Carel Frederik Reimer (Koningsbergen, 1740 – Batavia, ca. 20 januari 1796) was een landmeter, cartograaf, vestingbouwkundige en kunstschilder in dienst van de VOC. Hij werkte vanaf 1768 in Ceylon en werd in 1785 overgeplaatst naar Batavia. Hij maakte deel uit van de Militaire Commissie naar Oost-Indië in de jaren 1790 tot 1792. In 1793 werd hij Directeur van de Fortificaties en Inspecteur van de Waterwerken in de gehele oostelijke archipel.
Ceylon miniatuur|Ontvangst van de gezanten van de koning van Kandy door gouverneur Falck, door C.F. Reimer.|290x290px Behalve dat Reimer uit Koningsbergen kwam is niets bekend over zijn jeugd. Gezien het verloop van zijn carrière moet hij een veelzijdige scholing in onder meer de vestingbouw achter de rug hebben gehad toen hij in december 1767 in Amsterdam als soldaat dienst nam bij de VOC. De VOC nam in de regel liever geen buitenlanders aan in de hogere rangen vanwege twijfels over hun loyaliteit, hoewel ze het bij gebleken geschiktheid ver konden brengen. Reimer vertrok op het schip Vlietlust naar Ceylon, waar hij op 7 december 1768 aankwam.miniatuur|Fort Trincomalee met voorgestelde verbetering door twee in zee te bouwen platformen (G en H), en voor de bestaande voorkant met bastions Zeeburg en Amsterdam (A en B) een ravelijn met een enveloppe, twee natte grachten en een glacis. De hoofdpoort wordt verplaatst van de zijkant naar de voorkant (L).In de hoofdstad Colombo werd hij al snel benoemd tot onderchirurgijn en vervolgens tot chirurgijn, zodat hij ook medische kennis gehad moet hebben. Ook bleek hij over aanzienlijke artistieke vaardigheden te beschikken. In 1772 maakte hij een aquarel van de ontvangst van de jaarlijkse gezanten van het koninkrijk Kandy door gouverneur Iman Willem Falck en zijn politieke raad. De aquarel is ondertekend met ‘na het leven geteikent en geschildert door C.F. Reimer, Chirurgijn’, en maakt tegenwoordig deel uit van de collectie van het Rijksmuseum. Gezien de stijl en uitvoering is het mogelijk dat ook de twee aquarellen van het hospitaal van Colombo uit 1772 door Reimer gemaakt zijn. Waarschijnlijk maakte hij in 1773-1774 als chirurgijn deel uit van een troepenmacht die Falck vanuit Ceylon naar Nagapattinam zond ter ondersteuning van Fort Vijf Sinnen. Uit deze periode dateren twee aquarellen van het hindoeïstische tempelcomplex Chidambaram die niet gesigneeerd zijn maar aan Reimer worden toegeschreven. Hij zou daar ook kunnen zijn begonnen met het vervaardigen van kaarten.
In 1777 werd hij in de rang van vaandrig-ingenieur benoemd tot Eerste Landmeter, een belangrijke functie op Ceylon. De landmeterij was er al jaren een groot bedrijf. Kaarten waren belangrijk voor het bestuur, de landbouw en de belastingheffing in het ooit op de Portugezen veroverde Compagniesgebied. Reimer maakte in deze functie veel kaarten van vestingwerken van de VOC op Ceylon.miniatuur|290x290px|Gedetailleerd aanzien van Colombo door Reimer. Waarschijnlijk de laatste nauwkeurige weergave van Colombo in de Nederlandse tijd. Het fort werd in de Britse tijd grotendeels gesloopt. In 1780 brak de Vierde Engels-Nederlandse oorlog (1780-1784) uit, die de VOC grote schade berokkende. Aan de Coromandelkust vielen Britse troepen uit Madras onverwacht de VOC vestigingen in Sadras en Nagapattinam aan en plunderden pakhuizen en richtten verwoestingen aan. Het werd daarom des te urgenter dat de fortificaties van Ceylon versterkt werden, waar Reimer voorstellen voor indiende. In 1782 werd hij benoemd tot fabriek van Colombo in de rang van luitenant. Een fabriek was een architect en bouwmeester. Hij stond aan het hoofd van alle ambachtslieden en was verantwoordelijk voor de bouw en het onderhoud van de Compagniesgebouwen, inclusief de inventaris. De benoeming sloot aan bij een ontwikkeling in Nederland, waar in de vestingbouw en cartografie ook wetenschappelijk geschoolde militaire ingenieurs in de plaats kwamen van de meer traditioneel ambachtelijke architecten, bouwmeesters en landmeters.
Batavia miniatuur|Voorstel voor versterkingen van Fort Colombo in 1787. In augustus 1785 deed het marine-eskader van Jacob Pieter van Braam Ceylon aan. Het was op de terugweg uit Oost-Indië, waar het vanwege de oorlog naar toegezonden was. Van Braam had een ontmoeting met Falcks opvolger Willem Jacob van de Graaff, en kwam ook in contact met Reimer. Hij was onder de indruk van zijn kaarten en zijn ideeën voor verbetering van de vestingwerken, met name die van Trincomalee, dat in de oorlog door de Britten was veroverd en daarna weer door de Franse bondgenoot was terug veroverd. Op Van Braams voorspraak werd Reimer chef-ingenieur in Batavia, waar hij een protegé van gouverneur-generaal Willem Alting werd. Zijn verbeteringsvoorstellen voor de forten in Ceylon werden echter afgewezen door Van de Graaff, die zelf ook een achtergrond in vestingbouw had, maar georiënteerd was op de Franse school, de zogeheten tracé moderne. Reimer had een Pruisische opleiding, en beriep zich ook op de beroemde Nederlandse vestingbouwkundigen Menno van Coehoorn en Herman Landsberg. Van de Graaff liet in 1786 en 1787 nieuwe plannen maken door militaire ingenieurs uit Pondicherry, Louis Charles Touchain de la Lustière en zijn assistent De la Goupillière, bijgestaan door Elias Paravicini de Capelli, chef artillerie in Colombo en een tegenstander van Reimer. Zij adviseerden om de bestaande forten af te breken en geheel nieuwe te bouwen volgens Frans model, waarbij zelfs natuurlijke obstakels in het landschap afgegraven moesten worden om aan de eisen van het model te voldoen. Deze plannen werden door Batavia afgewezen vanwege de hoge kosten en omdat Ceylon tijdens de afbraak slecht verdedigbaar zou zijn. Reimer ondersteunde die afwijzing met technische argumenten. Hij was van mening dat de vestingbouw zich juist moest aanpassen aan het landschap en dat het bovendien onverstandig was om buitenlandse ingenieurs voor een dergelijke klus in te huren, ook al waren zij op dat moment toevallig bondgenoten.
Militaire Commissie miniatuur|Voorstel voor verbetering van Fort Colombo door de Militaire Commissie. In 1789 stuurden stadhouder Willem V en de Staten-Generaal op verzoek van de VOC een Militaire Commissie naar Indië om alle vestingwerken te inspecteren en voorstellen te doen voor verbetering, ongeacht de meningsverschillen daarover binnen de VOC. Alting zond Reimer, bevorderd tot majoor-ingenieur, naar Ceylon om daar de commissie op te wachten en er aan deel te nemen, en tegelijkertijd de Raad van Indië in Batavia op de hoogte te houden van de vorderingen.Onduidelijk is of Reimers deelname op Van Braams advies in de Republiek is besloten of er op eigen initiatief van Alting en de Raad van Indië aan is toegevoegd. De commissie zelf was in ieder geval blij met Reimer, die vaardiger was dan de meegereisde ingenieurs. Vaillant schreef de initiatiefnemer van de commissie Joan Cornelis van der Hoop vanuit Colombo dat ‘wij meer partij zullen kunnen trekken van den Majoor Ingenieur de Rijmer, die wij hier gevonden hebben en met ons meegaat’. In september 1790 schreef hij vanuit Paliacatte: ‘Gelukkig hebben wij in de Heer Reimer een werkzaam mensch’. - S. Dörr (1988), De Kundige Kapitein, Brieven en bescheiden betrekking hebbende op Jan Olphert Vaillant, kapitein-ter-zee (1751-1800), Walburg Pers, 9060115821, blz. 194, 203. Reimer, een consciëntieus man, voelde enig ongemak bij die dubbelzinnige opdracht maar voldeed er toch aan. In Ceylon moest hij meer dan drie maanden wachten, wat gezien de slechte relatie met Van de Graaff vervelend was. Toch voerde hij in die tijd veel metingen uit aan Fort Colombo en omgeving, waar door een recente overstroming veel dijken en dammen waren doorgebroken. miniatuur|Hoofdplan Trinkonomale van de Militaire Commissie, met toevoegingen aan Reimers oorspronkelijke ontwerp: twee stenen dammen om de nieuwe platformen in zee te beschermen, twee contregardes naast het ravelijn om het front richting strand te verbreden, een bedekte weg op de enveloppe met twee lunetten en een tenaille tussen de twee bestaande bastions. In december 1789 arriveerde de commissie in Ceylon, onder leiding van de marineofficieren Jan Olphert Vaillant en Christiaan Anthonij Ver Huell en de infanterieofficier Johan Graevestein. Met de schepen Zephyr en Havik werden na Ceylon nog de Malabarkust en de Coromandelkust van India, Malakka, Java en diverse eilanden in de oostelijke archipel bezocht. Reimer hield op de hele tocht een reisjournaal bij. Op Java werd een bezoek gebracht aan Surakarta en Yogyakarta, de ‘Residentieplaatsen van Javaas Vorsten de Kijzer en de Sultan’. Hier zag Reimer de tempelruïnes van Prambanan: de ‘aloude Hoofdzeetel der brammeesche Vorsten en Priesterschaps’, die hem bijzonder interesseerden. Hij pleitte in zijn journaal voor ‘een vollediger en oplettender onderzoek deezer zoo merkwaardige oudheeden’. Reimer maakte een groot aantal kaarten en bouwtekeningen tijdens de reis. Opmerkelijk is zijn kaart van het Britse fort St. George in Madras. Vaillant had hem gevraagd daar discreet een kijkje te nemen. Hij kreeg een gedeeltelijke rondleiding van de Britten maar mocht uiteraard geen metingen verrichten. Hij produceerde daarna een kaart 'uyt geheugen geprent', met witte plekken waar hij niet geweest was.
De commissie leverde bij terugkomst in de Republiek in juni 1793 een uitgebreide rapportage op. Daar werd echter niets concreets mee gedaan. Er was inmiddels oorlog uitgebroken met het revolutionaire Frankrijk en dat eiste alle aandacht op. Daarna brak een periode van grote politieke omwentelingen aan. Christiaan Ver Huells broer Carel Ver Huell scheef jaren later: ‘Dese interessante missie welke hij met de Capitein ter Zee Vaillant had verrigt en waarvan het resultaat aldergewigtigst zoude geweest zijn, ware het land in rust gebleven, ging nu geheel verloren’.
Directeur van de Fortificaties miniatuur|Begrafenisstoet bij Nagapattinam. Detail van een aquarel van Carel Frederik Reimer. In Batavia werd Reimer in 1793 bevorderd tot luitenant-kolonel en benoemd tot Directeur van de Fortificaties en Inspecteur van de Waterwerken in de gehele Oostelijke archipel. In deze functie hield hij toezicht op alle militaire en civiele werken. Alle ingenieurs en fabrieken stonden onder zijn bevel en moesten hun plannen ter goedkeuring aan hem voorleggen. Onder zijn leiding werd een nieuwe kaart van Batavia en omstreken gemaakt. In deze jaren behoorde hij tot een groepje VOC-bestuurders, met onder andere Nicolaus Engelhard, dat zich bezig hield met onderzoek en verzameling van Javaanse kunst en cultuur. Tekeningen en artikelen publiceerden ze onder meer in het tijdschrift Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap. Ook schreef Reimer een lijvig rapport in twee delen over de slechte gezondheidstoestand in Batavia en bevorderde hij de bouw van nieuwe onderkomens voor militairen en ander VOC-personeel in Weltevreden, waar de toestand beter was. De rapporten hebben waarschijnlijk bijgedragen aan het besluit tot verplaatsing van het koloniaal bestuur vanuit het oude deel van Batavia verder het binnenland in door Herman Willem Daendels in het begin van de 19e eeuw.