Antonio Llanos (Sariegos, 22 november 1806 – Calumpit, 11 december 1881), was een Spaanse botanicus en rooms-katholieke geestelijke in de Filipijnen. Llanos was lid van de orde van de Augustijnen en jarenlang pastoor in de provincie Bulacan. Naast zijn kerkelijke werkzaamheden deed hij onderzoek naar de Filipijnse flora en verwierf hij bekendheid door verschillende door hem gepubliceerde botanische studies.
Vroege levensloop Antonio Llanos werd geboren op 22 november 1806 in Sariegos in de Spaanse provincie León. Hij kwam uit een eenvoudig boerengezin. Met hulp van een studiebeurs studeerde hij aan het college van de katholieke Orde van de Piaristen, waar hij Latijnse en Griekse grammatica, retorica en dichtkunst, filosofie en het eerste jaar van de studie theologie studeerde. Llanos trad op 20-jarige leeftijd in bij de orde van de Augustijnen in het Real Colegio Seminario de los Agustinos in Valladolid. Na het afleggen van zijn kloostergeloften vervolgde hij zijn kerkelijke opleiding tot hij in 1829 aan het hoofd van een groep missionarissen naar de Filipijnen vertrok.
Kerkelijke carrière Kort na aankomst in Manilla werd Llanos op 15 februari 1830 tot priester gewijd. Nadat Llanos gedurende een half jaar de lokale taal Tagalog had bestudeerd werd hij in augustus 1830 benoemd tot pastoor van de parochie van Pulilan in Bulacan. In 1831 werd hij overgeplaatst naar Bulacan en in 1833 naar Angat. vanaf 1839 was Llanos pastoor in Parañaque, voor hij uiteindelijk in 1842 parochiepriester van Calumpit werd. Hier zou hij een groot deel van zijn leven blijven wonen. Tijdens zijn jaren als pastoor in Bulacan bevorderde Llanos het katholieke onderwijs en de verspreiding van religieuze lectuur. Hij stond daarnaast bekend om zijn liefdadigheid en bekostigde uit eigen middelen zowel kerkelijke voorzieningen als diverse werken van openbaar nut.
Binnen de Augustijnse orde vervulde Llanos verschillende bestuurlijke functies, waaronder die van prior vocal (1839–1869), procureur-generaal (1847), definitor (1849), provinciaal vicaris en visitator. Als erkenning voor zijn verdiensten werden hem later de eerbewijzen en voorrechten van een oud-provinciaal toegekend.
Wetenschappelijke carrière Naast zijn werk als pastoor wijde hij veel van zijn tijd aan botanische studies. Hij was al kort na aankomst bevriend geraakt met de Augustijnse botanicus Manuel Blanco, die hem vanwege zijn interesse en aanleg voor natuurwetenschappen onder zijn hoede nam als leerling in de plantkunde. Llanos hielp Blanco met de eerste twee edities van diens de eerste Flora de Filipinas. Zo verzamelde hij plantenspecimens en stuurde deze naar Blanco toe. Ook schreef hij de beschrijving van sommige van deze soorten. Blanco nam deze beschrijvingen op in de tweede editie van Flora de Filipinas. Ook vernoemde Blanco het plantengeslacht Llanosia naar hem.
thumb|270px|Een illustratie uit de monumentale editie van Flora de Filipinas Na het overlijden van Manuel Blanco in 1845 bleef hij zich inzetten om de Flora de Filipinas uit te breiden en te verbeteren. Hij onderhield daarvoor een correspondentie met diverse buitenlandse botanici, onder wie de Zwitserse botanicus Alphonse Pyramus de Candolle die later nog de soort Quercus Llanosii naar hem vernoemde.
Hij publiceerde in 1851 Fragmentos de Algunas Plantas Filipinas, een studie over Filipijnse plantensoorten die niet waren opgenomen in de eerste twee edities van Flora de Filipinas. Dit werk werd later herdrukt in het vierde deel van de monumentale editie van de Flora de Filipinas. In 1858 verscheen zijn Apendix sive tentamen aliud novi supplementi ad Floram Insularum Philippinarum, gepubliceerd in de Anales de la Real Academia de Ciencias de Madrid. Daarnaast publiceerde hij in 1865 en latere jaren meerdere botanische beschrijvingen in de Revista de los progresos de las ciencias exactas, físicas y morales, waaronder de beschrijving van Cynocephalium luzoniense, later herbenoemd naar Phytocrene luzoniensis door Baillon.
Zijn wetenschappelijke werk omvatte ook de beschrijving van nieuwe of hergedefinieerde taxa en soorten, waaronder Govantesia maluluchan (1865), identificaties van soorten uit de Flora de Filipinas van pater Blanco, en bijdragen aan de systematiek van onder meer grassen en tropische bomen. In 1874 werd een door hem naar A. de Candolle gezonden beschrijving en illustratie van een den uit de bergen van Mancayán gepubliceerd in het Nuovo Giornale Botanico Italiano. Verder publiceerde hij waarnemingen over meteorologie in Manilla en Calumpit, een studie over de berg Arayat en de hoogte van deze berg boven zeeniveau, ornithologische aantekeningen (manuscript), en beschrijvingen van een in de Filipijnen waargenomen aurora.
Op de Wereldtentoonstelling van 1867 in Parijs werden de door hem ingezonden industriële producten bekroond. Op de Wereldtentoonstelling van 1876 in Philadelphia ontving hij een medaille en een eretitel voor zijn collectie ijzer uit Angat en koper uit Mancayán.
Overlijden en nalatenschap Llanos overleed in 1881 in de nacht van 10 op 11 december op 75-jarige leeftijd. Diverse plantensoorten werden naar Llanos vernoemd. Naats het door Blanco naar hem vernoemde plantengeslacht Llanosia en de door Alphonse Pyramus de Candolle soort Quercus Llanosii gaf Johann Sebastian Müller een soort de naam Phyllanthus Llanosianus, noemde Jean Étienne Duby een soort Hypnum Llanosii en vernoemde de Zwitser Casimir de Candolle de soort Aglaia Llanosiana naar Antonio Llanos.
Bronnen (1901), Catálogo bio-bibliográfico de los religiosos agustinos de la provincia del Santísimo Nombre de Jesús de las Islas Filipinas desde su fundación hasta nuestros días, Manilla : Establecimiento tipográfico del Colegio de Sto. Tomás, online te lezen via deze link , Biografie Antonio Llanos, Real Academia de la Historia (geraadpleegd op 30 mei 2026)
Categorie:Augustijn Categorie:Spaans natuuronderzoeker Categorie:Spaans botanicus Categorie:Persoon in de Spaans koloniale Filipijnen Categorie:Spaans missionaris Categorie:Spaans rooms-katholiek priester Categorie:Missionaris in de Filipijnen