Correspondence Office for Diamond Industry (COFDI) was een tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londen actief ad-hocbureau dat de belangen van de voor de oorlog in Antwerpen gevestigde diamantsector behartigde. Het werd eind oktober 1940 opgericht op initiatief van de Belgische politicus Camille Huysmans, in samenwerking met de diamantairs Romi Goldmuntz en Gedalia (Herman) Schamisso. Het kantoor wilde bewerkstelligen dat Antwerpen na de oorlog opnieuw een leidende positie in de internationale diamantindustrie zou innemen. Daartoe onderhield het contacten binnen de verspreide Antwerpse diamantgemeenschap en bereidde het de terugkeer van ondernemers en arbeiders, de aanvoer van ruwe diamant en het herstel van de handels- en productie-infrastructuur voor.Eric Laureys, Meesters van het diamant. De Belgische diamantsector tijdens het nazibewind, Lannoo, Tielt, 2005, pp. 287–289.Veerle Vanden Daelen, ‘Orthodoxy Through Diamonds: Jewish Life in Antwerp after World War II’, in Rebecca Kobrin en Adam Teller (red.), Purchasing Power: The Economics of Modern Jewish History, University of Pennsylvania Press, Philadelphia, 2015, pp. 198–201.

Achtergrond Na de Duitse inval in België in mei 1940 raakten de Antwerpse diamanthandel en diamantnijverheid ontwricht. Een groot aantal diamantairs en andere personen uit de sector vluchtte via Frankrijk en kwam uiteindelijk terecht in onder meer het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Brazilië, Cuba en het toenmalige Mandaatgebied Palestina. Hierdoor werden de vooroorlogse zakelijke, familiale en sociale netwerken over verschillende landen verspreid. Tegelijk ontwikkelden of vergrootten diamantcentra buiten Antwerpen hun handels- en slijpcapaciteit.

Huysmans, Goldmuntz en Schamisso vreesden dat deze verschuiving na de oorlog blijvend zou blijken. Voor Huysmans speelde ook het economische belang van de diamantsector voor Antwerpen en de werkgelegenheid in de stad en de omliggende regio een rol. Goldmuntz en Schamisso waren vooral bezorgd over de concurrentie van de tijdens de oorlog groeiende diamantcentra.

Oprichting en organisatie Huysmans en Goldmuntz richtten COFDI eind oktober 1940 op om de belangenbehartiging van de gevluchte diamantsector systematischer te organiseren. Laureys omschrijft COFDI als een ad-hocbureau dat door Huysmans in het leven werd geroepen, door Goldmuntz werd geadviseerd en aanvankelijk door Goldmuntz en Schamisso werd gefinancierd. Ook de Zuid-Afrikaanse diamantmagnaat Ernest Oppenheimer verleende financiële steun.

Het kantoor kreeg onderdak in de Londense bedrijfsruimten van Dunkels & Co Ltd. Het administratieve werk werd uitgevoerd door Marthe Deguent, een dochter van Huysmans. Een van haar eerste opdrachten was het samenstellen van een overzicht van Antwerpse diamantairs en hun familieleden. Die inventaris moest het mogelijk maken de verspreide beroepsgemeenschap te bereiken en de hervatting van de sector reeds tijdens de oorlog voor te bereiden.

Doelstellingen en werkzaamheden COFDI probeerde de tijdens de oorlog verspreide diamantairs en diamantbewerkers opnieuw met elkaar in contact te brengen. Het onderhield daarvoor correspondentie met groepen voormalige Antwerpenaren in verschillende ballingsoorden. De terugkeer naar België werd zowel praktisch als organisatorisch voorbereid. Het kantoor hield zich onder meer bezig met de toekomstige beschikbaarheid van ruwe diamant, werkplaatsen, slijpmachines, handelsvoorzieningen en personeel.

Daarnaast probeerde COFDI de bestaande verhoudingen tussen werkgevers en werknemers te behouden, in het bijzonder in de diamantslijperijen die tijdens de oorlog in het Verenigd Koninkrijk waren opgericht. Het doel daarvan was te voorkomen dat de Antwerpse arbeidsorganisatie en vakkennis tijdens de ballingschap volledig uiteenvielen.

Een afzonderlijk werkterrein betrof diamantpartijen van uit Antwerpen gevluchte handelaren die door overheidsdiensten waren geblokkeerd, in beslag genomen of als mogelijk vijandelijk vermogen waren aangemerkt. Honderden vanuit Frankrijk en Portugal via Londen naar de Verenigde Staten verzonden diamantpakketjes waren door het Britse Ministry of Economic Warfare tegengehouden. COFDI verstrekte informatie over afzenders en geadresseerden, waardoor verschillende zendingen konden worden vrijgegeven.Eric Laureys, Meesters van het diamant. De Belgische diamantsector tijdens het nazibewind, Lannoo, Tielt, 2005, pp. 288–289.

Ook douanediensten en de Britse marine namen diamanten van vluchtelingen in beslag. Wanneer zulke partijen bij de Britse Custodian of Enemy Property terechtkwamen, kon de Belgische regering COFDI om advies vragen over de identiteit en betrouwbaarheid van de eigenaar. Bij een gunstige beoordeling probeerde het kantoor de diamanten te laten vrijgeven en met de rechthebbende in contact te komen. Zo nodig werden namens of ten behoeve van de betrokken diamantairs juridische vorderingen bij Britse rechtbanken ingediend.

COFDI verzamelde daarnaast informatie over personen en diamanttransacties die voor de geallieerde oorlogsinspanning relevant konden zijn, bijvoorbeeld over Duitse diamantactiviteiten in neutrale landen. Een andere belangrijke activiteit was het lobbyen bij Belgische en Britse instanties en bij ondernemingen die de distributie van ruwe diamant beheersten. COFDI wilde voorkomen dat de tijdens de oorlog gegroeide diamantcentra na de bevrijding een blijvend voordeel ten opzichte van Antwerpen zouden behouden. Het kantoor bepleitte daarom een beperking of regulering van de toevoer van ruwe diamant naar enkele van die centra.Sebastian Henn en Eric Laureys, ‘Bridging Ruptures: The Re-emergence of the Antwerp Diamond District After World War II and the Role of Strategic Action’, in Dirk Fornahl, Sebastian Henn en Max-Peter Menzel (red.), Emerging Clusters: Theoretical, Empirical and Political Perspectives on the Initial Stage of Cluster Evolution, Edward Elgar, Cheltenham en Northampton, 2010, pp. 84–86, doi:10.4337/9781849805223.00010.

Contact met de regering in ballingschap De relatie tussen COFDI en de Belgische regering in ballingschap verliep aanvankelijk moeizaam. Sommige ministers stonden terughoudend tegenover Huysmans en zijn in Londen gevestigde Belgische Parlementaire Bureau. Pas vanaf 1942 begon de regering een actiever beleid te voeren met het oog op de terugkeer van de diamantsector.Veerle Vanden Daelen, ‘Negotiating the Return of the Diamond Sector and its Jews: The Belgian Government during the Second World War and in the Immediate Post-war Period’, Holocaust Studies, jaargang 18, nr. 2–3, 2012, pp. 231–260, doi:10.1080/17504902.2012.11087309.

In juli 1942 nam de regering aanbevelingen van COFDI over om de naoorlogse aanvoer van ruwe diamant naar Antwerpen veilig te stellen en het contact met de diamantdiaspora te onderhouden. De regering en andere betrokken partijen begonnen vervolgens onderhandelingen over de voortzetting van de vooroorlogse bevoorradingsregelingen.

Een belangrijk onderdeel daarvan was de in 1942 noodzakelijke vernieuwing van het contract tussen de Congolese mijnbouwmaatschappij Forminière en Dicorp, de met De Beers verbonden Diamond Corporation. In het vernieuwde contract werden hoeveelheden slijpbare ruwe diamant voor de naoorlogse Belgische industrie gereserveerd. COFDI had deze kwestie door zijn lobbywerk nadrukkelijk onder de aandacht van de Belgische regering gebracht. De uiteindelijke afspraken kwamen echter tot stand door onderhandelingen tussen meerdere ondernemingen en Belgische en Britse overheidsinstanties en kunnen daarom niet uitsluitend aan COFDI worden toegeschreven.Eric Laureys, Meesters van het diamant. De Belgische diamantsector tijdens het nazibewind, Lannoo, Tielt, 2005, pp. 292–304.

Op 8 maart 1944 kreeg COFDI volgens Laureys een formeel mandaat van de Belgische regering en vertegenwoordigers van de Britse bevoorradingsinstanties en de Diamond Trading Company. Daarmee werd het tot dan toe particuliere bureau rechtstreeks betrokken bij de officiële voorbereiding van de heropening van de Antwerpse diamantsector. Het hield zich vervolgens onder meer bezig met de beschikbaarheid van slijpmachines, ruwe diamant en personeel na de bevrijding.Eric Laureys, Meesters van het diamant. De Belgische diamantsector tijdens het nazibewind, Lannoo, Tielt, 2005, pp. 307–308.

Betekenis COFDI fungeerde tijdens de oorlog als contactpunt tussen een deel van de internationale Antwerpse diamantdiaspora, de Belgische regering in ballingschap, Britse autoriteiten en ondernemingen uit de internationale diamantketen. Het kantoor droeg bij aan het behoud van persoonlijke en zakelijke netwerken, de bescherming van eigendomsrechten en de voorbereiding van de naoorlogse grondstoffenvoorziening.Eric Laureys, ‘Het diamantschaakspel. De politieke geschiedenis van de Belgische diamantsector tussen Schemeroorlog en Koude Oorlog’, SOMA Berichtenblad, nr. 39, zomer 2005, dossier, pp. XIII–XVII, in het bijzonder p. XVII, online raadpleegbaar.

De naoorlogse heropleving van Antwerpen als diamantcentrum was evenwel niet uitsluitend het gevolg van het optreden van COFDI. Ook de nog aanwezige vakkennis en infrastructuur, het beleid van de Belgische en Britse overheden, de positie van de Congolese diamantproductie, de belangen van De Beers en de internationale marktomstandigheden speelden een rol. Henn en Laureys beschouwen de wederopbouw daarom als het resultaat van een combinatie van doelgericht handelen en omstandigheden waarop de Antwerpse actoren slechts beperkt invloed hadden.

Referenties

Categorie:Diamantindustrie Categorie:Tweede Wereldoorlog in België