Carel Heringa (Fort de Kock (Sumatra, Nederlands-Indië), 19 april 1890 - Midlaren, 22 januari 1972) was een Nederlands histoloog. Hij werd in 1926 de eerste hoogleraar histologie (weefselleer) aan de Gemeente Universiteit in Amsterdam en daarmee de eerste van Nederland. Hij richtte zijn onderzoek vooral op bindweefsels. Met zijn Belgische collega en vriend Arthur de Groodt schreef hij twee leerboeken over het vakgebied.Leerboek der algemene en bijzondere weefselleer, dr. J. Boeke, dr.A.de Groodt en dr. G.C. Heringa; Twee delen: 1. Algemene Weefselleer, 2.Bijzondere weefselleer; Oosthoek uitgeverij, 1948; 4 deels herziene drukken. Heringa's grootste verdienste bestond uit de jarenlange en veelzijdige aandacht die hij gaf aan studenten in het algemeen en aan hun gezondheid in het bijzonder, bijvoorbeeld via de Universitaire Gezondheidszorg (UGZ),Studenten op Spreekuur; Zestig jaar zorg voor studenten door het Bureau Studentenartsen/Huisartsen Oude Turfmarkt van de Universiteit van Amsterdam (1938-1998); Rogier Overman; Commissie Geschiedschrijving UvA van de Universiteit van Amsterdam, 2001. het Nederlands Studenten Sanatorium (NSS),Jubileumboek N.S.S. 1947 – 1957; Geen auteur; Eigen uitgave N.S.S., 1957. de Stichting voor Vluchteling Studenten UAF (oorspronkelijk het Universitair Asyl Fonds (UAF))Het Zout der Aarde; UAF 1948-1998: vijftig jaar hulp aan vluchteling-studenten; Chris van Esterik; Uitgeverij Bert Bakker, 1998. en in zijn eigen publicatie over studenten uit 1964, De Student.De Student; prof. dr. G.C. Heringa; uitgeverij Wolters, 1963. 2 drukken.

Tijdens de oorlog speelde Heringa, vrijwel vanaf het begin, een vooraanstaande rol in het verzet, soms openlijk, meestal anoniem binnen het hooglerarenverzetEen kwetsbaar centrum van de geest; De universiteit van Amsterdam tussen 1935 en 1950; Peter Jan Knegtmans; Amsterdam University Press, 1998. en het artsenverzet, dat toen 'bekend' stond als het Medisch Contact (MC).MC, Geschiedenis van het verzet der artsen in Nederland; Dr. Ph de Vries; Uitgeverij H.D. Tjeenk Willink & zoon, 1949. Hij behoorde daar tot de zes of zeven leidinggevende personen van het zogenoemde 'Centrum' van het MC.

Na de oorlog herkreeg hij zijn functie als hoogleraar (na in 1942 te zijn ontslagen), en combineerde hij die met het hoofdredacteurschap van het blad Medisch Contact, wat de naam was geworden van het (week)blad van de artsenorganisatie Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG). Daarnaast zette hij zich meteen in voor het grote aantal studenten met tuberculose en het Nederlands Studenten Sanatorium (NSS).

Andere activiteiten van Heringa: initiatienemer en voorzitter van het Federatief Academisch Verbond en de stichting Civitas Academica Amstelodamensis (Civitas) in Amsterdam;De Ideale Gemeenschap, Civitas Academica Amstelodamensis; Jos Dohmen en Oscar Steens; Uitgeverij Vossiuspers AUP, 1995. initiatiefnemer en voorzitter van het Stichting voor Vluchteling Studenten UAF; voorzitter van de vereniging voor Sociale Tandheelkunde; lid van de regeringscommissie Rutten (over voorzieningen voor studenten aan universiteiten en hogescholen); betrokken bij de Vlaamse Wetenschappelijke Raad en de (nieuwe) Universiteit van Antwerpen; mede-oprichter van de Nederlandse Vereniging voor Medische Polemologie (NVMP).De NVPM draagt als ondertitel 'Artsen voor Vrede'. Het is aangesloten bij de organisatie International Physicians for the Prevention of Nuclear War (IPPNW), een wereldwijde organisatie van artsen in 56 landen die in 1985 de Nobelprijs voor de Vrede ontving.

Heringa was Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw (1949) en Commandeur in de orde van Oranje Nassau (1965).

Levensloop Carel HeringaDe eerste voornaam (Gerard) is nooit gebruikt! was de tweede zoon van Hermanus Gerard Carel Heringa (Utrecht, 14 juni 1845) en Anna Hillegonda Cohen Stuart (Soerakarta, Nederlands-Indië, 21 oktober 1860), na de oudere broer James William Theodoor. Vader Herman was Officier van gezondheid (arts) in het Nederlandse leger, gestationeerd in Sumatra. In 1893 keerde vader met zijn gezin terug naar Nederland en vestigden ze zich in Leeuwarden. In datzelfde jaar kreeg Carel kinderverlamming wat ertoe leidde dat zijn linkerbeen verkort en misvormd raakte. Hij bleef daardoor zijn hele leven lang mank lopen, de eerste circa 40 jaren met een metalen beugel langs zijn been, later met orthopedisch schoeisel.

Vader Herman verliet na circa 10 jaar de dienst en verhuisde met het gezin naar Leiden waar hij een huis een praktijk begon. Daar overleed Carels moeder in 1902, toen Carel 12 jaar oud was. Carel ging naar het gymnasium ß, waar hij in 1907 eindexamen deed. Aansluitend ging hij daar ook medicijnen studeren en bleef hij thuis wonen. In 1912 deed hij doctoraalexamen en twee jaar later (1914) zijn arts-examen.

In 1916 gebeurden er in korte tijd veel ingrijpende dingen: op 17 mei promoveerde Carel (cum laude) bij professor Boeke op het proefschrift De ontwikkeling der lichaampjes van Grandry en Herbst, op 16 augustus overleed zijn vader en op 25 augustus huwde hij (alleen voor de wet) met de twee jaar jongere Jantje (Jeanne) Veersema. Vermeldenswaard van deze 'manke' man, was ook dat hij in deze periode in het bestuur zat van de korfbal vereniging Fluks, waarvan hij later ook tot erelid werd benoemd. Zelf kon hij deze sport nooit beoefenen.

De intentie van Carel was om als arts in Nederlands-Indië te gaan werken, waar zijn oudere broer bestuursambtenaar was. Daarvoor stond zijn hele uitrusting al klaar. Dat is hem, vanwege zijn handicap, door zijn hele omgeving uit het hoofd gepraat. Hij is toen op verschillende plaatsen als arts gaan waarnemen en heeft hij zich gespecialiseerd tot huidarts. In 1919 werd hij aangesteld als conservator bij zijn promotor Boeke, die zich van Leiden naar Utrecht verplaatste. Er werden twee zonen geboren: Jan (Utrecht, 30 december 1919) en Hidde Hero (Soest, 23 november 1921).

Op 29 juli 1926 werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar in de histologie aan de Gemeente Universiteit in Amsterdam, waar hij zijn inaugurele rede (oratie) Bewegelijk Evenwicht hield op 11 oktober van datzelfde jaar. Hij was de opvolger van buitengewoon hoogleraar Jacob van Rees. Heringa kreeg de gelegenheid een heel nieuw en modern laboratorium op te zetten, dat in 1928 verhuisde naar de definitieve locatie aan de Sarphatiestraat. Hij publiceerde, samen met zijn Belgische collega en vriend Arthur de Groodt, twee leerboeken over histologie. Zijn onderzoek was vooral geconcentreerd op de verschillende bindweefsels, maar de aanvankelijke ideeën en voorstellingen daarover zijn met de komst van de elektronenmicroscoop onjuist gebleken.

Het huwelijk hield geen stand, waar de economische toestand van het land waarschijnlijk mede debet aan was, en eindigde in een op 6 januari 1936 uitgesproken echtscheiding. Daardoor had hij vele jaren geen contact meer met zijn zonen. Op 6 juli 1938 hertrouwde Carel met Anna Karssen-Jongbloed (Wormerveer, 23 september 1901), de weduwe van Albert Karssen, de in 1934 overleden hoofdassistent van Heringa's jonge laboratorium. Zij was, met haar twee jonge dochters, al spoedig na het overlijden een pension begonnen in het toen gloednieuwe bovenhuis aan de Euterpestraat. De nogal berooide Heringa trok bij haar in en Anna zette haar pension voort. Samen kregen zij nog twee kinderen: Anna Hillegonda (Amsterdam, 15 maart 1941) en Albert Carel (Amsterdam, 18 september 1942). Op 22 februari 1944 werd Anna gearresteerd wegens het herbergen in haar pension van enkele Joodse vrouwen. Het pension werd opgeheven en de kinderen werden op 4 plaatsen ondergebracht. Anna werd geïnterneerd in kamp Vught, vanwaar ze op 6 september, vanwege de naderende geallieerde troepen en de ontruiming van het kamp, met de andere nog levende gevangenen naar Duitsland werd gedeporteerd en in het vrouwenkamp Ravensbrück terechtkwam. Zie verder Anna Heringa-Jongbloed.

Eind 1938 nam Heringa het initiatief tot een stichting voor studentengezondheidszorg. De aanleiding lag in het relatief hoge aantal tuberculeuze patiënten onder studenten, maar al snel werd besloten tot een ruime invulling die de fysieke en geestelijke gezondheid van studenten omvatte en die spoedig uitmondde in de stichting Universitaire Gezondheidszorg (UGZ). Heringa werd daarvan ook de eerste voorzitter, en bleef dat tot 1959. Met het begin van de oorlog nam de stichting UGZ ook het initiatief tot het starten van de Mensa Academica, uit bezorgdheid over de voedingstoestand van studenten. Na wat opstartproblemen bleek dit in een welkome behoefte te voorzien.

Tijdens de oorlog speelde Heringa vrijwel vanaf het begin een vooraanstaande rol in het verzet tegen de bezetter, soms openlijk, maar meestal anoniem binnen het hooglerarenverzet en het artsenverzet dat het 'Medisch Contact' (MC) werd genoemd. Daarin had hij een leidende rol als een van de zes of zeven personen van het 'Centrum'van het MC. Vanwege zijn aanvankelijk nogal actief kritisch opstelling werd hij in januari 1942, samen met 85 andere Amsterdammers, opgepakt en als gijzelaar geïnterneerd in Kamp Amersfoort.P.D.A. (Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort; Herinneringen van een gijzelaar; waarin opgenomen: 'Kort Verslag' van het verblijf van 85 Amsterdamse gijzelaars 30 Januari- 20 April 1942; J.F. Hunsche; Persoonlijke uitgave, 1945/1947. Heringa werd in die periode ontslagen. Na hun aller vrijlating op 20 april, werd Heringa op circa 18 juni opnieuw opgepakt als gijzelaar en ditmaal geïnterneerd in het seminariegebouw in het Brabantse Haaren.Gedenkboek Gijzelaarskamp Haaren; Redactie commissie , o.l.v. W. Boerhave Beekman; Uitgave W.P. van Stockum & Zn, 1947.Adam in Ballingschap; Kampkranten Haaren- St.Michielsgestel 1942-1943; samenstellers van Hedel en Paijmans; Stichtng Vriendenkring Haaren 1940-1945. Daar werd hij op 19 december vrijgelaten, maar op 1 mei 1943 werd hij verbannen naar Assen. Hij kon zich daar wel vrij bewegen, maar hij moest zich er dagelijks melden. Tijdens de zomermaanden voegde zijn gezin zich bij hem. Op 20 november 1943 werd hij om onbekende redenen weer gearresteerd en geïnterneerd in de Scheveningse gevangenis, toen beter bekend als het Oranjehotel. Half december kwam hij weer vrij en keerde hij terug naar Assen. Vanaf dat moment hoefde hij zich nog maar eenmaal per week te melden, met als gevolg dat hij zich daar nog maar eenmaal per week vertoonde en verder was ondergedoken in Amsterdam of wellicht elders. Die onderduik werd permanent, toen door de treinstaking na 'Dolle Dinsdag' (5 september 1944) Asen niet meer bereikbaar werd.

Ergens in februari 1945 hoorde Heringa van een vrijgekomen vrouw uit Ravensbrück (Duitsland), dat Anna daar op 2 januari 1945 aan tyfus was overleden. Hij kreeg een zakje met haar paar (geheime) persoonlijke bezittingen. Heringa ging meteen op zoek naar een oplossing voor de opvang van zijn gezin, zodra de oorlog voorbij zou zijn. Met zijn MC-collega Floor Wibaut wist hij contact te leggen met Maria van der Borgh, die eerder vijf jaar lang huishoudster was geweest bij de familie van Gogh. Zo kwam Marie ten slotte in september 1945 in dienst van Heringa, waarmee het gezin weer herenigd kon worden. Ze werd al snel 'Moek' genoemd. Al op 18 december 1946 leidde dit tot Heringa's derde huwelijk. Op 17 april 1947 overleed Heringa's dochter Anna, net 6 jaar oud.