjes per stad of dorp in eigen dialect. Ook de teksten en melodieën zijn voor het eerst origineel. Het organiseren van liedjesconcoursen stimuleert veel lokale muziekamateurs, vaak leden van zangkoren, fanfares en harmonieën, tot het maken en zingen van vastelaovesliedjes. Het ‘gewone’ volk viert vastenavond in die periode nog altijd door het zingen van soldatenliedjes, Duitse drinkliederen of schlagers. Maar ook door dansend en hossend over straat volkswijsjes en (kinder)versjes op te dreunen. Het zingen van soldatenliedjes heeft zijn oorsprong in de aanwezigheid van militairen in garnizoensteden die volop de vastelaovend meevierden. Soldaten waren vaak niet afkomstig uit Limburg, trokken zich weinig aan van de bezwaren die de kerk of stadsautoriteit had tegen de vastelaovend, en beschikten meestal over eenvoudige muziekinstrumenten zoals een trom of trompet. Deze jongens, vaak met een niet-katholieke achtergrond, hebben in veel steden de carnavalsviering levendig gehouden. miniatuur|De Venlose zanger Funs van Grinsven ontdekt in 1945 in de puinhopen van zijn ouderlijke woning de mantel die hij in 1938 als prins droeg.

Wedstrijden