Otakar Ostrčil (Praag, 25 februari 1879 – aldaar, 20 augustus 1935) was een Tsjechische componist en dirigent.
Levensloop Ostrčil bracht zijn gehele leven door in Praag en bevond zich daarmee in het culturele en muzikale middelpunt van zijn land. Hij studeerde filosofie aan de Karelsuniversiteit en volgde colleges bij de historicus en musicoloog Otakar Hostinský, die sterk verbonden was met vooraanstaande componisten als Bedřich Smetana, Josef Bohuslav Foerster en Zdeněk Fibich. Die laatste gaf Ostrčil privélessen in muziektheorie en compositie. Hij raakte ook nauw bevriend met de invloedrijke musicoloog Zdeněk Nejedlý, een centrale figuur in het Praagse muziekleven, die na Ostrčils dood een boek over hem schreef.
Ostrčil werkte van 1914 tot 1919 als dirigent in het theater van de Praagse wijk Vinohrady en daarna van 1920 tot 1935 in het Nationaal Theater. Daarnaast leidde hij aan het Conservatorium van Praag jonge dirigenten op en kweekte zo een toegewijde generatie die hem volgde bij het introduceren van nieuwe muziek. Hij verwierf grote invloed op het Praagse muziekleven door eigentijdse muziek te dirigeren waarvoor het conservatieve publiek nog gewonnen moest worden, zoals werken van Claude Debussy, Arnold Schönberg, Gustav Mahler, Richard Strauss, Igor Stravinsky, Alban Berg, Darius Milhaud, Otokar Zich en de jonge experimentele componist Alois Hába, die een groot aanhanger van hem was.
Van groot belang was de première van Bergs Wozzeck, die groot succes had, maar later het middelpunt werd van een politieke rel, omdat conservatieve critici deze opera afwezen. In de onrustige periode voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog kwam Ostrčil door zijn hechte vriendschap met Zdeněk Nejedlý, die lid was van de Communistische Partij van Tsjecho-Slowakije, terecht in een controverse tussen progressieve en behoudende krachten. Hij werd door tegenstanders gebrandmerkt als een communist en landverrader. Niettemin had hij een grote aanhang onder Tsjechische vooruitstrevende jonge musici en studenten, die hem als een held beschouwden.
Midden in deze periode stierf Ostrčil in 1935 in de leeftijd van 56 jaar. Hij ligt begraven op het Vyšehradkerkhof.
Werk Omdat Ostrčil voor het componeren afhankelijk was van de weinige vrije tijd die hem tussen de drukke concertseizoenen gegund was, heeft hij niet kunnen componeren op de momenten die hij wilde.
Zijn vroege werk sluit stilistisch aan bij de romantische traditie van Bedřich Smetana, Antonín Dvořák en zijn leermeester Zdeněk Fibich. Rond 1900 absorbeerde hij de invloeden van Gustav Mahler en Richard Strauss, zonder de 19e-eeuwse voorgangers te verloochenen. Door zijn expressieve, soms dissonerende stijl waarin ook de Tweede Weense School ging doorklinken, kan hij gelden als een overgangsfiguur binnen de Tsjechische muziek. Markante keerpunten in deze ontwikkeling zijn het Impromptu voor orkest uit 1912 en de (ondanks de titel) omvangrijke en zwaar georkestreerde Sinfonietta uit 1922. Hij schreef zes opera's, een symfonie, een tiental andere orkestwerken, koorwerken en kamermuziek. In navolging van zijn leermeester Zdeněk Fibich behoort Ostrčil tot de weinige componisten die melodrama's hebben gecomponeerd. Geestverwante land- en tijdgenoten waren Vítězslav Novák, Josef Suk en Otakar Zich.
Zijn muziek werd na zijn dood vergeten en wordt buiten zijn land weinig gespeeld.
Werkenlijst Opera's Rybáři (fragment) Jan Zhořelecký (1898) Cymbelín (1899 - onvoltooid) Vlasty skon, op. 5 (1903) Kunálovy oči, op. 11 (1908) Poupě, op. 12 (1910) Legenda z Erinu, op. 19 (1919) Honzovo království, op. 25 (1933 - naar Lev Tolstoi) Melodrama's en orkestliederen Krásné dědictví (verloren gegaan) Kamenný mnich (1893) Lilie (Karel Jaromír Erben) Balada o mrtvém ševci a mladé tanečnici, op. 6 (K. Leger - 1904) Balada česká, op. 8 (Jan Neruda - 1903) Osiřelo dítě, op. 9 (1907) Cizí Host, op. 16 (1913) Skřivan, op. 26 (1934) Orkestwerken Selská Slavnost, op. 1 (1897) Pohádková Suita, op. 2 (1898) Pohádka o Šemíku, op. 3 (1899) Symfonie in A-majeur, op. 7 (1906) Sirotek, op. 10 (1906 - toneelmuziek) Impromptu, op. 13 (1912) Suite in c-mineur, op. 14 (1912) Sinfonietta, op. 20 (1922) Léto, op. 23 (1927 - symfonisch gedicht) Křížova cesta (De Kruisweg), op 24 (1928 - variatiewerk)
Koorwerken Ceská Legenda Vánocní, op. 15 (1912 - Kerstlegende 1912) Legenda o sv. Zite, op. 17 (1913 - Cantate) Prosté Motivy, Op. 21 (1922)
Kamermuziek Strijkkwartet in Bes-majeur, op. 4 (1899) Sonatine for viool, altviool en piano, op. 22 (1925)
Liederen 3 liederen, op. 18 (1910-1913)
Literatuur Zdeněk Nejedlý: Otakar Ostrčil, Girgal, Praag, 1935. Blanka Cervinková, Jan Krupka: Otakar Ostrcil. Bibliografie, Městská Knihovna, Praag, 1971.
Externe links www.musicbase.cz Discografie op Discogs
Categorie:19e-eeuws componist Categorie:20e-eeuws componist Categorie:Tsjechisch componist Categorie:Tsjechisch dirigent Categorie:Tsjechisch muziekpedagoog