Jekschot was een kasteel in de Nederlandse buurtschap Jekschot, provincie Noord-Brabant. Het kasteel was tot 1580 het machtscentrum van de heerlijkheid Jekschot.

De naam is waarschijnlijk een samentrekking van 'eck' (eik) en 'schot' (afgebakend gebied). Rondom het bezit lag ook een eikenwal.

Van het kasteel zijn geen zichtbare restanten bewaard gebleven. Wel is het lanenstelsel van het latere landgoed behouden.

Geschiedenis Het grondgebied van Jekschot was oorspronkelijk in eigendom van de Brabantse hertog Jan II. Hij verkocht op 12 januari 1311 de heerlijkheid Jekschot aan Willem de Cruydenaer, als onderdeel van een af te lossen schuld aan Willem. Vervolgens droeg Willem de heerlijkheid op aan de hertog, waarna Willem er direct weer mee werd beleend. Een deel van het goed bleef overigens allodiaal en dus in volledig bezit van Willem.

In 1363 vernielden opstandige boeren het kasteel. Dit was het gevolg van de voortdurende geschillen over de grenzen en de rechten van de heerlijkheid.

In de 14e en 15e eeuw was Jekschot in bezit van Mychiels van Gheete, gevolgd door Ghevert van Eendoven en zijn zoon Arnt van Eyndhoven. Roelof Berwout kocht Jekschot aan en liet het aan zijn zoon Arnt na. Deze verkocht het goed aan Herman Coenen. Via Jan vander Aa en Jan Oudaert kwam Jekschot terecht bij Henrick vander Linden, die het namens Jans erfgename Margriet Oudaert bestuurde.

Adriana van Dobbelstein In 1566 werd Adriana van Dobbelstein (†1614), de dochter van Margriet Oudaert en Willem van Dobbelstein, beleend met Jekschot. Zij was gehuwd met Willem van Halmale (†1594). In 1580 werd het kasteel verwoest tijdens oorlogshandelingen. Het echtpaar vestigde zich daarom op kasteel Pasbogaard en liet de rechten van Jekschot overzetten naar Pasbogaard.

Toen Adriana in 1614 overleed erfde haar kleindochter Anna van Hambroeck zowel Jekschot als Pasbogaard.

Problemen voor Anna van Hambroeck Voor Anna van Hambroeck (1590-1660) was het bezit van Jekschot niet zonder problemen. Wegens onduidelijkheid over de grenzen van de heerlijkheid Jekschot kwam zij terecht in kostbare procedures tegen de schout en schepenen van Sint-Oedenrode. Zo was er onenigheid over het Cijnsveld: Anna claimde dit gebied als deel van de heerlijkheid en vond dat boeren uit Sint-Oedenrode hier oneigenlijk gebruik van maakten. Verder was de noordgrens van de heerlijkheid niet duidelijk vastgelegd en was er een geschil over de afdracht van dorpsbelastingen aan Sint-Oedenrode en Veghel. Tot slot was er in 1656 nog een proces vanwege de aanspraken die baron Eugenie Ambrosius van Maldeghem deed gelden.

De hoge kosten van al deze processen leidden bij Anna tot financiële problemen en in 1658 verkocht zij noodgedwongen het kasteel Pasbogaard.

Van Maldeghem Na Anna's overlijden ging het bergafwaarts met de heerlijkheid. De eigen schepenbank werd verwaarloosd en functioneerde niet meer. Anna's erfgenamen verkochten in 1681 de heerlijkheid aan Eugenie Ambrosius van Maldeghem. Twee jaar later kreeg Sint-Oedenrode alsnog het medegebruik van het Cijnsveld toegekend.

De familie Van Maldeghem behield de heerlijkheid tot 1767. In dat jaar verkocht zij het aan Hugo Balthasar Bouts, heer van Lieshout. Het aankoopbedrag was 11.135 gulden, vele malen lager dan de 34.000 gulden die een geïnteresseerde had geboden medio 17e eeuw. Deze prijsdaling zal een aanwijzing zijn dat de waarde van de oude heerlijkheid sterk was afgenomen.

19e en 20e eeuw miniatuur|Twee hoeven in Jekschot (1832) Na enkele verervingen kocht jonkvrouw Anna Charlotta Emilia van Oldenbarneveld het goed Jekschot aan. Zij had overigens al 1/8e deel geërfd van de laatste eigenaresse.

In 1843 werd de heerlijkheid nog omschreven als een gehucht van zes boerderijen en enkele huizen.

Henricus J.M. Smits kocht de heerlijkheid in 1893. De familie Smits investeerde vervolgens stevig in het gebied, met een verbeterde afwatering, nieuwe ontginningen, bosaanleg, betere wegen en herstel van woningen en schuren. De boerderij bij de grens met Veghel werd omgevormd tot de hoofdingang, inclusief inrijpoort en siertuin.

Nadat de laatste eigenares uit de familie Smits in 1940 was overleden, vererfde het goed naar de familie Sopers. Zij verkocht in 1951 het goed aan de toenmalige bewoners, waardoor het landgoed Jekschot versnipperd raakte onder de verschillende eigenaren.

Beschrijving Het kasteel zal kort voor 1311 zijn gebouwd. Er zou ook een kapel hebben gestaan, gewijd aan de heilige Hubertus, maar in 15e- en 16e-eeuwse overzichten wordt er geen melding van gemaakt. De locatie waar deze kapel heeft gestaan, is ook niet bekend. Mogelijk was de kapel gewoon een onderdeel van het kasteel zelf.

In 1580 werd het kasteel tijdens oorlogshandelingen verwoest. Waarschijnlijk was Jekschot op dat moment geen vaste woonplaats voor de eigenaren, maar diende het als buitenhuis of jachthuis. Na de verwoesting is het in ieder geval niet meer herbouwd.

Rond 1640 schreef Philips baron van Leefdael dat het verwoeste kasteel op een motte had gestaan. In zijn tijd zou deze motte namelijk nog zichtbaar zijn geweest. Het is echter niet aannemelijk dat Jekschot een mottekasteel was, want die werden rond 1311 in principe niet meer gebouwd. Mogelijk heeft het zand dat uit de slotgracht was opgeworpen - in combinatie met het puin van het verwoeste kasteel - voor een lichte glooiing gezorgd en is het daarom voor een motte aangezien.

Categorie:Verdwenen kasteel in Nederland Categorie:Kasteel in Noord-Brabant Categorie:Bouwwerk in Meierijstad