Plumadraco is een vogelgeslacht, behorend tot de Enantiornithes, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige China. De enige benoemde soort is Plumadraco bankoorum.
Vondst en naamgeving Bij het dorp Xiaotaizi in de prefectuur Jianchang in Liaoning werd een skelet gevonden van een vogel dat verworven werd door het Shandong Tianyu Museum of Nature. Na verschillende scans werd geconcludeerd dat het om een nog onbekende soort ging.
In 2026 werd de typesoort Plumadraco bankoorum benoemd en beschreven door Alexander David Clark, Jingmai Kathleen O’Connor, Wang Xiaoli, Wang Yan, Stephen Pruett-Jones, Zhang Xiangyu, Wang Xing, Zheng Xiaoting en Zhou Zhonghe. De geslachtsnaam betekent "pluimdraak". De soortaanduiding eert vader en zoon Winston E. en Paul C. Banko, welke ornithologen een enorme bijdrage hebben geleverd aan de bescherming van de ernstig bedreigde vogelfauna van Hawaii. De Life Science Identifiers zijn 6FE850E5-CDC1–4830-A2B2-14501BB3BB43 voor het geslacht en 73483921-C9B2-4830–8720-E13823C71379 voor de soort.
Het holotype, STM11−4, is gevonden in een laag van de Jiufotang-formatie die dateert uit het vroege Aptien, ongeveer 121 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een skelet met schedel, platgedrukt op een enkele plaat. Hoewel het stuk er op het eerste gezicht compleet uitziet, blijkt uit vergroting dat een groot deel vergruist is tot een structuurloze bruine smurrie zodat alleen de contouren nog zichtbaar zijn. Een uitzonderlijk deel van het verenkleed is echter bewaard gebleven.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Plumadraco heeft een spanwijdte van vijftig centimeter wat middelgroot is. Het gewicht is geschat op 112 tot 144 gram.
Geen autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, konden worden vastgesteld, wat samen kan hangen met de lage kwaliteit van het materiaal. Wel is er een unieke combinatie van op zich niet unieke eigenschappen. Het hoofdlichaam van de praemaxillae in de snuit is hoger dan dat van de dentaria in de onderkaken. De voorste 80% van het dentarium heeft een evenwijdige bovenrand en onderrand. Het voorste uiteinde van het dentarium loopt schuin naar voren en boven taps toe. Er zijn minstens negen sacrale wervels. Het borstbeen heeft schuin naar achteren gerichte zijuitsteeksels met asymmetrische waaiervormige uiteinden. Het eerste kootje van de derde vinger (minor digit) is verticaal dun. De voetklauwen zijn weinig gekromd. De twee verlengde staartveren hebben ongeveer tweemaal de lengte van het lichaam. Dat laatste kan een unieke eigenschap zijn maar het kenmerk kan bij de meeste directe verwanten niet direct gecontroleerd worden daar hun fossielen volledige staartveren missen.
Verenkleed
Het verenkleed is van speciaal belang omdat het zo volledig is. Het hele lichaam is bedekt met contourveren, tot zeventien millimeter lang. Op de pygostyle, de vergroeide staartwervels, meten ze tot vijfentwintig millimeter.
In de vleugel heeft de alula, de duimveer, een lengte van 38,4 millimeter. De slagpennen zijn tot 105 millimeter lang. Van hun vanen heeft de voorste een kwart van de breedte van de achterste. Door deze asymmetrie klappen die pennen niet om bij de slagvlucht. De verhouding komt overeen met die bij moderne vogels.
Uit de pygostyle steken twee pennen kaarsrecht naar achter. Die hebben een lengte van 293 millimeter vergeleken met een lichaamslengte van snavelpunt tot einde pygostyle van 149 millimeter. Bij verwanten die deze veren bewaren, is de verhouding 1 tot 1,6. Ze zijn dus uitzonderlijk lang. Deze veren worden gedomineerd door hun veerschacht of wel rachis. Daarom worden ze in de Engelstalige literatuur RDFs genoemd, Rachis Dominated Feathers. Ze hebben een typerende zeer smalle structuur. In het midden heeft de schacht een middengleuf, de "streep". Daarnaast liggen weerszijden opstaande zijkanten, de rami. De precieze structuur in dwarsdoorsnede verschilt van boven naar beneden. Bovenaan zijn er zijstrepen aan weerszijden van de rami. Die lopen zijwaarts uit in linten, platte stroken, lijkend op de hoofdveren van de huidige Pteridophora alberti, met een bij Plumadraco golvende zijrand. Meer naar onderen toe, bij Plumadraco halverwege, verdwijnen de zijstrepen en worden de stroken breder en platter. Naar het uiteinde van de RDF toe worden de stroken abrupt nog breder en krijgen dan een ribbelstructuur met veerbaarden. Bij Plumadraco loopt dat taps toe, anders dan de afgeronde punten bij veel verwanten.
De functie van de RDFs wordt meestal niet als aerodynamisch gezien. Hun grote lengte zou een enorme wrijvingsweerstand opgewekt hebben. Ze zijn te smal voor een goede controle van het stampen. Ze zijn te plat om als roer richtingsstabiliteit te verschaffen. Ze kunnen in beperkte mate de romp in evenwicht houden; de achterste verbreding is voldoende om het gewicht van de veer als geheel te compenseren. De beschrijvers namen aan dat de veren een pronkorgaan zijn. Misschien is er sprake van seksuele dimorfie en is het holotype een mannetje.
Het fossiel verschaft ook informatie over de kleuren. De middenstreep is bovenaan beige, in het midden bruin en onderaan donker. De rami zijn over de volle lengte bruin, de stroken over de volle lengte donker.
De kleuren van de RDFs zijn met het blote oog waarneembaar. Dat geldt minder voor de overige veren, waarvan de chemische samenstelling met Röntgenfluorescentie werd bepaald. De veren van de vleugels en de romp hebben meet koper en zwavel dan die van de kop en de staart. Die elementen hangen samen met melanine in de organellen die een donkere kleur veroorzaken, de melanosomen. Zink, dat wijst op bruine feiomelaninen, is niet aangetroffen.
Fylogenie Plumadraco werd in de Bohaiornithidae geplaatst als zustertaxon van specimen CUGB-P1202, een onbenoemd exemplaar.
Literatuur
Categorie:Uitgestorven vogels