thumb|Joodse Ethiopische migranten op hun eerste dag in een integratiecentrum in Ashkelon (1984). thumb|De Israelische premier Yitzhak Shamir met vertegenwoordigers van Ethiopische Joden. thumb|De vlucht van de Ethiopische Joden. Operatie Mozes (Hebreeuws: Mivtza Moshe, מִבְצָע מֹשֶׁה) was een geheime reddingsoperatie in 1984-1985 waarbij Israël ongeveer 8.000 Ethiopische Joden (Beta Israël) evacueerde uit vluchtelingenkampen in Soedan naar Israël. De operatie vond plaats tijdens een ernstige hongersnood en burgeroorlog in Ethiopië en Soedan en vormde het begin van grootschalige aliyah (immigratie naar Israël) van de Ethiopische Joodse gemeenschap.
Achtergrond De Beta Israël (Huis van Israël), ook wel Falasha genoemd (een term die tegenwoordig als denigrerend wordt beschouwd), vormen een oude Joodse gemeenschap in Ethiopië die eeuwenlang in relatieve isolatie leefde, voornamelijk in de bergen van Gondar en Tigray. Hun oorsprong is onderwerp van discussie: volgens hun eigen traditie stammen ze af van de stam van Dan of van de ontmoeting tussen koning Salomo en de koningin van Scheba. Ze beoefenden een vorm van het jodendom gebaseerd op de Thora (Tanach), zonder latere rabbijnse tradities zoals de Talmoed, en hielden zich strikt aan bijbelse voorschriften, inclusief offers en reinheidsregels.
In de 20e eeuw erkende de Israëlische rabbinate in 1973 (onder opperrabbijn Ovadia Yosef) de Beta Israel als Joden, wat de weg opende voor immigratie onder de Wet van Terugkeer. In de jaren 1970 en begin 1980 begonnen kleine groepen al naar Israël te komen, maar de situatie verslechterde dramatisch door de Ethiopische burgeroorlog (onder het Derg-regime van Mengistu Haile Mariam), politieke vervolging en de hongersnood van 1983-1985.
Situatie in Soedan In de periode 1980-1984 ontvluchtten tienduizenden Beta Israel (Ethiopische Joden) de burgeroorlog en de toenemende vervolging in Ethiopië. Ze legden een levensgevaarlijke voettocht af door woestijn en bergen naar Soedan, waar ze in overvolle vluchtelingenkampen terechtkwamen, vooral rond Gedaref en Kassala nabij de Ethiopische grens. Soedan beschouwde als Arabische en islamitische staat Israël als vijand, en deze kampen werden voor de Joden een plaats van nieuwe ontberingen. Naast de algemene ellende van hongersnood, malaria, dysenterie en extreme armoede werden de Beta Israel specifiek getroffen door antisemitisme en gerichte discriminatie. In de islamitisch-Arabische context van de kampen werden ze vaak gezien als vreemdelingen en “Falasha”, een denigrerende term die hen brandmerkte als buitenstaanders. Veel vluchtelingen en lokale bewoners beschouwden hen bovendien als mogelijke zionistische spionnen of bondgenoten van Israël, wat leidde tot diep wantrouwen en vijandigheid. Getuigenissen en rapporten uit die periode spreken van systematische pesterijen, diefstal, geweld, verkrachtingen en gerichte roofovervallen tegen Joodse families. Hun schamele bezittingen werden regelmatig gestolen, terwijl ze in constante angst leefden en hun Joodse identiteit zoveel mogelijk probeerden te verbergen om te overleven. Deze mensonterende omstandigheden in de kampen, leidde tot alarmerende berichten bij de Mossad en Joodse hulporganisaties. Tussen 1980 en 1984 stierven naar schatting duizenden Beta Israel, niet alleen tijdens de gevaarlijke tocht uit Ethiopië, maar ook in de Soedanese kampen door honger, ziekte en geweld. Eind 1984 zaten er nog duizenden in de kampen, vaak gescheiden van hun families, in een wanhopige situatie. Deze jaren vormden de directe aanloop naar Operatie Brothers en de grootschalige luchtbrug van Operatie Mozes in november 1984-januari 1985. Soedan, hoewel officieel vijandig tegenover Israël, stemde stilzwijgend toe onder druk van de VS.
De operatie De start van de operatie was op 21 november 1984 en duurde zeven weken, tot 5 januari 1985. De Ethiopische Joden werden per bus of vrachtwagen van kampen (zoals in Gedaref en Kassala) naar Khartoum gebracht. Van daaruit vlogen ze met toestellen van Trans European Airways (TEA) via Brussel naar Israël. Er vonden meer dan 30 vluchten plaats, met telkens ongeveer 200 personen per vlucht.
De operatie was strikt geheim. De codenaam "Mozes" verwijst naar de Bijbelse Mozes die het Joodse volk uit slavernij leidde naar het Beloofde Land.
De operatie kwam voortijdig ten einde toen Israëlische media (met name een radio-uitzending) en internationale pers de luchtbrug onthulden. Op 5 januari 1985 bevestigde premier Shimon Peres publiekelijk de reddingsactie. Soedan staakte daarop de medewerking onder druk van Arabische landen. Duizenden Joden bleven achter in de kampen.
In maart 1985 volgde een beperktere vervolgoperatie, Operatie Joshua (of Sheba), waarbij met Amerikaanse hulp nog enkele honderden mensen werden geëvacueerd.
Na de operatie Operatie Mozes redde ongeveer 8.000 mensen, maar liet families verscheurd achter. In 1991 volgde de veel grotere Operatie Salomo, waarbij in 36 uur meer dan 14.000 Ethiopische Joden werden overgebracht uit een instabiel Ethiopië. In totaal zijn sinds de jaren 1980 tienduizenden Beta Israël naar Israël geëmigreerd.
De integratie in Israël was niet zonder uitdagingen: culturele verschillen, religieuze erkenning, discriminatie en sociaaleconomische problemen. Desondanks vormt de Ethiopisch-Israëlische gemeenschap (rond de 160.000 personen in 2026) een groeiend onderdeel van de Israëlische samenleving, met eigen tradities, muziek en bijdragen aan het leger en de cultuur.
Categorie:Geschiedenis van Soedan Categorie:Geschiedenis van Ethiopië Categorie:Geschiedenis van Israël Categorie:Gebeurtenis in 1984 Categorie:Gebeurtenis in 1985
en:Operation Moses