Pierre-Joseph Proudhon en zijn kinderen in 1853 (Frans: ) is een schilderij van Gustave Courbet. Hij maakte het in 1865, kort na het overlijden van de invloedrijke anarchistische filosoof en econoom Pierre-Joseph Proudhon met wie hij bevriend was. Courbet en Proudhon, beiden afkomstig uit de Franche-Comté, vonden elkaar in hun felle oppositie tegen het autoritaire regime van het Tweede Franse Keizerrijk en hun inzet voor de arbeidersklasse. Het schilderij bevindt zich sinds 1900 in de collectie van het Petit Palais in Parijs.

Voorstelling De compositie is gesitueerd in de bescheiden tuin van de Parijse woning van de filosoof. Proudhon is aan de linkerzijde van het doek afgebeeld, zittend op de stenen treden voor zijn huis. Zijn eenvoudige kleding benadrukt zijn afkeer van burgerlijke opsmuk. Om hem heen liggen de getuigen van zijn intellectuele leven: vier boeken, een inktpot, een pennendoos en een handgeschreven manuscript. Direct onder deze papieren is in de stenen trede de inscriptie "P.J.P. 1853" gekerfd. Dit jaartal verwijst naar een buitengewoon zware periode in Proudhons leven, vlak na zijn vrijlating uit de Sainte-Pélagie-gevangenis waar hij een straf van drie jaar had uitgezeten voor zijn opruiende publicaties in de krant Le Peuple. Door deze datum expliciet te vermelden, herdenkt Courbet de filosoof als een politieke martelaar die standhield onder staatsonderdrukking.

Aan de rechterzijde zijn Proudhons dochters afgebeeld. De oudste, Catherine, zit op een stoeltje en bekijkt geconcentreerd een papier met het alfabet, terwijl haar jongere zusje Marcelle met een speelgoedservies in het zand speelt. Dit weerspiegelt Proudhons theorieën over natuurlijke opvoeding en de morele waarde van het gezin. Marcelle was net als haar vader al overleden toen Courbet het schilderij maakte.

In de oorspronkelijke versie, die werd tentoongesteld op de Salon van 1865, zat Proudhons echtgenote, Euphrasie Piégard, in de rieten fauteuil aan de rechterkant van het doek. Na kritiek van recensenten over de compositorische onsamenhangendheid besloot Courbet haar figuur volledig over te schilderen. In de definitieve versie, gepresenteerd op de Wereldtentoonstelling van 1867, is zij vervangen door een mand met handwerk en opgevouwen linnengoed. Deze compositorische ingreep sluit paradoxaal genoeg nauw aan bij Proudhons eigen patriarchale geschriften, waarin hij de maatschappelijke rol van de vrouw strikt beperkte tot de huishoudelijke sfeer.

Omdat Proudhon niet geposeerd had voor het schilderij, maakte Courbet waarschijnlijk gebruik van foto’s en het dodenmasker van de filosoof. Dit kan verklaren waarom de figuren op de achtergrond lijken te zijn geplaatst zonder werkelijke onderlinge interactie. Courbets kleurgebruik is sober en aards, gedomineerd door diepe bruinen, oker en de donkere groentonen van de weelderige vegetatie in de achtergrond, waarmee de blauwe broek van de filosoof scherp contrasteert.

Herkomst Na de Parijse Commune van 1871, waarin Courbet een actieve politieke rol speelde, werd de schilder verantwoordelijk gehouden voor de vernieling van de Colonne Vendôme. Om de herstelkosten te verhalen, ging de Franse staat in 1873 over tot een beslaglegging op zijn eigendommen waaronder dit werk, dat zich bij de kunsthandel Durand-Ruel bevond.

De welgestelde verzamelaar en politicus Jean-Hubert Debrousse kocht het schilderij in 1877. Debrousse, eigenaar van het republikeinse dagblad La Presse, bouwde een vooraanstaande verzameling op waarin het realisme van Courbet een prominente plaats innam. Na zijn overlijden werd de kunstcollectie in april 1900 geveild. De stad Parijs kocht het werk aan voor een bedrag van 6.150 frank en bracht het over naar het zojuist opgerichte Petit Palais.

Literatuur (1977). La Vie et l’œuvre de Gustave Courbet: catalogue raisonné, t. I. Parijs / Lausanne. p. 242 (1959). A propos du portrait de „Proudhon et ses Enfants" par Gustave Courbet. In: Bulletin du Laboratoire du Louvre, no 4.

Externe links

Categorie:Werk van Gustave Courbet Categorie:Schilderij in het Petit Palais