miniatuur|Bovenaanzicht van een plaatspanningsapparaat (Philips 372). Bovenaan de aansluiting op het lichtnet, daaronder de plek voor een gelijkrichter, een diodebuis. Daaronder knoppen DET en VOLT, en onderaan de aansluitingen voor de te voeden buizen. Dit apparaat werd verkocht voor fl. 55,- Een plaatspanningsapparaat (soms ook anodespanningsapparaat of plaatstroomapparaat genoemd) is een netvoeding die bedoeld is voor het opwekken van gelijkspanning voor een of meer radiolampen. Het wordt aangesloten op de negatieve aansluiting, de anode, van elke buis.
Deze apparaten kwamen in zwang in de jaren 1920. Met de opkomst van elektriciteitsnetten boden ze een alternatief voor de batterijen die toen in gebruik waren. Die hadden als nadeel dat de spanning geleidelijk lager werd, een defecte cel kon gekraak, gefluit en andere bijgeluiden veroorzaken, of ze gingen lekken. Verder was de levensduur beperkt tot een aantal weken.
In meerdere periodieken, waaronder de De Telegraaf en het Christelijk Tijdschrift voor Radio, verschenen artikelen over zelfbouw van plaatapparaten.
Eerste versies Het waren lineaire voedingen in hun allereenvoudigste vorm: er is geen sprake van stabilisatie, referentiespanning, regeling, of beveiliging. Het apparaat bestaat uit een transformator, een diode in de vorm van een radiolamp, en een afvlakfilter. De transformator heeft een primaire winding voor het aansluiten van de netspanning, en secundaire windingen van 4 Volt, voor de gloeidraad van de diode, en 175 Volt, voor de plaatspanning. De diode is een enkelzijdige gelijkrichter (in die tijd met drie pootjes), zoals de Philips 373, de Telefunken RGN354, de Tungsram V495, of de Radio-Record R134. Het afvlakfilter bestond uit een smoorspoel van bv. 10 Henry, en twee condensatoren van 4 μF.
Deze apparaten konden meestal hoogstens 3 Watt vermogen leveren. Ze moesten op enige afstand van de radioontvanger worden geplaatst, om brom te vermijden. De geleverde spanning was niet instelbaar, moeilijk meetbaar, en afhankelijk van de netspanning en van de geleverde stroom.
Latere ontwikkelingen Omdat vraag ontstond naar harder geluid en dus meer vermogen, werden er aanpassingen bedacht. Ook de nadelen van de eerste versies werden aangepakt.
Een ontwerp uit 1932 had de volgende verbeteringen: De gelijkrichter werd dubbelfasig. Er werd daarvoor een transformator met een extra middenaftakking gebruikt, en een gelijkrichter met een extra anode, en dus vier pootjes. De transformator werd ook wel gecombineerd met de smoorspoel; dat werd "plaatstroomcombinatie" genoemd. De apparaten werden uitgebreid met extra aansluitingen met verschillende spanningen, zodat een radio met meerdere buizen uit een enkel apparaat gevoed kon worden. Ook kon een lichtnetschakelaar en een zekering worden toegepast.
In 1941 werd in het Philips Technisch Tijdschrift doel en werking beschreven van een manier om de uitgangsspanning van een plaatspanningsapparaat te stabiliseren en regelbaar te maken. Het beschreven apparaat, de GM 4560, woog 19 kg.
In de loop der tijd werd het gebruikelijk om het plaatspanningsapparaat en de radio als één geheel te fabriceren en te verkopen.
Galerij
Zie ook Radiolamp Elektronenbuis Buizenradio Voeding (elektronica)
Bronnen Voor dit artikel werden als bronnen gebruikt:
Categorie:Elektronica Categorie:Radiotechniek