thumb|Detail van de twee oudst bekende schoolzangen, geschreven in de periode 1511-1513 door Bartholomæus Coloniensis, rector aan de Latijnse school te Alkmaar. Het bovenste deel is het slot van de ode aan Sint Matthias en het onderste deel de aanhef van de ode aan Sint Laurentius.Regionaal Archief Alkmaar.

Een schoolzang, in het Latijn carmen scholasticum, ook vaak aangeduid als cantilene, was een lied dat werd geschreven voor leerlingen van Latijnse scholen in de zestiende-eeuwse noordelijke Nederlanden. Het was gebruikelijk elk jaar een nieuwe schoolzang te schrijven, die publiek werd uitgevoerd op of voorafgaand aan een vaste feestdag, die per stad kon verschillen. Veelal werd de schoolzang gedrukt en in kleine oplage uitgegeven.

Geschiedenis Bartholomæus Coloniensis was voor zover bekend degene die de schoolzang introduceerde in de noordelijke Nederlanden. Hij was van 1511 tot 1513 rector van de Latijnse school in Alkmaar en kende de gewoonte waarschijnlijk uit Münster, waar hij leraar was geweest. Vanuit Alkmaar verspreidde de schoolzang zich naar Latijnse scholen in Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Schiedam, Gouda, 's-Hertogenbosch, Utrecht, Zwolle en Zutphen, en waarschijnlijk naar nog meer steden.

Toen deze steden geleidelijk overgingen naar het protestantisme veranderde het karakter van hun Latijnse scholen. Een voor een stopten ze met de gewoonte van een jaarlijkse schoolzang, waardoor er na 1600 nog nauwelijks nieuwe schoolzangen werden geschreven en de kennis erover verloren ging.

Driehonderd jaar later werden de schoolzangen herontdekt door C.P. Burger jr., bibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Tussen 1912 en 1925 publiceerde Burger een reeks van acht artikelen in het tijdschrift 'Het Boek' over de carmina scholastica. Hij besprak daarin 32 schoolzangen uit Amsterdam en 6 uit Alkmaar. In 1918 publiceerde Jan Frederik van Someren, op dat moment bibliothecaris van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek, in hetzelfde tijdschrift een artikel over Utrechtse schoolzangen. Hij rubriceerde er 28. De informatie die Burger en Van Someren verzameld hebben is later door anderen aangevuld. Daardoor is van 86 carmina scholastica de tekst ontsloten, van vijf de gehele melodie en van een de melodie van het refrein.Dekker, p. 188

Kenmerken De schoolzang werd traditioneel door de rector van de school geschreven, zowel de tekst als de melodie. De tekst was in het Neolatijn, de taal die toentertijd in grote delen van Europa de voertaal was van de wetenschappelijke gemeenschap. Alleen het refrein was vaak geheel of gedeeltelijk in het Nederlands. In dat geval werd ook weleens een bestaande melodie gebruikt; dat stimuleerde het meezingen door het publiek. Het is onduidelijk in hoeverre er sprake was van meerstemmige zang en instrumentale begeleiding. De coupletten werden mogelijk ook wel gereciteerd. De schoolzang had – net als het schooltoneelstuk – een instructieve functie in het humanistisch onderwijs. Het lied had daartoe vrijwel steeds een stichtelijke strekking en bevatte leerzame elementen zoals een niet-alledaagse versmaat, nieuwe woorden of mythologische verwijzingen.Dekker, pp. 189, 190Groot, p. 33

Opvoering thumb|Een jongenskoor met orkest. Opvallend zijn het grote muziekboek en de blaasbalg van het orgel. Detail uit de gravure 'Temperantia' van Pieter Bruegel de Oude, circa 1546.Museum Boijmans Van Beuningen. Het was gebruikelijk dat de nieuwe schoolzang niet alleen opgevoerd werd voor het schoolbestuur en de medeleerlingen, maar ook gepresenteerd werd aan de burgers en het stadsbestuur. De publieke presentaties hadden mede tot doel om de positie van de school in de maatschappij te verstevigen. Daartoe werd de zang opgevoerd in een kerk, een stadhuis of een plein in de stad. Er is nauwelijks iets met zekerheid bekend over een eventuele instrumentale begeleiding. Onder verwijzing naar de praktijk bij schooltoneelstukken van Macropedius kan worden aangenomen dat de schoolzang waarschijnlijk begeleid werd door een tokkelinstrument als een luit of een lier, dan wel door een klavecimbel of een orgel.Groot, p. 27

De opvoering vond meestal plaats tegen het einde van het jaar, de precieze dag was niet overal dezelfde. In veel gevallen gebeurde het rond de feestdag van de beschermheilige van de stad, in andere op Kerstavond en in weer andere op de dag dat nieuwe stadsbestuurders benoemd werden. Mogelijk gebeurde het ook wel bij meerdere gelegenheden in hetzelfde jaar. Er zijn betalingen bekend van stadsbesturen aan rectoren voor het schrijven van het carmen scholasticum, aan leerlingen voor het zingen ervan en aan drukkers voor het drukken van het lied.

Bewaard gebleven schoolzangen

Utrecht thumb|Twee pagina's uit de schoolzang van Macropedius uit 1539, met aantekeningen. Links de melodie met de tekst van het eerste couplet en het refrein. Rechts het eerste deel van de tekst met het refrein.Koninklijke Bibliotheek Den Haag. De door Van Someren in 1918 vermeldde 28 Utrechtse schoolzangen zijn door andere onderzoekers aangevuld tot 41. Daarnaast zijn fragmenten bekend van enkele andere Utrechtse schoolzangen. Van vijf Utrechtse schoolzangen zijn naast de volledige tekst ook de volledige melodieën bewaard gebleven. Twee daarvan werden samen met de teksten gedrukt, de andere drie zijn handgeschreven en mogelijk later aan de gedrukte tekst toegevoegd. Twee van de handgeschreven melodieën hebben een toonzetting voor twee zangstemmen; de andere Utrechtse melodieën vertonen kenmerken van een polyfone context, hoewel er slechts een van de stemmen bewaard is gebleven.Dekker, pp. 191, 199, 202-205 (2005), Georgius Macropedius 1487-1558. Leven en werken van een Brabantse Humanist, Stichting Zuidelijk Historisch Contact, Tilburg (met cd-rom: tekst van al zijn literaire werken, andere bronnen en een klankbeeld waarin enkele gezongen cantilenen), pp. 289-310 Groot, p. 33, Abstract

De oudst bewaarde Utrechtse schoolzangen zijn van de hand van Macropedius, die van 1530 tot 1557/1558 rector was van de Hieronymusschool. Waarschijnlijk heeft hij in die periode elk jaar een cantilene geschreven, waarvan er slechts negen bewaard zijn gebleven. De teksten hebben een religieus karakter en gaan over zaken als het Laatste Oordeel, de geboorte van Christus en denken aan de Dood. De enige uitzondering betreft een lofdicht op de stad Utrecht. De kortste cantilene van Macropedius telt 104 regels, de langste 314, in totaal beslaan ze bijna 1400 versregels. Een andere bekende Utrechtse rector waarvan cantilenen bewaard zijn gebleven is Cornelius Laurimanus, de opvolger van Macropedius, van wie er zes bekend zijn.Dekker, pp. 202, 203

De Utrechtse leerlingen presenteerden de cantilene op 10 november, de vooravond van Sint-Maarten, de dag waarop nieuwe stadsbestuurders werden gekozen. De zang werd in Utrecht dan ook 'Cantilena Martiniana' genoemd. Het koor dat de schoolzang uitvoerde bestond soms naast de leerlingen ook uit volwassenen, waarschijnlijk docenten. De zang werd begeleid door een lier. De tekst werd voorafgaand aan de publieke uitvoering gedrukt en besloeg acht á twaalf pagina's, in een kleine oplage. Uit de stadsarchieven zijn twee gevallen bekend dat het stadsbestuur geld gaf aan de leerlingen voor de uitvoering; mogelijk waren het uitzonderingen.Giebels & Slits, p. 290 Dekker, p. 190

Amsterdam De 32 door Burger beschreven carmina scholastica uit Amsterdam zijn aangevuld tot 34 exemplaren. Ze bestrijken de periode van 1531 tot aan 1578, toen Amsterdam een protestants stadsbestuur kreeg. De meeste Amsterdamse schoolzangen zijn van de hand van rectoren van een van de twee Latijnse scholen die de stad telde. Uit Amsterdam is slechts van een van de schoolliederen de melodie bekend, en dan alleen die van het refrein. Tot de rectoren die een of meerdere cantilenen schreven, behoren Cornelius Crocus, van wie een carmen scolasticum bekend is, en Petrus Apherdianus, van wie dertien schoolzangen bewaard zijn gebleven. Drie zangen zijn geschreven door Alardus van Amsterdam, die niet aan een Amsterdamse school verbonden was. Uit stadsarchieven van Amsterdam blijkt dat het stadsbestuur de rector vaak een vergoeding gaf voor het drukken van de cantilenen.

De schoolzangen werden in Amsterdam ook gezongen door anderen dan scholieren. Joannes Nemius, rector in 1556/1557, schreef twee schoolzangen. Daarover vermeldde hij in een brief aan zijn neef: Je weet namelijk dat de rectors de taak hadden om jaarlijks een lied te componeren voor de leerlingen van de dwaasheid […], dat ze in de kerk konden zingen en vervolgens in het oor van de leken konden fluisteren. Want jongens en meisjes zingen het elke keer als ze in het diepe donker mosterd, olie, zwavel, kaarsen, gebak, Engels bier, wijn, kastanjes, noten en dergelijke dingen moeten verzamelen,(vertaald uit het Duits).

De dag waarop de schoolzang aan het publiek werd gepresenteerd was niet steeds gelijk. Bekend zijn uitvoeringen op 24 december 1544 (Kerstavond), 1 december 1567, 24 november 1568 (vooravond Sint-Catharina) en 10 november 1569 (vooravond Sint-Maarten).

Alkmaar Uit Alkmaar zijn zes schoolzangen bewaard gebleven, twee zangen van elk van de drie eerste Alkmaarse rectoren. Die van Bartholomæus Coloniensis zijn met de hand geschreven, de gedichten van Johannes Murmellius en Kempo Thessaliensis zijn gedrukt. Overigens is van Murmellius ook een schoolzang bekend die hij eerder schreef in Münster, zijn voorgaande standplaats. De Alkmaarse cantilenen betreffen onder andere lofzangen op Maria en op de beschermheiligen van Alkmaar, Mattias en Laurentius. Daarnaast bevatten ze verwijzingen naar de klassieke mythologie en raadgevingen voor een deugdzaam leven, zoals waarschuwingen tegen het vergaren van aardse goederen.

Overige thumb|Houtsnede van Lidwina op het titelblad van het Schiedamse schoollied van Gerardus Hagius uit 1517. thumb|Titelpagina van een Zutphens schoollied: "Beschrijving van dronkenschap in saffische strofen, die onder de beschrijving van een dronkaard vermeldt hoeveel kwaad dronkenschap aanricht aan geest en lichaam. Gezongen te Zutphen als schoollied; auteur Theodorus Velpius.”Librije (Zutphen) In enkele steden is er van de schoolzangen slechts een bewaard gebleven: Arnhem, Gouda, Schiedam, Zutphen en Zwolle.

In Arnhem werd de 'ode annalis' (jaarlijkse ode) gezongen op de vooravond van Sint-Maarten. De rector werd dan voor het drukken van het schoollied beloond met een paar gebraden kippen en een kan wijn. Van rector Sydracus Scotus is bekend dat hij de schoolliederen schreef van 1576, 1577 en 1578. Alleen die van 1577 is bewaard gebleven.Dekker, p. 201

De schrijver van het Goudse carmen scholasticum was Arnoldus Dorstenius, die rector was van de Latijnse school in die stad van 1533 tot 1536. De datering van de schoolzang is onzeker, die zou ook omstreeks 1521 geschreven kunnen zijn.

Het schoollied uit Schiedam dat bewaard is gebleven, werd ontdekt dankzij boekhistoricus Maria Kronenberg. Zij publiceerde het gedicht in het tijdschrift Het Boek, jaargang 1931-1932, onder de titel 'Een onbekend Latijnsch gedicht op S. Lydwina van Schiedam door Ger. Hagius (1517)'. Zij realiseerde zich niet dat het een carmen scholasticum betrof en besprak het als een zelfstandig gedicht. Het originele gedicht is verloren gegaan en de tekst ervan is alleen overgeleverd door de publicatie van Kronenberg.Dekker, p. 188, noot 1Moerman, p. 19

In de kettingbibliotheek de Librije in Zutphen wordt het enige bekende carmen scholasticum bewaard dat uit de stad bekend is. Het is geschreven door Theodorus Velpius, rector van de plaatselijke Latijnse school, en bevat een tirade tegen dronkenschap. Het boekje is in 1565 te Deventer gedrukt.