miniatuur|Gezicht op de drukke Woenselse overweg miniatuur|De overweg gezien vanuit het noorden De Woenselse overweg was een spoorwegovergang in Eindhoven, ter hoogte van de huidige kruising Emmasingel-Mathildelaan. Toen Eindhoven in 1866 een aansluiting kreeg op het landelijke spoorwegnet, vormde de Woenselse spoorwegovergang de grens tussen de toenmalige gemeenten Eindhoven en Woensel.
Naast deze enige overweg tussen Woensel en Eindhoven, waren er drie overwegen tussen Woensel en Strijp en drie overgangen binnen Woensel zelf.
Verkeersopstoppingen Lang stond de Woenselse overweg bekend om de langdurige sluitingen van de spoorbomen, die soms tot wel drie kwartier aaneengesloten gesloten bleven. Na een korte opening volgde vaak opnieuw een afsluiting van tientallen minuten. Deze situatie leidde, met name tijdens de spitsuren, tot aanzienlijke hinder en frustratie bij weggebruikers die voor de gesloten overweg moesten wachten.
Verkeerstellingen toonden de groeiende omvang van het probleem aan. In 1912 passeerden dagelijks 15.870 voetgangers, 18 automobilisten en 1.722 fietsers de overweg; in 1919 waren deze aantallen gestegen tot respectievelijk 20.741 voetgangers, 53 automobilisten en 3.264 fietsers. Bij de laatst gehouden verkeerstelling in 1947 bleek dat dagelijks ongeveer 14.000 fietsers, 10.000 voetgangers en 4.000 motorrijtuigen voor de overweg wachtten in de vijf uur dat de spoorbomen in totaal gesloten waren. Ook maakten duizenden voetgangers gebruik van de brug over het spoor, die zich vlak naast de overweg bevond. Deze brug werd overigens in 1930 verlengd met een deel over de Emmasingel.
Al in 1876 werden de problemen rond de Woenselse overweg onderkend door de Woenselse burgemeester Franciscus Carel Schutjes. Verder wees Tweede Kamerlid J.J. Wintermans in 1919 op de grote stedenbouwkundige, economische en maatschappelijke gevolgen van het verkeersknelpunt voor de Woenselse bevolking.
Spoorvraagstuk miniatuur|Rechtsboven, rechts van de Lichttoren, de Woenselse overweg De Woenselse overweg groeide uit tot een steeds groter verkeersprobleem, waarvoor verschillende oplossingen werden voorgesteld.
Een van de voorstellen ontstond tijdens de Tweede Wereldoorlog en was afkomstig van een comité onder leiding van de heren Philips en Mignot. Zij stelden voor om ten noorden van het bestaande station een groot kopstation te bouwen, waarbij alle sporen richting het oosten zouden lopen. Een groot stationsplein moest vervolgens het centrum van Eindhoven en Woensel ruimtelijk met elkaar verbinden. Uiteindelijk ging dit plan niet door.
Wat wel doorging, was het Wederopbouwplan van architect Jan van der Laan. Zijn plan was vooral gericht op het verbeteren van de verkeerssituatie in het centrum van Eindhoven en vormde de basis voor de aanleg van een verhoogd spoor.
Aanleg van het hoogspoor Bij de verlegging van het spoor met 150 meter naar het noorden werd eind 1947 begonnen met de aanleg van een hulpspoor voor de tijdelijke omleiding van het treinverkeer. Tussen 1950 en 1953 werden de verhoogde spoorbaan en zeven tunnels aangelegd, waarna het hoogspoor op 28 november 1953 feestelijk in gebruik werd genomen.
Het goederenverkeer maakte op lagere capaciteit nog tot 1 juni 1955 gebruik van de laatste resten van het laagspoor, waarna op 1 juni 1955 de laatste trein over de Woenselse overweg reed. Hierna werd de overweg opgeheven.
De aanleg van de zeven verkeerstunnels loste de problemen rond de overwegen grotendeels op en verbeterde de bereikbaarheid van Woensel voor circa 40.000 inwoners. Door de overgang van laag- naar hoogspoor kon ongeveer 90 procent van het treinverkeer via de nieuwe spoorinrichting worden geleid, waardoor ook het lokale en interlokale wegverkeer niet langer door gesloten overwegen werd belemmerd.
Categorie:Geschiedenis van Eindhoven Categorie:Overweg in Nederland