De ('Grote Duitse Kunsttentoonstelling') was een tussen 1937 en 1944 jaarlijks terugkerende kunstverkooptentoonstelling in nazi-Duitsland. De tentoonstellingen vonden plaats in het hiervoor gebouwde in München. Achtergrond In januari 1937 werden oproepen aan kunstenaars geplaatst in Duitse kranten om werken in te sturen voor de . In totaal werden 15.000 werken ingezonden. Aanvankelijk werd een jury van negen kunstenaars aangesteld om werken te kiezen voor de tentoonstelling, maar vanwege Adolf Hitlers ontevredenheid met hun keuzes, benoemde hij zijn huisfotograaf Heinrich Hoffmann om de selecties te maken.Sommige bronnen noemen dat ook museumdirecteur Karl Kolb en architecte Gerdy Troost betrokken waren bij de selectie van de werken. Over de definitieve keuzes had Hitler het laatste woord. Directeur Karl Kolb organiseerde de tentoonstellingen en de supervisie van de tentoonstelling stond onder leiding van Gauleiter Adolf Wagner.

De opening van het in München, en daarmee de start van de eerste editie van de (GDK), vond plaats op 18 juli 1937. Hitler beschouwde München als de 'hoofdstad van de Duitse kunst' en gaf het de eretitel 'Tempel van de Duitse Kunst'. De opening kreeg veel belangstelling in zowel nationale als internationale media. Tijdens de openingsrede sprak Hitler over een 'meedogenloze zuiveringsoorlog' tegen het modernisme. Daarnaast stelde hij dat het Arische ras de maatstaf was voor alle artistieke prestaties.miniatuur|Toespraak van Adolf Hitler tijdens de opening van het (18 juli 1937).|links

Ideologie De stond in het teken van het promoten van het nationaalsocialistisch esthetisch ideaalbeeld van kracht, schoonheid en zuiverheid. Belangrijke thema's binnen de nationaalsocialistische kunst waren het vaderland, de relatie tussen de seksen, de rollen van familie, arbeiders, boeren en, na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, militairen. In 1942 werd de tentoonstelling omschreven als 'manifestatie van de Duitse cultuur en de Duitse kracht in de oorlog'.

Het kunstbeleid van de nationaalsocialisten was sterk gebaseerd op rassenpolitiek, waarbij er geen ruimte was voor kunst van personen die binnen het nationaalsocialistische gedachtegoed als minderwaardig werden beschouwd.

De laatste editie van de vond plaats in 1944. In februari 1945 gaf Hitler opdracht voor het plannen van een nieuwe editie, maar deze ging vanwege het aflopen van de Tweede Wereldoorlog niet door.

Werken De getoonde kunstwerken waren veelal conservatief van onderwerp, met name landschappen, portretten, stillevens, afbeeldingen van dieren, naakten, landelijke idyllen en mythologische scènes waren populair.

Tijdens de eerste editie waren 884 werken van 556 kunstenaars te zien. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog daalde het aantal beeldhouwwerken dat werd getoond, vanwege een gebrek aan materialen en grondstoffen, alsmede een gebrek aan vervoersmogelijkheden. In totaal werden tijdens de acht edities van de 12.550 beeldhouwwerken, schilderijen en grafieken tentoongesteld, afkomstig van 2465 kunstenaars. Van deze werken werden er 7.000 verkocht met een totaalopbrengst van 19 miljoen Rijksmark. Adolf Hitler zelf gaf ongeveer 6,8 miljoen Rijksmark uit aan kunst.

Deelnemende kunstenaars Enkel kunstenaars die aangesloten waren bij de mochten hun werken tentoonstellen tijdens de .

Enkele bekende deelnemers waren: Lothar-Günther Buchheim Arno Breker Thomas Baumgartner Fritz Erler Karl Gatermann der Ältere Sepp Hilz Hermann Otto Hoyer Carl Paul Jennewein Georg Kolbe Fritz Klimsch Karl Leipold Adolf Reich Richard Scheibe Leopold Schmutzler Josef Thorak Karl Truppe Adolf Wissel Adolf Ziegler

Galerij

Externe link Onderzoeksplatform 1937-1944

Categorie:Nazi-Duitsland Categorie:Kunst in Duitsland Categorie:Kunstbeurs