Spartaco is een opera in drie aktes van de Italiaanse componist Giuseppe Porsile op een libretto van Giovanni Claudio Pasquini. De eerste opvoering vond plaats op 21 februari 1726 in Wenen.
Achtergrond De uit Napels afkomstige componist Giuseppe Porsile werkte sinds 1708 voor de Habsburgse monarchie en was van 1713 tot aan zijn overlijden in 1750 werkzaam aan het Weense keizerlijk hof. Hij schreef de 'dramma per musica' Spartaco op het Italiaanstalige libretto van Pasquini.
Voor de uitvoering waren zangers van internationale bekendheid aangetrokken: de mezzosopraan Faustina Bordoni, de tenor Francesco Borosini, de sopraan Regina Schoonjans en de castraat Gaetano Orsino. Giuseppe Galli-Bibiena was de decorontwerper, terwijl Alessandro Philebois en Simone Pietro Levassori della Motta de ballets verzorgden op muziek van Nicola Matteis.
Op 21 februari 1726 ging de opera in première in het Kleines Hoftheater te Wenen. De uitvoering was succesvol. Volgens Apostolo Zeno was dit succes vooral te danken aan de schoonheid van Porsiles muziek en de briljante stem van Faustina Bordoni.
Rolverdeling De opera kent in totaal zeven zangrollen. Bij de eerste uitvoering van 21 februari 1726 werden deze rollen als volgt opgevuld:
+RolOmschrijvingStemtypeZanger(es)SpartacusslavenleidertenorFrancesco BorosiniVetturiaRomeinse edelvrouwsopraanRegina SchoonjansLiciniozoon van CrassusaltGaetano OrsinoGianisbedochter van SpartacusmezzosopraanFaustina BordoniPopiliokoningszooncastraatPietro CasatiRodopeechtgenote van SpartacuscastraatPietro RauzinnoTrasonevertrouweling van SpartacusbasPietro Paolo Pezzoni
Verhaallijn Het is 70 v.Chr. en de voormalige slaaf en gladiator Spartacus heeft een succesvolle opstand geleid. Hij is nu heer en meester in de stad Capua. Hij wordt daar verliefd op de door hem gevangen genomen aristocrate Vetturia. Zij is van hoge komaf en verloofd met de edelman Licinio.
Licinio komt in het geheim naar Capua en doet zich voor als Lucius, de broer van Vetturia. Hij weet het vertrouwen van Spartacus te winnen. Spartacus probeert vervolgens zijn eigen dochter Gianisbe te koppelen aan Licinio/Lucius, in de hoop op een dubbele bruiloft: Spartacus met Vetturia en Licinio/Lucius met Gianisbe. Maar Gianisbe is eigenlijk verlief op Popilio, de koningszoon van Capua. miniatuur|Titelpagina van het libretto van Spartaco Intussen komt Spartacus' echtgenote Rodope aan. Spartacus verstoot haar, waarna zijn vertrouweling Trasone haar het hof maakt.
Licinio weet Popilio te overtuigen om zich bij hem aan te sluiten en Spartacus te verraden. Trasone ontdekt deze samenzwering en Spartacus veroordeelt de twee jongemannen tot een strijd in de arena. Gianisbe en Vetturia smeken Spartacus om de twee te sparen, maar hij kent geen genade. Als Licinio en Popilio echter weigeren tegen elkaar te vechten, laat Spartacus de wilde dieren op hen los in de arena, waarna Gianisbe en Vetturia zich bij hun geliefden in de arena voegen.
Inmiddels is het Romeinse leger onder leiding van consul Crassus aangekomen. De poorten worden geopend en het leger neemt Capua in. Spartacus verliest zijn verstand en wordt gek, maar voor de geliefden loopt het goed af. Popilio vraagt Gianisbe ten huwelijk, ondanks dat ze slechts de dochter is van een slaaf. Ook Vetturia en Licinio - die de zoon blijkt van Crassus - besluiten te trouwen.
Thematiek De opera draait om de opkomst en ondergang van een illegitieme heerser. Spartacus heeft met succes een slavenopstand geleid en Capua ingenomen, maar gaat uiteindelijk ten onder aan zijn eigen hybris ('overmoed') en morele verdorvenheid ten onder. Hij eindigt in waanzin en verliest alles; de oude orde is weer hersteld.
Hoewel Spartaco als opera seria wordt beschouwd, past de verhaallijn niet geheel bij dit genre. De uitvoering tijdens het carnaval was echter wel toepasselijk: net als bij het carnaval draait het ook in Spartaco om een omdraaiing van de machtsverhoudingen, met een slavenleider die heerser wordt van een Romeinse stad.
Muziek Bij het componeren hield Porsile rekening met de kwaliteiten van de zangers. Zo verlangde hij van Schoonjans een hoge tessituur en van Borosini dramatische melodische sprongen in zijn stem. Hij wist het beste te halen uit de vier hoofdrolspelers.
De muziek die Porsile schreef komt relatief ouderwets over, waarschijnlijk door de invloed van de keizerlijke familie en van hofcomponist Johann Joseph Fux. Overigens paste de muziek goed bij de destijds heersende tijdsgeest.
Porsile gaf het orkest een uitgebreide rol: niet alleen bij de ritornello's maar ook bij de zanggedeeltes kwam het orkest in actie. De ritornello's varieerden bovendien in aantal en lengte, waarmee Porsile een dramatischer effect wilde creëren. In de muziek is vaak een quasi-contrapunctie toegepast, een stijl die erg gewenst was aan het Weense hof. Ook maakte Porsile veelvuldig gebruik van de populaire da capo-aria's, alhoewel hij hier wel variatie in aanbracht. Vooral in het duet Cosí oppresa’/ ‘S’egli morto en de 'waanzin-aria' van Spartacus, heeft Porsile zich veel vrijheid toegekend in de stijlvorm. Zo liet hij de traditionele vormgeving van de da capo-aria hier weg.
Categorie:Opera