Een vagantenstrofe is een groep nauw verwante strofevormen in de vorm van een kwatrijn of octaaf die teruggaan op soortgelijke vormen in de middeleeuws Latijnse vagantenliederen.

Het uitgangspunt is de zogenaamde vangantenregel, die overeenkomt met het trocheïsche septenarium van de Latijnse vagantenliederen. Het vers is bekend uit de zogenaamde Biecht van de vagant (Carmina Burana 191) van de Archipoeta uit de Carmina Burana:Carmina Burana 191 Estuans intrinsecus ira vehementi 12.1.

Méum ést propósitúm  ‖  ín tabérna móri út sint vína próximá  ‖  móriéntis óri;

Het metrum ervan is:

—◡—◡—◡— ‖ —◡—◡—◡

met diaeresis na de vierde klemtoon . Dit komt overeen met de vagantenregel als een lange regel, bestaande uit een vers met vier klemtonen en een mannelijke (monosyllabische) cadans en een vers met drie klemtonen en een vrouwelijke (disyllabische) cadans. Het metrum kan trocheïsch of jambisch zijn, d.w.z. ook

◡—◡—◡—◡— ‖ ◡—◡—◡—◡

met 15 in plaats van 13 lettergrepen. Een voorbeeld van een jambische vertaling in het Duits van het Archipoeta-vers:

Als Schícksal íst mir vórbestímmt ‖ am Trésen zú verrécken (Als nóódlot ís mij vóórbestémd‖ aan tógen té crepéren)

Door de lange regel in twee verzen te splitsen en deze te verdubbelen, ontstaat de vierregelige vagantenstrofe volgens het schema 4m 3v 4m 3v. Indien, zoals in het Latijnse voorbeeld, alleen de abversen (tweede helft van een langvers) rijmen, is het rijmschema [xaxa]; wanneer de anversen (eerste helft van een langvers) ook rijmen, is het resultaat een gekruist rijm [abab]. Als voorbeeld een strofe van Heinrich HeineH. Heine, Werke und Briefe in zehn Bänden, I, Berlijn - Weimar, 19722, pp. 217-218 (online). (trocheïsch met een niet geheel zuiver gekruist rijm):Nr. 4.31 in H.J. Frank, Handbuch der deutschen Strophenformen, München - Wenen, 1980, p. 135.Leise zieht durch mein Gemüt Liebliches Geläute. Klinge, kleines Frühlingslied. Kling hinaus ins Weite.Het metrieke schema is als volgt:Door een verdere verdubbeling wordt de vagantenstrofe een octaaf met als rijmschema [ababcdcd] of [xaxaxbxb], bijvoorbeeld in het tafelliedJ. W. von Goethe, Berliner Ausgabe. Poetische Werke, I, Berlijn, 1960, p. 85 (online). van Johan Wolfgang von Goethe (trocheïsch, rijmschema [xaxaxaxa]Nr. 8.13 in H.J. Frank, Handbuch der deutschen Strophenformen, München - Wenen, 1980, pp. 590-591.), hier de eerste strofe:Mich ergreift, ich weiß nicht wie, Himmlisches Behagen. Will mich's etwa gar hinauf Zu den Sternen tragen? Doch ich bleibe lieber hier, Kann ich redlich sagen, Beim Gesang und Glase Wein Auf den Tisch zu schlagen.Elk van de vier combinaties die voortkomen uit een combinatie van jambische of trocheïsche verzen en kwatrijn- of octaafverzen was op een bepaald moment populair in de Duitse poëzie. Het jambische kwatrijn was in het bijzonder populairNr. 4.36 in H.J. Frank, Handbuch der deutschen Strophenformen, München - Wenen, 1980, pp. 148-149. en verscheen al in de werken van Hugo von Montfort of in de ballade van Ridder Tannhäuser.Deutscher Liederhort nr. 27a. Talrijke voorbeelden van geestelijke liederen met deze strofevorm zijn te vinden in de barokperiode, zoals die van Johann Michael Dilherr:J. Porst (ed.), Geistliche und liebliche Lieder, Berlijn, 18682, liednummer 746, pp. 927-928.Gehab dich wohl, du schnöde Welt Mit deinen Specereien, Lust, Ehre, Reichtum, Gut und Geld, So du pflegst auszustreuen.Of in Christian Hoffmann von Hoffmannswaldau zijn Avondlied:Hoffmannswaldau, Abendlied v. 1-4. In: Auserlesene Gedichte von Christian Hoffmann von Hoffmannswaldau, Leipzig, 1838, p. 70 (online).Der schwarze Flügel trüber Nacht Will Alles überdecken; Doch dies, was Gottes Finger macht, Bringt mir geringen Schrecken.Deze strofe komt vaker voor in de literaire poëzie, maar pas vanaf het einde van de 18e eeuw, en in de 19e eeuw werd het een van de meest gebruikte strofen onder de romantici vanwege de gelijkenis met de stijl van volksliederen.Deze komt op plaats 4 van de meest voorkomende versvormen, alsdus: H.J. Frank, Handbuch der deutschen Strophenformen, München - Wenen, 1980, pp. 752-753.

Een voorbeeld van Matthias Claudius (Ein Lied hinterm Ofen zu singen):M. Claudius, Werke in einem Band, München, 1976, p. 235 (online).Der Winter ist ein rechter Mann, Kernfest und auf die Dauer; Sein Fleisch fühlt sich wie Eisen an, Und scheut nicht Süß noch Sauer.Net zoals de in vorm zeer vergelijkbare Chevy Chase-strofe (die een consistent mannelijk einde heeft, wat betekent dat de tweede en vierde regel met één lettergreep zijn ingekort ten opzichte van de vagantenstrofe), werd deze ook vaak gebruikt voor ballades, bijvoorbeeld door Theodor Fontane in zijn ballade Chevy Chase oder die Jacht im Chevy-Forst,T. Fontane, Sämtliche Werke, 20, München, 1962, pp. 306-312 (online). hoewel hij zich niet helemaal houdt aan de strofevorm die eigenlijk duidelijk uit de titel moet blijken:Gott schütz' den König, unsren Herrn, Und unser aller Leben; Im Chevy-Walde hat sich einst Wehvolle Jagd begeben.Tot slot, als voorbeeld uit de 20e eeuw, volgen hier de openingsverzen van Erich Kästners Das Gemurmel eines Kellners ("Het gemurmel van een ober"):Kennst du den Kerl? Du kennst ihn auch? Hier sieht man feine Gäste! Ich habe eine Wut im Bauch, die paßt nicht in die Weste …

Erst will der Kerl dort dünnen Tee. Dann will er wieder stärkern. Der Junge setzt sich ins Café, um Kellner totzuärgern!

Bibliografie en referenties

A. Behrmann, Einführung in den neueren deutschen Vers. Von Luther bis zur Gegenwart, Stuttgart 1990. H.J. Frank, Handbuch der deutschen Strophenformen, München - Wenen, 1980, pp. 133-136 (nr. 4.31), 148-154 (nr. 4.36), 590-592 (nr. 8.13), 597-600 (nr. 8.15). O. Knörrich, Lexikon lyrischer Formen, Stuttgart, 20052, pp. 245-246. K. Langosch (ed.), Vagantendichtung. Lateinisch und deutsch, Leipzig, 19842. G. von Wilpert, Sachwörterbuch der Literatur, Stuttgart, 20138, p. 869. art. vagantenstrofe, in Algemeen letterkundig lexicon, dbnl.org (2012-2025).

Noten

Categorie:Dichtvorm